Technopret

Er is wat voor te zeggen om Karlheinz Stockhausen als the godfather van de elektronische muziek te presenteren. In Mantra voor twee, met klokjes en elektronica-extended vleugels, laat hij de piano in zijn meest naturelle en meest getroebleerde vorm horen.

Toch was dit ruim zeventig minuten durende werk een stevige kluif als opmaat voor het derde Sonic Acts Festival dat vorige week in Paradiso plaats vond. Sonic Acts, een gezamenlijk initiatief van Paradiso en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, toont de actuele ontwikkelingen in de elektronische muziek in de breedst mogelijke betekenis. Van videoanimaties tot interactieve instrumenten, van tapestukken tot techno-acts. Afgezien van een zelfde preoccupatie met het eigenhandig kneden van klank komen de uitgevoerde werken uit een totaal andere belevingswereld voort dan Stockhausens Mantra. Alleen de zompige improvisaties van Pascal Boudreault en zijn groep deden gedateerder aan!
Tot de hoogtepunten op de eerste avond behoorde Tally luna atlanticipated van het trio Anne Wellmer, Florentijn Boddendijk en Edwin van der Heide. Deze parabel over het idee om met een luchtballon naar de maan te varen, is buitengewoon eclectisch van aard. Niet alleen vloeien de meest uiteenlopende muziekjes naadloos in elkaar over, soms klinken ze zelfs tegelijkertijd, waarbij de bovenste laag bijvoorbeeld uit een sereen gregoriaans bestaat, terwijl een paar strata lager een vette housebeat ligt. Met spetterende soli van Boddendijk op laserbas, Van der Heide met zijn midi-conductor en Wellmer als stemacrobate ontstaat een pakkend stuk. Niet langer worden deze nieuwe computerinstrumenten ‘gedemonstreerd’; ze vormen de basis voor een volwaardige voorstelling.
Even verrassend was de solo-performance Geen tijd voor geen tijd van Bart Visser. Geperst in het keurslijf van een onverbiddelijke tijdklok is Visser gedoemd aan één stuk door touwtje te springen. Binnen een mum van tijd in het zweet en buiten adem geraakt, werpt Visser de vraag op of de mens of de tijd het middelpunt van het bestaan vormt. Met eenvoudige lichteffecten zet hij een simpel, maar prachtig beeld neer. Precies het tegenovergestelde van opzet was de performance Code I van Alex Schaub: chaotisch, vaag en associatief. Schaub voert met een geluidstape, licht, rook en diaprojecties een soort eenakter op. Ondanks verwijzingen naar de industriële kunst uit de jaren twintig is het volkomen onduidelijk waar het over gaat, maar de opbouw is goed.
Op de tweede avond kon het publiek twee afstudeerprojecten bijwonen. Met zijn adembenemend acrobatische stuntwerk in een sonisch veld wond Daniel Graber de examencommissie om zijn vingers. Bela Römer liet een drietal licht- en geluidsprojecties zien, waarbij het contrast tussen de twee fel gekleurde ballen en de nogal broeierige muziek een mooi effect had. Uitgerekend het derde deel, waar hij op afstudeerde, was een stuk pretentieuzer van aard.
Heel theatraal was de soloperformance Dea ex macchina van Anne Wellmer. Het meest intrigerende aan dit stuk was de relatie die ze opbouwde met een onzichtbare lichtman, die haar fladderende gang over de balkons van Paradiso met een volgspot vasthield. In Vox dei laat Matthew Ostrowski een bombardement van videobeelden samengaan met een vierstemmig a-capellakoortje en live elektronica. Het is een heel extreem stuk, maar de prachtige beelden en bizarre combinatie van elementen maakt het tot een fascinerend project.
In het leeuwedeel van de elektronische composities vormt techno-muziek zo'n substantieel deel dat de overgang na twaalven naar de deejays niet groot is. Althans, niet in sfeer. Ondanks de videoanimaties die de deejays Scanner, DJ Angelo en Woodshed als onderdeel van hun acts vertoonden, heeft dansmuziek toch een heel andere impact dan luistermuziek.