Teder en een tikkeltje dromerig

In De laatste kinderen van Tokyo schetst Yoko Tawada een naargeestig Japan van de toekomst: nationalistisch, autoritair, met een verziekt milieu. Maar door haar rijke fantasie en humor is haar roman allesbehalve deprimerend.

Yoko Tawada © Yves Noir

Yoko Tawada (1960) schrijft in een vreemde taal, in beide betekenissen van het woord ‘vreemd’. Toen de Japanse schrijver als twintiger naar Duitsland verhuisde, maakte ze zich, met moeite, het alfabet en de taal eigen. (‘Wat probeert de A mij te vertellen’, vraagt ze zich in een essay af. ‘Hoe langer ik naar een letter kijk, hoe geheimzinniger en levendiger deze wordt.’) Nu schrijft ze boeken zowel in het Duits als in het Japans en wisselt ze soms zelfs binnen hetzelfde boek van taal. Van Das nackte Auge (2009) schreef ze de hoofdstukken nu eens in het Duits, dan weer in het Japans, om vervolgens het werk zelf weer beide kanten op te vertalen.

Eerder verschenen in Nederland twee uit het Duits vertaalde werken: de verhalen- en essaybundel De Berghollander in 2010 en Memoires van een ijsbeer in 2018, een gedurfde en geestige migrantenroman verteld vanuit het perspectief van drie generaties ijsberen. Nu is er De laatste kinderen van Tokyo, de eerste Nederlandse vertaling van een oorspronkelijk Japanstalige Tawada.

We bevinden ons in een Japan, ergens op een onbenoemd moment in de toekomst, dat herkenbaar is als Japan – nationalistisch, kapitalistisch, vergrijsd – maar tegelijkertijd een stuk minder herkenbaar is als onderdeel van de planeet aarde. Mannen komen in de overgang. Iedereen verandert op een willekeurig moment in zijn leven van geslacht. Ouderen, aan wie ‘de dood voorlopig is ontzegd’, worden ouder en ouder en met de jaren vitaler terwijl kinderen als zwakke, continu hulpbehoevende wezens worden geboren die geen lang leven lijken te hebben.

Er wordt gehint naar een ecologische ramp die zich heeft voltrokken. Moedermelk is giftig, de meeste wilde dieren zijn uitgestorven en de handel en eigenlijk alle communicatie met het buitenland ligt stil. De regering is geprivatiseerd. Het antwoord op de vraag hoe het allemaal zover heeft kunnen komen in de wereld, zijn ondergeschikt aan de interacties, herinneringen en overpeinzingen van de hoofdpersonen. Het verhaal is niet dystopisch à la George Orwells 1984, maar teder en een tikkeltje dromerig. We volgen het alledaagse leven van voormalig schrijver Yoshiro, een vitale maar bezorgde oude man, en zijn achterkleinzoon Mumei, een zwak maar pienter jongetje, dat ‘aan een kuiken doet denken’, door zijn in verhouding grote hoofd en zijn lange, smalle hals.

De relatie tussen de twee vormt het hart van het boek. Yoshiro perst het sap uit sinaasappels en snijdt wat er overblijft in kleine stukjes zodat Mumei het kan verteren. Hij brengt Mumei, die moeite heeft met lopen, naar school, waar hij al kronkelend en met ‘octopusvechtkunst’ met de andere kinderen stoeit. Ondertussen observeert Yoshiro al piekerend de wereld om hem heen. Is het echt de moeite waard om zijn 108ste verjaardag voor te bereiden? Is het niet logischer om te vieren dat een kind het weer een dag heeft overleefd?

‘Misschien evolueert de mensheid wel richting octopus’

Het boek lijkt de vraag te stellen: hoe erg is het allemaal? Dat de wereld onherstelbaar vervuild is? Dat het menselijk lichaam zich aanpast aan een permanent veranderd milieu? Dat er bijna geen vers voedsel meer te krijgen is? Yoshiro en Mumei vertegenwoordigen twee verschillende visies op de toekomst. Yoshiro is bezorgd, verlangt terug naar vroeger en vraagt zich af of het in andere landen beter gesteld is met het milieu, de dieren en de conditie van de jeugd. Yoshiro in gesprek met de bakker: ‘Vroeger lachten ze om weekdieren, maar misschien evolueert de mensheid in een richting die niemand zich had kunnen voorstellen, en komen we bijvoorbeeld dichter bij de octopus te staan of zo. Als ik mijn achterkleinkind zie, ga ik dat echt denken.’

Mumeis generatie daarentegen, kent geen zelfbeklag en accepteert de nieuwe realiteit. Als blijkt dat Mumeis zacht geworden tanden er een voor een uit zullen vallen, schrikt Yoshiro zich een hoedje, maar Mumei leest zijn gedachten en zegt: ‘Mussen hebben ook geen tanden, maar ze redden het prima, dus geen probleem.’

En met de evolutie van de mens evolueert ook de taal. Paardenbloemen met blaadjes van tien centimeter mag men niet meer ‘gemuteerd’ noemen, want dat is ‘discriminerend’ taalgebruik. Een ‘milieuaanpassing’, is het nieuwe woord. De term ‘gezondheid’ vindt men tegenwoordig ongepast.

Andere taalverschuivingen hebben minder met veranderende biologie van doen, maar meer met de Edo-achtige isolationistische greep waarin Tawada’s Japan zich opnieuw bevindt. Buitenlandse woorden zijn uit den boze. Er is zelfs een wet aangenomen die stelt dat je de namen van buitenlandse steden niet meer in de mond mag nemen, hoewel die niet gehandhaafd lijkt te worden. Omdat zijn abstracte kunstwerken steeds als buitenlandse landschappen worden geïnterpreteerd, besluit een kunstschilder maar als bakker verder te leven. ‘Brood zelf komt van Europa, maar om de een of andere reden is het nog toegelaten.’

De kunstmatigheid van nationalisme, een terugkerend thema bij Tawada, komt op allerlei kleine en speelse manieren terug in De laatste kinderen van Tokyo. Zo worden feestdagen democratisch bepaald. Na invoering van de ‘Dag van de zee’, bedoeld om over de vervuiling van de oceanen na te denken, vond men dat er ook een ‘Dag van de rivier’ moest komen. Daar wordt immers ook maar al te graag fabrieksafval in gedumpt. ‘Dag van respect voor de oudere’ is veranderd in ‘Zet-hem-op-oudjes-dag’ en ‘Dag van het kind’ werd ‘Sorry-aan-de-kinderen-dag’.

De wereld die in De laatste kinderen van Tokyo geschetst wordt, klinkt misschien deprimerend als je de feiten op een rij zet in een bespreking, maar het getuigt van de kwaliteit van Tawada’s schrijven dat het tegenover-gestelde het geval is. Als lezer raak je gefascineerd door het optimisme van Mumei en zijn generatiegenoten, die ook in het boek zelf als baken van hoop worden gezien vanwege hun wijsheid en aanpassingsvermogen.

Is het boek daarmee een waarschuwing? Klimaatactivistisch? Anti-nationalistisch? Niet nadrukkelijk. Maar juist door zich op de kleine alledaagse observaties van Yoshiro en Mumei te richten, geeft Tawada extra kracht aan het bevreemdende van haar brave new world. En zo is ze indirect toch kritisch, op een zachte manier – door met rijke fantasie en de nodige humor twee eenvoudige levens te beschrijven in een door de mens verziekte wereld. De natuur is om zeep geholpen, eigen- land-eerstgevoelens hebben het tot wetten geschopt, en Yoshiro en Mumei willen gaan picknicken.