Teder naar het graf toe schrijven

1997. Zo goed als het ooit was wordt het nooit meer, geeft Martin Amis grif toe © David Hurn / Magnum Photos / ANP

De nieuwe autobiografische roman van Martin Amis, Uit de eerste hand, is het boek van een schrijver die heeft opgegeven. Terecht misschien ook. Vanaf de vroege jaren tachtig was hij een Spielmacher in het Engelse literaire veld, als zoon van de gerenommeerde sardonicus Kingsley Amis, stiefzoon van de geliefde Elizabeth Jane Howard, criticus, essayist, polemist. Hij had een talent voor het kiezen van de juiste mentoren (Saul Bellow, Philip Larkin) en de juiste vrienden (Ian McEwan, Salman Rushdie, Julian Barnes, Christopher Hitchens). Boomers, moet je er dan door je vuist kuchend bij zeggen, die vanaf de jaren tachtig alle sleutelposities innamen in de Londense letteren, bij de Times Literary Supplement, de London Review of Books, de New Statesman, Granta. Schrijvende beroemdheden werden ze. Als Amis een nieuw exorbitant voorschot kreeg, een nieuwe agent, een nieuw gebit of een nieuwe vrouw schreven de tabloids gretig over hem.

En Amis? Die schreef. Sarcastische boeken over geld en hebzucht en beroemdheid. Maar niet de veelgeprezen moderne klassiekers die zijn generatiegenoten wel zouden schrijven. Geen Booker Prize voor hem. Dat hij nu, met Uit de eerste hand, in de Verenigde Staten voor de National Books Critics’ Circle Award is genomineerd, verraste vriend en vijand.

Amis geeft dit grif toe: zo goed als het ooit was wordt het nooit meer. En dat ligt dus ook aan hem. Hij is de zeventig gepasseerd, aan Uit de eerste hand werkte hij jaren langer dan hij had gewild, dus de kans is klein dat hij nog eens met ‘een grote roman’ zal komen. Amis heeft weliswaar een plot opgetuigd – een oude vlam meldt zich op 11 september met de mededeling dat zijn vader wellicht niet zijn echte vader is – maar het is de lezer duidelijk dat deze fictie niet zijn interesse heeft. Wat Amis vooral wil is nog eens zijn herinneringen ophalen, aan zijn literaire inspiratiebronnen. Uit de eerste hand had ook kunnen heten: De mannen in mijn leven.

Het goede nieuws is tweeledig, namelijk één: dat dit niet zomaar mannen waren. En twee: dat Uit de eerste hand gewoonweg een heerlijk boek is. Voor de films van Quentin Tarantino gebruikte een recensente ooit de term ‘hang-out movies’, films waarvan je genoot niet door de plot, maar omdat het zo fijn was wat tijd door te brengen met de personages. Zoiets geldt hier ook. Amis schrijft, kreunt en steunt over politiek en geschiedenis, over zijn obsessies met Hitler en Stalin (‘Kleine Snor en Grote Snor’), over literaire kritiek en de, wat hem betreft, beperkte toekomst van de roman. Dat het boek zich vult met anekdotes over literaire beroemdheden kun je hem niet kwalijk nemen, zoals hij opmerkt, toen hij als kind ‘papa’ zei name-dropte hij in feite al.

'Uit de eerste hand' is Amis’ manier van nog eens afscheid nemen van zijn literaire vrienden

Romans draaiden ooit óf om plot óf om taal, schrijft Amis – waarbij zulke taalromans alinea’s zonder interpunctie hadden, of zonder eenlettergrepige woorden, of zonder de letter e. Ooit waren er ‘baggy monsters’, plotloze, meanderende en essayistische romans zoals Humboldt’s Gift van Saul Bellow (dat acht maanden in de bestsellerlijst stond in 1975). Er waren ‘complexe romans’, met een modernistische ‘stream of consciousness’ die alle wereldlijke prikkels van de personages moesten overbrengen. Er waren deductieve romans, waarin de lezer zelf iets verborgens in de tekst moest ontdekken.

Al die romans zijn dood, schrijft Amis. Qua taal is in twee generaties alles al uitgeprobeerd dat uit te proberen viel, al raasde de stream of consciousness nog een jaar of zestig voort (‘wie daar nu op terugkijkt en het nog eens overleest, verbaast zich erover dat het zelfs maar langer dan zestig minuten heeft geduurd’). Bovenal is de relatie tussen schrijver en lezer onnoemelijk veranderd, die is ‘in de verste verte niet meer coöperatief’ te noemen. De lezer wil geen conclusies hoeven trekken, die wil ze gewoon eenduidig aangereikt krijgen zonder moeilijke spielerei: ‘Het tijdperk van de onbetrouwbare verteller heeft plaatsgemaakt voor dat van de onbetrouwbare lezer.’

Maar er is ook een geboorte-annonce geweest: voor wat Amis de ‘versnelde roman’ noemt. Zoals de wereld door internationalisering en technologische ontwikkelingen nooit meer stilstaat, mogen romans dat ook niet meer doen. Dus schieten versnelde romans door de handelingen heen, naar hun conclusie. Ze staan niet stil voor introspectie.

Alle essayistische uitweidingen zijn gebed in profielen van zijn vrienden. De onthechte, levenswijze Philip Larkin, de veelvuldig gefêteerde Nobelprijswinnaar Saul Bellow, die zich zijn leven lang zou identificeren met de halve en hele gangsters uit zijn jeugd in Chicago, en de strijdbare essayist Christopher Hitchens, die, zoals McEwan en Rushdie ook al veelvuldig hebben gememoreerd, hen intellectueel allemaal de baas was. Zo verheerlijkend schrijft Amis over Hitchens dat het haast aan de fanfiction grenst.

Maakt niet uit. Ze gaan allemaal dood. Uit de eerste hand is Amis’ manier van nog eens afscheid van ze nemen, en als het moment in het boek daar is dat ze aan alzheimer en kanker ten onder gaan en alle intellectuele woordgrappen voorbij zijn, schrijft Amis ze teder observerend naar het graf toe: ‘De continue golfslag onder aan de hartmonitor, als de kinderlijke uitbeelding van een deinende zee, strekte zich ten slotte uit tot een doodse kalmte.’ Aan het bed van zijn boezemvriend denkt Amis aan T.S. Eliots Preludes. ‘Er is iets dat mij raakt en dat/ Zich krult en vasthecht rond dit beeld/ Het vaag besef van iets dat eind’loos zacht is/ Eind’loos veel te lijden heeft.’