Ger Groot

TEENSLIPPERS

In de week waarin in Liverpool een elfjarig jongetje wordt doodgeschoten door een iets oudere tiener, luister ik in de Ardennen naar nog jongere kinderen die Bach en Sjostakovitsj spelen. Het kloosterinternaat is afgehuurd door een groep viool- en celloleraren die van vroeg tot laat hun leerlingen vriendelijk door de mangel halen.

Het krast en zingt, vibreert en resoneert. De jongsten zullen vijf jaar oud zijn, de senioren vijftien, zestien, en allemaal oefenen ze met de ernst van een professional. Want stuk voor stuk gaan ze op de dagelijkse lunch- of avondconcertjes voor de leeuwen: solospelen voor de hele groep. En dan maakt het weinig uit of je, al naar gelang je leeftijd, Roodborstje of Schumann speelt. Applaus is er na afloop altijd, maar óók de schaamte voor wie zich halverwege in de melodie verslikt en daarop alleen zichzelf heeft aan te kijken.

Wat hier bijeenkomt is gezonde middenklasse in de breedst mogelijke zin: eerder het lagere en midden- dan het hogere segment. Maatschappelijke nieuwkomers zijn er weinig, maar geheel afwezig zijn ze niet. Rijkdom is dat wel, net als cultureel snobisme. Hier zit in al zijn onopvallendheid de ruggengraat van het land.

De kinderen lijkt dat weinig te kunnen schelen. Egg-heads zijn het evenmin als nerds. Ook zij hebben hun Nintendo’s bij zich en luisteren op hun vrije momenten naar Christina Aguilera of Shakira. Een Koreaans jongetje speelt zijn nummer in een T-shirt met Johnny Depp alias Jack Sparrow. Een meisje brengt vol concentratie Paganini ten gehore op teenslippers. In de pauze van het slotconcert zitten tien kinderen rond één minuscuul schermpje, dat volgens de kennersblik van mijn dochter hoort bij een PlayStation Portable_._

Als in dit alles het geluk verscholen ligt, dan is het meest opvallende eraan de bijna afgezaagde gewoonheid. Het eerste jaar dat ik hier kwam liep ik een week lang rond met open mond over zoveel moois uit de handen van zulk volstrekt normale kinderen. Na een paar jaar is zelfs dat routine geworden; zo heel vreemd is het tenslotte niet. De Duitse bourgeoisie wist nog geen eeuw geleden wel weg met dit soort muzikaliteit.

Die wereld lijkt verdwenen, maar ís het niet. Overal in Europa en Noord-Amerika moeten deze zomer dit soort kampen hebben plaatsgevonden, bewogen door de middenklasse-waarden die de moderne samenleving haar geheime vastheid geven. Zij weerstaan de burgerlijke en zelfs tijdloze mode om bij elk incident – hoe betreurenswaardig en pijnlijk op zichzelf ook – de barbaren voor de poorten te zien staan.

Wanneer ik terugkom in de echte wereld, blijkt in diezelfde week ook in Geleen een jongen te zijn neergestoken. Op een skatebaan, door een vijftienjarige. Dat zal mij leren, denk ik onwillekeurig, nog voordat iemand anders het mij heeft kunnen inpeperen. Ver weg in de Ardense bossen, alles goed en wel. Maar in de steden wordt een burgeroorlog uitgevochten die alleen door die op de opiniepagina’s in heftigheid wordt overtroffen. Wie dat niet ziet is niet alleen belachelijk, maar zelfs een verrader van de rede. Chamberlain, München, enzovoort.

Klopt allemaal – maar daarmee is mijn ervaring in de Ardennen nog niet weg. En wie heeft het recht te bepalen wat de ‘echte wereld’ voorstelt en wat niet? Slecht nieuws lijkt altijd werkelijker en authentieker, zoals we ook gemakkelijker geloven in boze bedoelingen dan in welwillendheid. Terwijl die laatste zich altijd moeizaam moet zien te legitimeren, heeft het cynisme het pleit bij voorbaat al gewonnen.

Wantrouwen is nu eenmaal zoveel gemakkelijker en onkwetsbaarder. Het weet zich altijd al in het gelijk gesteld en zal ooit iedere naïviteit beschaamd doen staan. Het wil geen dupe zijn en bereidt zich daarom van begin af aan voor op het ergste, dat het bij ieder incident prompt werkelijkheid geworden ziet: voor onszelf en vooral voor onze kinderen. Bezorgde ouders zijn we immers allemaal – en ook dat al eeuwenlang. Overal loert het gevaar, waartegenover ieder flierefluitend optimisme bijna een misdaad lijkt.

Maar dan is er dat jongetje van dertien dat met zijn cello de mooiste Rachmaninov-vertolking geeft die ik ooit gehoord heb – en dat een uurtje later alweer klaagt over het huiswerk in de eerste klas: dertig Latijnse woorden op één dag. Niets bijzonders, ongetwijfeld – en het objectieve oordeel zal wel uitwijzen dat er aan die Rachmaninov nog van alles schortte. Maar vergeeft u mij dat mij dat niets kan schelen. Liever laat ik mij ontroeren door een civiele beschaving die even onverstoorbaar als vitaal in zichzelf volhardt. Voor cultuurpessimisme is het nog veel en veel te vroeg.