De stand van de onderzoeksjournalistiek

Tegels lichten

Kunnen de media in Nederland de macht nog wel controleren? Overheid en bedrijven verschuilen zich steeds hardnekkiger achter voorlichters en de media ontberen de middelen voor gedegen onderzoek. Toch hebben diepgavers het tij ook juist mee.

In de zomer van 2010, vlak nadat het Oranje­team de finale van het WK voetbal verliest in Zuid-Afrika, besluit RTL Nieuws onderzoek te doen naar vermoede onregelmatigheden bij de kandidatuur van Nederland voor de organisatie van het toekomstige WK. Het wordt de journalisten aan alle kanten moeilijk gemaakt. Voetbal blijkt inderdaad oorlog, ook buiten het stadion. Ministeries, colleges en stadioneigenaren werken tegen door verzoeken voor openbaarmaking te traineren, de knvb straft rtl door de omroep niet meer uit te nodigen voor persmomenten, geïnterviewde deskundigen en parlementsleden worden door pr-mensen benaderd met de boodschap dat RTL Nieuws ‘een hetze’ voert tegen de WK-kandidatuur en de journalisten worden afgebekt en bedreigd.

Uiteindelijk leidt het wel tot een reeks onthullingen over onwettige belastingvrijstellingen en halve waarheden waarmee het kabinet het WK tracht binnen te halen. Maar het is een moeizame speurtocht. En de tegenwerking die de verslaggevers ontmoeten is niet uitzonderlijk. Elke onderzoeksjournalist kan hierover meepraten.

Kunnen de media in Nederland de macht nog wel controleren? Wordt er niet steeds meer informatie afgeschermd en de journalisten het werk onmogelijk gemaakt? Waar de media twintig jaar geleden nog als waakhond optraden, zouden ze nu – noodgedwongen – in keffende schoothondjes zijn veranderd. Dat is althans het beeld dat uit sommige verhalen en commentaren oprijst.

De vraag naar de media als vierde macht is vooral een vraag naar de media en hun onderzoeks­journalistieke functie. Van ouderwets tegels lichten en het onthullen van misstanden tot het kritisch belichten van achtergronden en het reconstrueren van rampen of kabinetscrises. Doen de media dat voldoende? Of willen ze wel maar kunnen ze niet?

Twee diametraal verschillende antwoorden zijn mogelijk op de vraag of de media de macht nog controleren. Het ene luidt: nee, de critici hebben gelijk. Het andere antwoord is: ­jazeker, de onderzoeksjournalistiek in Nederland heeft er nog nooit zo goed voorgestaan als nu.

Om te beginnen met het sombere verhaal: een combinatie van externe ontwikkelingen en interne veranderingen in het media­landschap maakt het lastiger voor journalisten om als waakhond op te treden. Een duidelijk in het oog springende factor is de toename van pr en voorlichting. Het afgelopen decennium heeft een opmerkelijke groei van het aantal communicatie­medewerkers en voorlichters laten zien, zo bleek uit een onderzoek dat ik samen met collega’s van de Universiteit van Amsterdam vorig jaar publiceerde. Waar tien jaar geleden circa 55.000 mensen zich met communicatie bezighielden, werken inmiddels rond de 135.000 man in deze sector. Dit terwijl het aantal journalisten met 15.000 gelijk is gebleven.

‘Communicatieafdelingen hebben meer grip gekregen op bedrijven’, aldus een verslaggever van NRC Handelsblad. ‘Vaak als je mensen via de achterdeur benadert, sluizen ze je toch door naar de communicatieafdeling. Iedereen weet: als een journalist belt, niet praten.’ Het omslagpunt ligt eind jaren negentig, met name bij overheden. Vanaf toen werd het moeilijk om een politicus of bestuurder van betekenis te spreken zonder voorlichter erbij. Inmiddels is dat vrijwel onmogelijk, ook bij bedrijven en niet-commerciële organisaties. Journalisten lopen tegen deze poortwachters op als ze zelf een instantie benaderen.

Uit de verhalen van journalisten blijkt dat voorlichters in het geval van kritische vragen of een negatief verhaal heel defensief kunnen worden, niets willen zeggen of juist actief gaan debunken. In zijn boek De communicatie­oorlog (2008), over hoe de overheid met de pers omgaat, benoemt gpd-journalist Frits Bloemendaal een heel rijtje ‘trucs’ van voorlichters. Vaak vallen ze onder het kopje ‘frustreren’. Bijvoorbeeld niet terugbellen of pas na de deadline. Of passief publiceren, dus de gevraagde informatie wel openbaren maar heel stilletjes ergens op een website. Ook liegen komt voor. Bloemendaal: ‘Dat ze trucs uithalen willen voorlichters nog wel eens erkennen. Maar liegen mag niet en kan averechts werken. Toch gebeurt het, niet zelden in commissie.’ Ook Joris Luyendijk komt in zijn boek Je hebt het niet van mij, maar… (2010), over de Haagse politiek, met voorbeelden van tegenwerking. Het saboteren van onthullingen bijvoorbeeld. Wanneer een journalist een verhaal voor wederhoor voorlegt, weten voorlichters wat er komen gaat. Soms wordt dan snel een persconferentie belegd of een persbericht gestuurd waarin de angel uit de onthulling wordt gehaald. Of de journalist in kwestie wordt zwartgemaakt bij zijn collega-journalisten om te voorkomen dat het verhaal wordt overgenomen. ‘De strijd is harder geworden’, constateert André Tak, chef onderzoeksredactie van RTL Nieuws.

Zo zijn er voorlichters die aan de noodrem trekken. Ze zetten de journalist rechtstreeks onder druk, spelen in op zijn of haar gemoed, of klagen bij de hoofdredacteur. Ook uitschelden en intimideren komt voor, evenals het dreigen met rechtszaken en het inschakelen van advocaten. Overigens komt het daarbij zelden daadwerkelijk tot een rechtszaak, maar zeker weten doet de journalist dat vooraf nooit.

Een andere vorm is dreigen met een boycot. Soms gaat het om een nieuwsboycot: een instelling wil niet meer met een bepaalde journalist of een bepaald medium spreken. De journalist komt op de ‘zwarte lijst’. Maar dat duurt meestal niet eeuwig, want hoe machtiger het medium, hoe meer voorlichters het podium ook nodig hebben.

Zwaarder nog is dreiging met een advertentieboycot. Journalisten voelen zich, als zoiets speelt, meestal wel gesteund door hun hoofd­redactie, maar dat wil niet zeggen dat zo’n dreigement niet effectief is. Het kan leiden tot zelfcensuur. ‘Er wordt natuurlijk niet aan toegegeven’, stelt Marcel Hooft van Huysduynen van Het Financieele Dagblad, ‘maar je moet niet te veel bedrijven hebben die niet meer adverteren. Als het je vaker overkomt, doet het je interne reputatie bij de hoofdredacteur geen goed. Je gaat je afvragen: krijg ik hier gezeik mee? Wat win ik ermee als ik het uiteindelijk wel doe?’ Dit soort mechanismen kunnen een rem vormen op de wil om dieper te graven.

Om de macht te kunnen controleren is daarnaast toegang tot overheids­informatie noodzakelijk. Maar de Nederlandse overheid lijkt hierover andere opvattingen te hebben dan journalisten. In een provocatieve toespraak vorig jaar tijdens de Dag van de Persvrijheid liet de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Piet Hein Donner weten dat een kijkje in de keuken niet zomaar ging. ‘Wetten zijn als worstjes’, stelde hij. ‘Je kunt maar beter niet zien hoe ze gemaakt zijn.’ En en passant kondigde hij aanpassingen in de Wet Openbaarheid Bestuur (wob) aan om misbruik door journalisten te voorkomen.

Het is begrijpelijk dat veel journalisten zich zorgen maken over de manier waarop de overheid met het openbaar maken van informatie omgaat. Openbaarheid van bestuur wordt gebracht als een gunst die de overheid verleent, niet als het fundamentele democratische principe dat het zou moeten zijn, een principe dat is vastgelegd in de wob en het Europese Verdrag van Tromsø, waarin de openbaarheid van overheids­organen is geregeld.

Met zijn wob was Nederland in 1980 een voorloper en presenteerde zich als gidsland. Opvallend genoeg weigerde de Nederlandse regering in 2009 het Verdrag van Tromsø echter te ondertekenen. Dit kan worden gelezen als teken dat de opvattingen op dat vlak zijn veranderd. Zo kent Nederland inmiddels allerlei wetten, ook op het gebied van journalistieke bronbescherming, die zich maar slecht verhouden tot de uitgangspunten van het verdrag van Tromsø en andere Europese afspraken. En is er een groot contrast met een land als Zweden, waar journalisten automatisch toegang hebben tot alle overheids­documenten en agenda’s van ambtenaren en politici.

‘De huidige wob laat belangrijke flanken open liggen’, zegt hoogleraar mediarecht Wouter Hins. De Raad van State, De Nederlandsche Bank, de Algemene Rekenkamer: ze vallen allemaal buiten de reikwijdte van de wob. Ook de absolute weigergronden die de wob momenteel kent vormen een probleem. Uit uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat de weigering om informatie te verschaffen door het Hof steeds meer als censuur wordt opgevat.

Dat de Nederlandse overheid desondanks geen haast maakt met de herziening van dergelijke wetten, geeft aan dat openbaarheid hier een lage prioriteit heeft. En dat eerder het belang van de overheid voorop staat dan het belang van de burgers en de journalistiek. ‘Alles wordt uit de kast getrokken om de gevraagde stukken niet te hoeven leveren’, signaleert chef onderzoek Tak. Een studie toonde twee jaar geleden al aan dat de werking van de wob een stuk beter kan. Vooral de wachttijd is een probleem, zeker bij onderwerpen die hun nieuwswaarde ontlenen aan de actualiteit. Journalisten moeten gemiddeld drie maanden wachten totdat ze de gevraagde documenten krijgen. Als het wob-verzoek wordt afgewezen – wat bij onderzoeksjournalisten in gemiddeld vijftien procent van de gevallen gebeurt, met name bij politiek gevoelige dossiers – tekent slechts een op de vijf journalisten bezwaar aan. De meeste journalisten haken af omdat het te veel tijd en moeite kost.

Dat is jammer, want in de helft van de gevallen worden de bezwaarschriften gegrond verklaard en verstrekt de overheid de documenten alsnog. Dat betekent dat ambtenaren de aanvankelijke weigering vaak op onjuiste gronden maken, uit onwetendheid of om te traineren.

Als ook hun bezwaarschrift wordt afgewezen, stapt de onderzoeksredactie van RTL Nieuws naar de rechter en krijgt in vrijwel alle zaken gelijk. En daarmee krijgt ze ook de gevraagde documenten, maar wel gemiddeld pas één jaar later. Weinig journalisten spannen daarom een rechtszaak aan. ‘De overheid anticipeert erop dat media afhaken’, stelt Tak.

Dat veel journalisten niet de tijd hebben om in beroep te gaan, hangt samen met ingrijpende veranderingen in het Nederlandse media­landschap in het laatste decennium. Er is een kaalslag gaande onder de Nederlandse kranten, met name in de regio. Titels fuseren, redacties krimpen en na de ene bezuinigingsronde volgt alweer een nieuwe ontslaggolf. Ook bij de publieke omroep is het kommer en kwel: in 2010 werd al tweehonderd miljoen euro aan bezuinigingen aangekondigd, het nieuwe kabinet wil daar nog eens honderd miljoen bovenop doen.

‘Als de bezuinigingen doorgaan, gaat het om een aangekondigde dood van alle inhoudelijke programma’s’, aldus Marc Josten, hoofd­redacteur van Human en verantwoordelijk voor het nieuwe onderzoeksjournalistieke programma Argos TV. Dan wordt de publieke omroep steeds afhankelijker van reclame en daarmee van de kijkcijfers. Josten vreest dat de nadruk komt te liggen op mainstream programma’s, sport en flitsende nieuwsshows, met weinig ruimte voor onderzoeksjournalistiek.

Deze ontwikkeling is al zichtbaar bij de kranten. Als gevolg van de bezuinigingen werken op redacties minder mensen die meer moeten doen in minder tijd. Dat leidt tot een focus op makkelijk uit te voeren en goed scorende onderwerpen.

‘Redacties gaan kiezen tussen de snelle quote en het plaatsen van vraagtekens versus het werkelijk uitzoeken hoe het zit met bijvoorbeeld belangenverstrengeling of corruptie’, constateert Henk van Ess, voorzitter van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten (vvoj). Voor dat laatste type onderwerpen is volgens hem minder aandacht gekomen. ‘Je ziet dat sommige onderwerpen structureel blijven liggen, terwijl ze wel maatschappelijk relevant zijn. Niet omdat journalisten dat niet willen uitzoeken, maar omdat ze daar geen ruimte meer voor krijgen.’

De hoeveelheid onderzoeksverhalen lijkt minder dan tien of vijftien jaar geleden, zowel bij de kranten en tijdschriften als bij de publieke omroep. In de jaren negentig hielden bij Vrij Nederland vijf mensen zich structureel met onderzoeksjournalistiek bezig, nu amper nog iemand. Op Radio 1 was er élke dag een onderzoeks­uur, dat afwisselend werd gevuld door eo, vpro en Vara. Met de verhuizing van het wekelijkse onderzoeksjournalistieke programma Argos van de vpro naar de zaterdag, is het onderzoeksuur gestaakt. ‘Dat is een verschraling’, aldus Argos-eindredacteur Kees van den Bosch, ‘de basis is nu smal.’

Een even verontrustende ontwikkeling is dat de controle in de regio is afgenomen. Waar in een stad als Leiden, die een paar decennia geleden over drie concurrerende lokale kranten beschikte, altijd minstens drie verslaggevers bij de raadsvergaderingen op de perstribune zaten, is nu hooguit een journalist van het Leidsch Dagblad aanwezig. En er zijn genoeg gemeenten waar geen enkele journalist meer rondloopt, laat staan een raadsvergadering bezoekt en zo een vinger aan de pols houdt.

Een bijkomend probleem is dat veel onderwerpen waarover geschreven wordt specifieke kennis vereisen die op de vaak onderbezette redacties niet aanwezig is. Neem de verkoop van energie-aandelen door de provincies de afgelopen jaren, waar miljarden mee gemoeid waren. De vraag of het terecht is dat provincies die aandelen hebben verkocht, is lastig te beantwoorden voor regionale kranten waar een redacteur de energiesector er in een half uurtje bij doet.

‘Regionale krant wordt tandeloze waakhond’, voorspelde Trouw in 2008. Nu de bezuinigingen ook voelbaar worden bij de landelijke kranten en omroepen, is het maar de vraag of dit niet voor alle media in Nederland gaat gelden.

Dan het positieve verhaal: de Nederlandse onderzoeksjournalistiek heeft er nog nooit zo goed voorgestaan als nu. Deels is dat – paradoxaal genoeg – het gevolg van de hierboven geschetste ontwikkeling. ‘Alles in de journalistiek moet steeds goedkoper en sneller en dat leidt tot het rondpompen van inhoudsloze informatie’, aldus Argos-eindredacteur Van den Bosch. ‘Dat vormt een bedreiging voor het vak. Maar tegelijkertijd maakt het onderzoeks­journalistiek nog veel belangrijker dan het al was.’

De reputatie van Argos op dit terrein heeft het werk van de redactie de afgelopen jaren alleen maar eenvoudiger gemaakt, meent hij. ‘Het is eerder makkelijker dan moeilijker geworden om mensen te spreken te krijgen. Veel mensen hebben slechte ervaringen met de media. Maar wij staan goed bekend: we halen geen streken uit, staan voor een bepaalde journalistieke kwaliteit.’

Zich nadrukkelijk opwerpen als waakhond is een manier waarmee media zich kunnen profileren en onderscheiden, juist nu de druk groter wordt. Vandaar dat RTL Nieuws een flink onderzoeksteam heeft. Het Algemeen Dagblad, dat een paar jaar geleden zijn onderzoeks­redactie ophief, heeft nu weer een aparte redactie opgericht voor spitwerk van langere adem. Hetzelfde geldt voor Het Parool. En een regionale krant als het Dagblad van het Noorden creëerde in 2011 een onderzoeksteam dat onlangs, in samenwerking met RTV Noord, een veelgeprezen reconstructie van maar liefst acht pagina’s publiceerde over wat er mis ging bij de rellen in Haren.

Die samenwerking komt ook elders steeds meer voor. Zo was de reeks onthullingen over seksueel misbruik in de katholieke kerk een gezamenlijke productie van NRC Handelsblad en de Wereldomroep, kwam de artikelenreeks in de Volkskrant over de Trafigura-affaire tot stand met hulp van de bbc en Noorse media en werkten RTL Nieuws en NRC Handelsblad samen bij het ontcijferen van de Wikileaks_-cables_ in 2011.

De laatste jaren verschenen daarnaast uitvoerige reconstructies in boekvorm: over de teloorgang van ABN Amro door Jeroen Smit, over de debacles bij mediaconcern pcm door Joost Ramaer, over alles wat misging bij de Amsterdamse Noord-Zuidlijn door Bas Soetenhorst. Het is maar een kleine greep uit het aanbod. Het boek van Smit, De prooi, is inmiddels bewerkt tot een succesvol toneelstuk, net als het boek van twee journalisten van Het Financieele Dagblad over de vastgoedfraude. Dit mag allemaal circumstantial evidence lijken dat nog niet zo veel zegt over de omvang van het aantal journalisten dat serieus werk maakt van het controleren van de macht. Maar het vormt wel een indicatie dat er een markt voor lijkt te zijn.

De animo onder journalisten is er in ieder geval. En hun kennis en vaardigheden nemen toe. Tien jaar geleden ging de Vlaams-Nederlandse vvoj van start met een handjevol mensen, inmiddels telt de vereniging zeshonderd leden. De vvoj organiseert conferenties, reikt prijzen uit, publiceert onderzoeken en verzorgt trainingen. Het effect van de vereniging heeft Van den Bosch aangenaam verrast. ‘Bij de start zeiden we: onderzoeksjournalisten gaan nooit hun verhalen delen. Maar dat is wel gebeurd.’ Het geeft de journalisten het gevoel dat ze er niet alleen voor staan. Ook beroepsorganisaties als de Nederlandse Vereniging van Journalisten (nvj) en krantenbedrijven als de Persgroep verzorgen inmiddels specialistische cursussen. Dankzij dit soort initiatieven en de publicatie van diverse handboeken wordt er veel ervaring uitgewisseld.

Deze professionalisering betaalt zich langzaam uit. ‘Het is juist makkelijker geworden om de macht te controleren’, vindt vvoj-voorzitter Van Ess. In vergelijking met vijftien jaar geleden is er minder ruimte voor onderzoeks­journalistiek, maar onderzoeksjournalisten zijn wel steeds beter in staat om door de opgeworpen barrières heen te breken, meent ook André Tak van RTL Nieuws. Ze werken daarbij veel efficiënter, mede dankzij internet en de toepassing van datajournalistiek. De laatste jaren zijn grote hoeveelheden data online gezet die nog maar amper zijn doorzocht op hun journalistieke waarde.

Ook de recente reeks van publicaties over de relatie tussen voorlichters en journalisten sorteert effect. Weliswaar is er een toename van communicatiemedewerkers en spin­doctors, maar dat betekent niet dat journalisten die tegels willen lichten daar meer last van hebben. ‘Integendeel’, zegt vvoj-directeur Margo Smit, ‘we weten nu beter hoe het werkt. En we weten beter waar we moeten zoeken, om de voorlichters heen.’

Hetzelfde geldt voor de wob. Die is nog verre van ideaal, maar steeds meer journalisten maken er gebruik van om aan informatie te komen, ondersteund door de her en der aangeboden spoedcursussen ‘wobben’. Er ligt ook een wetsvoorstel van GroenLinks om de wob ingrijpend te veranderen, wat sterk in het voordeel van de journalistiek en de openbaarheid zou zijn.

Is het glas nu halfvol of halfleeg? Misschien is het beter om vast te stellen dat het grootste gevaar is dat het glas verder leegloopt, hoe vol of leeg het ook is. En dat de journalisten die graag willen spitten te weinig ruimte krijgen.

‘Je hebt voor dit werk een bepaald type verslaggever nodig’, aldus Smit. ‘Eentje met rust in z’n kop, die zich verzet tegen de druk van de redactie om te publiceren terwijl het onderzoek nog niet af is. Die het niet vervelend vindt om vragen te stellen waar niemand op zit te wachten. En die met een helikopterblik naar incidenten kan kijken en zich afvraagt waar die voor staan.’

Dergelijke journalisten moeten op hun redacties wel de kans krijgen, wat betekent dat hoofdredacties – meer dan tot nu toe – actief werk moeten maken van het stimuleren van onderzoeksjournalistiek en het niet moet laten afhangen van individuele inzet. Het grootste probleem, aldus Smit, is dat aandacht voor het diepgravend onderzoeken van de macht erg op individuen hangt. ‘Dat maakt het broos. Als zo iemand vertrekt bij een redactie, zakt de aandacht voor onderzoeksjournalistiek weer in. Het draagvlak is breekbaar.’

Wat nodig is, is een cultuuromslag, zowel op redacties als bij partijen die zeggen de controlerende rol van media buitengewoon belangrijk te vinden. ‘Je moet betalen voor de vierde macht, anders verdwijnt die’, zegt Human-hoofdredacteur Marc Josten. Hij bepleit een deltaplan voor de onderzoeksjournalistiek, waarbij publiek én privaat geld wordt geïnvesteerd in journalistieke projecten die misstanden in het maatschappelijk verkeer blootleggen, zowel op landelijk als op regionaal niveau. Vergelijkbaar met wat er in de Verenigde Staten gebeurt, waar particuliere fondsen het bestaan van onderzoeksjournalistieke centra als het gerenommeerde ProPublica mogelijk maken.

‘Daarvoor moeten we in Nederland wel de particuliere geld­schieters opvoeden’, aldus Josten. ‘Ze mogen geld beschikbaar stellen voor zoiets belangrijks als onderzoeksjournalistiek, maar moeten snappen dat ze geen enkele invloed op de inhoud mogen uitoefenen.’ Inmiddels wordt in enkele provincies nagedacht over een manier om onderzoeksjournalistiek op regionaal niveau te subsidiëren, dus er zijn bewegingen in die richting.

Daarnaast moeten op redacties keuzes worden gemaakt, stelt Smit. ‘Is het nog nodig om een complete krant te maken? Zit de lezer daar echt op te wachten? Of zijn wij op aarde om de macht te controleren?’ In dat opzicht kan de toenemende populariteit van internet en het veranderende mediagedrag van het publiek gunstige gevolgen hebben; het dwingt redacties van kwaliteitsmedia na te denken over wat hen onderscheidt van de rest, terwijl dankzij internet en de grote hoeveelheden beschikbare data de controlefunctie wordt verbreed.

‘Het monopolie op het controleren van de macht ligt allang niet meer bij de Koningin der Aarde’, zegt Van Ess. Veel meer partijen dan alleen de pers houden zich daarmee bezig, zoals bloggers en special interest-groepen. Journalisten moeten daarom anders leren denken: hun onderzoek eindigt niet met een publicatie, maar gaat pas leven als mensen reageren en met aanvullende informatie komen. Misschien ligt daarin wel de grootste cultuuromslag. Van Ess: ‘Je moet het idee van “de media” als vierde macht loslaten, wil de journalistiek haar functie als vierde macht behouden.’

Mirjam Prenger is onderzoeker en docent journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam. In 2011 publiceerde zij samen met drie collega’s Gevaarlijk spel: De verhouding tussen pr voorlichting en journalistiek