Ger Groot

Tegeltjes

Het filosofische motto van Nederland luidt: «Van het concert des levens heeft niemand het program». Volgens sociologisch onderzoek is het de favoriete spreuk op de vaderlandse wandtegeltjes. Er spreekt een berusting uit die haaks staat op de doenerige openbare moraal van handen uit de mouwen en jongens van Jan de Wit.

Je ziet de Nederlander ’s avonds op de bank ineenzinken, na een dag vol daadkrachtige overtuiging dat nil volentibus arduum: «niets moeilijk is voor wie maar willen», zoals de zestiende-eeuwse rederijkers al meenden. Een dag lang is die Reiki-wijsheid systematisch ontkracht en plots voelt de Nederlander zich niet alleen nietig en onmachtig, maar in zijn gelatenheid ook deksels filosofisch. Het wandtegeltje tegenover hem bevestigt die gelaten diepzinnigheid.

Veel helpt het niet, want bij het ochtendkrieken is hij er allang weer van overtuigd dat iets doen altijd beter is dan niets en zal er weer fiks en programmatisch gewerkt worden aan de carrièreplanning. Spreuken beklijven niet. Net als spreekwoorden bevestigen ze alleen maar wat iemand toch al dacht en schieten als retorische tropen het verbale onvermogen te hulp. Gebruiksklaar formuleren ze de overtuiging die wordt ingegeven door het moment, gerechtvaardigd door een wijsheid van eeuwen die berust op gestage herhaling. Moeiteloos worden ze even later ingeruild voor het tegenovergestelde, dat boogt op een even aloude evidentie.

Met filosofie onderhouden spreuken een ongemakkelijke relatie. Ze heten er de kortst mogelijke samenballing van te zijn, maar dienen in werkelijkheid veeleer om het denken te stoppen. Haastig wordt een conclusie geformuleerd, lang voordat de rede eraan te pas komt. Hun plausibiliteit ontlenen ze, circulair, aan het geval dat ze eigenlijk zouden moeten verklaren. Ze bewijzen zichzelf met de onomstotelijke werkelijkheid die op haar beurt door hen gerechtvaardigd wordt. Als toegepast genre is de spreuk voor geen tegenspraak vatbaar: de droom van iedere retoricus.

Daarom is aforistiek de verloren zoon van de filosofie en zijn de schrijvers ervan — Chamfort, Larochefoucauld, Nietzsche, Cioran — haar ongemakkelijkste beoefenaars. Het aforisme denkt niet, maar geeft te denken, zoals Abelardus aan het begin van de twaalfde eeuw al deed in zijn oefenboek Sic et non. Hij inventariseerde onderling strijdige bijbelcitaten waarop aankomende denkers hun tanden mochten stukbijten. Net als de contradictie is het aforisme de propedeuse van de filosofie; de zin of onzin ervan kan pas in een betoog worden vastgesteld. Als genre bungelt het twijfelachtig tussen literatuur en wijsbegeerte in.

Het kan ook omgekeerd. Menige filosoof dankt zijn onsterfelijkheid aan een orakelspreuk die is losgepeuterd uit zijn oeuvre: «Ik denk, dus ik ben», «God is dood» en: «Waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen». De Vlaamse filosoof Marc Van den Bossche vroeg een aantal vakgenoten naar hun favoriete wijsgerige zinsneden en bundelde onder die titel (Zinsneden, uitg. Damon) hun overpeinzingen naar aanleiding daarvan.

Dat levert een innemend boekje op, waarin Spinoza, Kierkegaard, Nietzsche, Wittgenstein, Horkheimer en anderen vanuit hun kernachtigste uitspraak steevast naar hun hele oeuvre worden uitvergroot. Een zinsnede zegt, bij nader inzien, nu eenmaal niet zo veel, hoe lapidair ze ook geworden is. Zonder de omhaal van het hele werk is de betekenis ervan even oneindig als leeg. Een aforisme denkt nog niet, een zinsnede niet meer.

Menige scribent heeft het met zijn keuze dan ook te kwaad en gaat van arren moede over tot parafrases of een hele reeks citaten, die soms de omvang van een samenvatting dreigen te krijgen. Filosofie leent zich slecht voor beknoptheid. Waar ze zich ertoe laat verleiden, zijn haar formules eerder aanduidingen dan beweringen. Ze betekenen alleen maar iets als verkapte titel van een verhandeling, niet als zichzelf rechtvaardigende vaststellingen. Ze zijn, anders gezegd, retorisch alleen maar misbruikbaar.

Tegeltjesfabrikanten zal dat om het even zijn en ook filosofen hebben zich niet altijd afkerig getoond van hun toepasbaarheid in feestredes of wandspreuken. Schopenhauers bestseller Bespiegelingen over levenswijsheid is er een onuitputtelijke bron voor geweest, al was hij niet de bedenker van «het concert des levens». Nog minder kan hij, als vrouwenhater, aan de wieg hebben gestaan van wat op de Nederlandse wandtegeltoptien ongetwijfeld de tweede plaats inneemt: «Heren doe de bril omhoog. De dames zitten ook graag droog.»