Tegen beige aan

Ik liep in Parijs – Parijs is inderdaad wat bleek en stilletjes – en scheurde mijn broek. Ik moest ergens een nieuwe kopen.

Ik liep een winkel binnen, noemde mijn maat (34, 34) en wachtte af waarmee de verkoper zou komen. Ik ontdekte dat hij Nederlander was. En toen zei hij: ‘Waarom koop je geen mooie broek?’
‘Omdat ik niet weet wat mooi is’, zei ik.
‘Mooi is wat je staat.’
‘Ik weet niet wat me staat.’
‘Je kunt er met een mooie broek mooier uitzien.’
‘Weet jij wat mij staat? Laat maar wat zien.’

Van jongs af aan heb ik altijd een hekel gehad aan esthetiek. Als iemand zijn best deed er zo netjes mogelijk uit te zien, dan wantrouwde ik dat. Wie zijn lichaam bekleedt met de laatste mode wil iets verbergen. Hij is opdringerig, opschepperig, hij probeert door iets moois te kopen te verhullen dat hij zelf niet iets moois kan maken.

‘Kijk, deze broek zou je al mooier staan dan zo’n saaie spijkerbroek.’

Mijn hele leven draag ik al spijkerbroeken. Dat zit altijd wel een beetje goed. Dylan draagt ook altijd een spijkerbroek. En toen ik Sartre veertig jaar geleden door de straten van Parijs zag lopen, droeg hij ook een spijkerbroek. De Nederlandse jongen toonde een witte ‘pantalon’.

‘Ik wil geen wit’, zei ik.
‘Doe hem eens aan.’
‘Ik ben een vettig mens. Ik schaam me veel, dus zweet ik veel, mijn motoriek is slordig. Daarom ben ik altijd een beetje vies. Niet heel erg, maar toch…’
‘Nou, dat valt wel mee hoor… Trek hem nu eens aan!’

In het Franse pashokje schaamde ik me kapot, ik rook en voelde mijn zweet; verval stinkt naar dood! De witte broek zat inderdaad lekker. (Of iets lekker zit is mijn voornaamste criterium voor kleren.) Ik leek verder op een badmeester, of een hindoestaanse cricketspeler in een afgelegen Engelse county.

‘Zie je niet dat het je heel mooi staat’, flirtte de jongen.
‘Ik kan me niet over het wit heen zetten.’
‘Dat kun je wel. Het is overigens niet echt wit. Het is tegen het beige aan. Heel mooi. Je bent wat ouder, maar waarom wil je dat met saaie kleren benadrukken?’

Ik zag pijn en mislukking; spijkerbroek en zwart ­overhemd hoorden daarbij

Op papier probeer ik altijd te suggereren dat ik iets van ego bezit, iets van persoonlijkheid, maar al in de borstvoeding van mijn moeder zaten de minderwaardigheidscomplexen; daar kwam nog een autoritaire vader die alles kon overheen.

‘Dit is een beige overhemd… Moet je eens kijken… Hoe mooi!’ zei de jongen.
‘Ik ben niet van mooi.’
‘Iedereen is van mooi’, antwoordde de jongen. Waarom was ik zo op vertrouwelijke voet met hem?
‘Ik wil degelijk’, zei ik.
‘Ja, Hollandse zuinigheid. Je bent helemaal geen Hollander met je bruine kop. Je bent best nog een mooie, oudere man.’
‘Dat is een leugen.’
‘Dat zeggen oudere mannen altijd als ik ze mooi noem. Laat ik dan zeggen dat je nog aantrekkelijk bent.’
‘Dat is nog erger…’
‘Je hebt een vrouw toch?’
‘Ja…’
‘Die vindt jou vast ook aantrekkelijk…’

Ik zweeg. Ik trok het beige overhemd aan. We keken samen in de spiegel.

‘Lach ’s’, zei de jongen, ‘je kijkt nu expres alsof je moet huilen.’
‘Deze kleren zijn niet in overeenstemming met mijn gemoed.’
‘Dan moet je dit juist dragen! Dat zeg ik niet als verkoper, hoor. Maar als ervaringsdeskundige. Je moet je altijd contra je humeur kleden. Hoe zie ik eruit? Als een vrolijke Frans! Dat ben ik echt niet!’

Ik staarde maar naar mezelf in de spiegel. Ik keek niet naar mijn kleren, maar naar mijn kop. Ik zag pijn en mislukking; spijkerbroek en zwart overhemd hoorden daarbij.

‘Koop dit nou maar, hou het aan, en ik gooi die vieze stinktroep van je weg!’

Ik loop als een bruidje de winkel uit.