Tegen de communis opinio

Vera Hoorens, Ketterse arts voor de heksen. Jan Wier (1515-1588). € 49,95
Guus Kuijer, Draaikonten en haatblaffers. Over de moeizame geboorte van de tolerantiegedachte. € 17,50
Guus Kuijer, Draaikonten en haatblaffers. Over de moeizame geboorte van de tolerantiegedachte. € 13,95 (e-book)

Guus Kuijer beschrijft in zijn pamflet tegen het populisme onder meer de ‘andersdenkende’ Montano. Diens tijdgenoot Jan Wier durfde al even eigenzinnig te zijn.

Vergeleken met de wisselkoersen van begrippen die in het politieke debat worden gebruikt zijn de olieprijzen een toonbeeld van stabiliteit. Zo scoren 'nationale identiteit’ en 'law and order’, na een langdurig verblijf in een diep conjunctureel dal, tegenwoordig heel hoog, terwijl 'tolerantie’ fors heeft moeten inleveren. Was dat laatste begrip vroeger iets om trots op te zijn, tegenwoordig wordt het door velen gezien als een 'hobby voor slappelingen’.

Deze uitdrukking is van Guus Kuijer, die in Draaikonten & haatblaffers schrijft over 'de moeizame geboorte van de tolerantiegedachte’. Terecht wijst hij erop dat de kern van tolerantie bestaat uit het verdragen van mensen, opvattingen, cultuuruitingen en gewoontes die je niet kunt uitstaan of zelfs abject vindt, maar dat dit niet wil zeggen dat je er belangstelling of respect voor moet opbrengen. Het is het christendom, dat sowieso zulke hoge eisen aan de mens stelt dat deze wel te kort moet schieten, dat 'het begrip tolerantie als een kerstkalkoen gevuld [heeft] met het veel te vette begrip “naastenliefde”’. Je hoeft religieuze dwepers, Frans Bauer-fans of populaire voetbalcommentatoren helemaal niet lief te hebben, maar je dient hen wel een plek onder de zon te gunnen. 'Tolerantie betekent dat je mensen moet verdragen tegen wie je bezwaren hebt. Tolerantie kost inspanning.’

Omdat Kuijer de afgelopen jaren het aantal 'haatblaffers’, die bepaalde bevolkingsgroepen wel degelijk hun plek onder de zon willen ontnemen, heeft zien toenemen, heeft hij zich verdiept in een man die leefde in de tijd dat andersdenkenden, buitenbeentjes of vreemdelingen op grote schaal vervolgd, gemarteld en vermoord werden. Benito Arias Montano (1527-1598) was een Spaanse priester en hebraïst die in 1568 door Filips II naar Antwerpen werd gestuurd om toezicht te houden op de productie van de bij Plantijn gedrukte, vijftalige bijbel. Hoewel hij aanvankelijk enthousiast was over de terreur waarmee de hertog van Alva de ketters en opstandelingen trachtte te bestrijden, ontdekte hij al snel dat dit averechts werkte en begon hij te pleiten voor een meer pragmatische, meer tolerante politiek.

Kuijer beschrijft Montano als een 'draaikont’, maar voegt daar onmiddellijk aan toe dat dit niet altijd negatief moet worden geduid. Volgens hem bestaat een tolerante samenleving uit draaikonten: 'Samenleven is onmogelijk wanneer je niet in staat bent van mening te veranderen.’ Iedereen die een relatie heeft gehad kan dat bevestigen, omdat je daarin verschillende opvattingen overboord zal moeten gooien. 'Karaktervastheid heeft tot gevolg dat je de ander plet onder het gewicht van je principes. Alleen de draaikont beseft dat de liefde belangrijker is dan een verzameling opvattingen.’

Kuijer maakt er geen geheim van dat zijn historische exercitie bedoeld is als hartstochtelijk pamflet tegen het huidige populisme en modieuze anti-islamisme. Evenals uit zijn essay Hoe een klein rotgodje God vermoordde (2007) blijkt uit dit boek dat Kuijer veel christenen en andere gelovigen beschouwt als intolerant en obscurantistisch. Uiteraard is dat zijn goed recht, maar in zijn ijver dit aan te tonen slaat hij soms de plank mis. Zo herhaalt hij weer eens de mythe dat Calvijn in Genève honderden ketters heeft laten verbranden, en ziet hij het bloedige conflict in de tweede helft van de zestiende eeuw niet als 'een botsing tussen katholieken en protestanten, maar [als] een botsing tussen wetenschap en geloof’. Het was de wetenschap die streed voor 'het recht van de twijfel en de vergissing’, terwijl de kerken dat recht ontkenden. Op deze wijze projecteert Kuijer de wetenschapsfilosofie van Popper terug naar de zestiende eeuw.

Hoe onhistorisch een dergelijke benadering is, blijkt uit de biografie die de Leuvense hoogleraar sociale psychologie Vera Hoorens schreef van een zestiende-eeuwse arts die zich keerde tegen de veel voorkomende vervolging van heksen. Jan Wier (1515-1588) was een tijdgenoot van Montano en wordt even genoemd in het boek van Kuijer, waarin wordt gesuggereerd dat zijn afkeer van de heksenvervolging een reactie was op de ketterbestrijding van Calvijn.

Hoorens laat in Een ketterse arts voor de heksen duidelijk zien dat Wier inderdaad iemand was die tegen de heersende opinie in durfde te gaan, en dat hij als arts rationele verklaringen zocht voor verschijnselen die veel tijdgenoten toeschreven aan machinaties van de duivel. Veel mensen die beweerden 'behekst’ te zijn braakten allerlei voorwerpen uit, zoals naalden, spijkers, beenderen, kledingstukken. Wier onderzocht een aantal van hen en constateerde dat de uiterst gevoelige slokdarm van deze mensen niet beschadigd was, dat de voorwerpen niet waren aangetast door maagzuur, en dat er geen voedselresten op zaten. Hij deed dit verschijnsel dan ook af als aandachttrekkerij. En als heksenvervolgers beweerden dat 'heksenzalf’ deels bestond uit het vet van vermoorde kinderen toonde Wier aan dat in streken waar veel heksen schenen voor te komen het aantal vermiste kinderen niet hoger was dan in andere streken.

Ook in andere gevallen betoonde hij zich een nuchter, scherp en argwanend observator, die trachtte een logische verklaring te vinden voor op het oog 'bovennatuurlijke’ verschijnselen. Toen hij op verzoek onderzoek deed naar het 'vastenwonder’ Barbara Kremers - een gezond ogend, tienjarig meisje dat volgens haar ouders al meer dan een jaar niet gegeten en gedronken had en dat als een winstgevende bezienswaardigheid rondreisde - viel het hem op dat het toch wel merkwaardig was dat de kleding van iemand die niet aan spijsvertering deed toch naar urine stonk. Hij nam haar enige tijd in huis en kon aantonen dat zij, geholpen door haar zuster, stiekem toch voedsel en drank tot zich nam.

Ook het verhaal dat heksen seks hadden met duivels leek hem volkomen onzinnig, aangezien duivels in het lichaam van mensen schenen te kruipen en dus zelf onstoffelijk waren. Een geest kan natuurlijk geen seks hebben en bovendien was het ook wel heel merkwaardig dat zij nooit hun oog lieten vallen op mooie, jonge vrouwen maar altijd op afgeleefde oude besjes.

Volgens Wier leden vrouwen die bekenden heks te zijn aan wanen en waren zij geestesziek, terwijl soms de hallucinogene werking van allerlei kruiden of knollen een rol speelde. Bovendien realiseerde hij zich dat onder de gruwelijke folteringen die toen normaal waren vrijwel iedereen geneigd is alles te bekennen wat men wil horen, zodat dergelijke bekentenissen waardeloos zijn. Ook gaf hij een rationele verklaring voor het feit dat sommige slachtoffers van de heksenjagers tijdens de beruchte 'waterproef’ bleven drijven.

Op grond van zijn in 1563 voor het eerst verschenen boek Over duivelse begoochelingen en andere geschriften is Wier vaak gezien als een van de grondleggers van de psychiatrie en is er wel beweerd dat hij een beslissende invloed heeft uitgeoefend op het denken van Freud. Hij past dus helemaal in het beeld van de verlichte wetenschapper, die met empirie de hersenspinsels van zijn tijdgenoten te lijf ging. Wier lijkt dus inderdaad een eenzame popperiaan die verdwaald was in de zestiende eeuw, een dapper strijder in de door Kuijer geschetste strijd tussen wetenschap en geloof die toen zulke bloederige vormen aannam.

Uit de uitvoerige biografie van Hoorens, die bijzonder veel aandacht schenkt aan de historische context, blijkt dat dit onzin is. Wier mocht dan van mening zijn dat heksen niet waren bezeten door de duivel, maar hij geloofde wel degelijk in het bestaan van Satan. Toen hij zich verdiepte in de zogenaamde 'rattenvanger van Hamelen’, die in de dertiende eeuw een groep kinderen uit die plaats had weggevoerd, kwam hij tot de conclusie dat dit een duivel geweest moest zijn. Evenals Calvijn dacht Wier dat de duivel relatief machteloos was, en dat hij dus niet zelf kon beslissen of hij bezit nam van mensen. De duivel was hooguit een werktuig van God, die hem gebruikte om mensen op de proef te stellen of te straffen voor hun zonden of ongeloof. En hoewel veel 'heksen’ in de ogen van Wier geestesziek waren, kwam het ook veelvuldig voor dat het ging om ordinaire oplichters of gifmengers, die volkomen terecht ter dood werden veroordeeld.

De wetenschapper Wier stond niet lijnrecht tegenover de religieuze fanaticus Calvijn, maar bekeerde zich op zeker moment tot het calvinisme. Hoorens toont aan dat Wier met zijn grote boek tegen het geloof in heksen een heel ander motief had dan puur de strijd tegen de heksenvervolgingen. Aanvankelijk was het opgezet als een boek tegen de kwakzalverij, iets waar veel katholieke priesters zich schuldig aan maakten, maar al schrijvende besloot Wier zijn aandacht te verleggen. Over de duivelse begoochelingen was namelijk primair een boek tegen de katholieke kerk, waarbij hij de heksenwaan gebruikte als stok om deze verderfelijke hond te slaan. Ook wordt duidelijk dat Wier verder allesbehalve een voorbeeldige wetenschapper was. Citaten waren er voor hem om uit hun context te lichten, en bronnen om te verzwijgen. Tegenstanders bespotte en belasterde hij en een niet gering deel van zijn werk bestond uit plagiaat, zoals zijn boeken ook weer volop geplagieerd werden.

Als uit de bijzonder rijke, goed geschreven en voorbeeldig gedocumenteerde biografie van Hoorens iets duidelijk wordt, is het dat Wier een bijdrage aan de wetenschap en aan de westerse cultuur heeft geleverd, maar dat je hem en zijn tijdgenoten niet moet opzadelen met allerlei anachronistische begrippen en ideeën. De zestiende eeuw is, om de openingszin van L.P. Hartley’s The Go-Between te citeren, een 'foreign country: they do things differently there’. Vermoedelijk is de historische Benito Arias Montana dan ook een heel ander figuur geweest dan de man die Kuijer in zijn sympathieke pamflet tegen het populisme heeft geschetst.