Tegen de gelijkschakeling

Alsof het Nederlands Uitgeversverbond en niet hoofdredacteur Xandra Schutte en haar redactie voortaan beslist wat de inhoud van De Groene Amsterdammer zal zijn. Wat een onbestaanbaar idee is in de Nederlandse pers dreigt wel in het omroepbestel te gebeuren.

Medium commentaar

Bij monde van de liberale staatssecretaris Sander Dekker (ocw) stelt het kabinet voor de npo de regie over de Nederlandse omroep te geven en de omroepverenigingen zelf die zeggenschap te ontnemen. De npo, een select gezelschap van managers, maakt dan uit wat ‘kwalitatief goede programma’s voor een breed publiek zijn’, zoals Dekker het formuleert. Dat stelt allesbehalve gerust. De dreigende verbanning van het vpro-programma Tegenlicht naar de randen van de nacht laat zien dat het beleid van managers geen vanzelfsprekende verbetering van de kwaliteit impliceert. Die ingreep is een exemplarisch voorbeeld van de tendens om documentaires en andere programma’s voor een kleiner publiek naar de marges van de zendtijd te drukken. De net­managers hebben daarover het laatste woord, niet de omroepen zelf.

Het kabinet wil de dominantie van deze functionarissen verder vergroten. Dat doet vrezen dat het officieel beleden doel van ‘een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod’ eerder humbug is om de ingreep politiek te verkopen dan een doordacht streven. Dat vermoeden wordt versterkt door de opheffing van het Mediafonds, financier van prijswinnende documentaire- en dramaproducties, en de bezuiniging van driehonderd miljoen op het budget, maatregelen waarmee het verlangen naar kwaliteit zich niet laat rijmen.

Het Nederlandse mediabeleid berust al langer op een hardnekkige vergissing. Dat is het misverstand dat nu het zuilenstelsel ineen is gestort individuen ook geen behoefte meer hebben om zich met gelijkgestemden te verenigen en de eigen levensbeschouwelijke opvatting in het publieke domein tot uitdrukking te brengen. Het tegendeel is eerder het geval. In de veelvormige en veelkleurige samenleving van nu is die behoefte waarschijnlijk groter dan ooit, al zal de onderlinge band tegenwoordig eerder schuilen in een intuïtieve verwantschap op basis van levensstijl dan in een gedeelde religieuze of ideologische overtuiging. Vanouds geven kranten, weekbladen en omroepen kleur aan die pluriforme publieke sfeer. Voorwaarde is dat de redacties en omroepverenigingen in een zekere autonomie kunnen opereren, zonder directe bemoeienis van uitgevers of een centrale omroepdirectie.

Bij de publieke omroep is deze autonomie juist gaandeweg afgebroken. De omroepen verloren eerst hun eigen avond, later hun eigen net, om plaats te maken voor een gecentraliseerd systeem waarin de uniformerende wil van de netmanagers wet is. Hun eigen profiel werd allengs onduidelijker, met als gevolg dat zij veeleer met bijzaken als gidsen en cadeautjes voor nieuwe tientjesleden om nieuwe aanwas concurreerden dan met hun programma’s. Een afspiegeling van de maatschappelijke diversiteit is het bestel nu niet meer, eerder een gestold geheel van omroepen die de herinnering oproepen aan een niet meer bestaande samenleving.

Het alternatief voor deze doodlopende weg is een bestel dat recht doet aan de moderne pluriformiteit. Zo'n bestel moet soepel en met creativiteit kunnen reageren op de veranderende maatschappelijke verhoudingen en is daarom allesbehalve gebaat bij een centralistisch bestuur dat de ene omroep inwisselbaar maakt met de andere. Dat betekent dat de omroepverenigingen eerder meer dan minder over zichzelf te zeggen moeten krijgen. Het kabinetsbeleid gaat juist de andere kant uit, richting uniformering en gelijkschakeling.