De memoires van Willem Drees jr.

«Tegen de genotzuchtige aspecten»

Onlangs verschenen de postume memoires van dr. Willem Drees jr., ooit leider van DS'70. Ook daarin blijft onduidelijk waarom die partij van een merkwaardig soort socialisten na aanvankelijk succes zo raad sel achtig snel weer ten onder ging.

Toen in de loop van 1968 duidelijk werd dat de Partij van de Arbeid steeds vaster in de greep begon te raken van Nieuw Links, de pressiegroep die de republiek ambieerde en de Duitse Democratische Republiek wenste te erkennen, besloten drie leden van de afdeling Hendrik-Ido-Ambacht dat het tijd werd in te grijpen.

Zij vroegen belet bij hun partijgenoot dr. W. Drees sr. en maakten hem deelgenoot van hun ongerustheid. De ex-premier toonde begrip voor hun emoties. Ook Drees was, zei hij, pessimistisch over de gang van zaken binnen de partij. Het was dus zaak om zoveel mogelijk tegenkrachten tegen Nieuw Links te mobiliseren. Maar wie? De bezoekers kenden slechts een handvol medeverontrusten binnen Hendrik-Ido-Ambacht plus een enkele kennis uit de Protestants-Christelijke Werkgemeenschap. Het spectrum van de ervaren Drees was wat ruimer. Hij hielp de afdeling Hendrik-Ido-Ambacht bereidwillig aan wat namen en adressen van mogelijke geestverwanten.

Zo stond Drees sr. zonder zich dit te realiseren aan de wieg van de groep Democratisch Appèl, de wegbereider van Democratisch Socialisten ‘70, de politieke partij die twee jaar later — onder aanvoering van zijn zoon dr. W. Drees jr. — een aanzienlijke electorale bedreiging zou gaan vormen voor zijn eigen Partij van de Arbeid.

De voorlopige woordvoerder van de drie verontrusten was P. Kors, employé bij de afdeling Interne Controle van de Algemene Bank Nederland, die inmiddels heel wat positieve reacties had ontvangen. Hij noemde een paar prominente namen: de econoom Arnold Heertje, het kamerlid Frans Goedhart, de uitgever Johan Polak, de Vara-commentator Meijer Sluyser, de uitgever Geert van Oorschot en niet in de laatste plaats ’s rijks oorlogshistoricus Loe de Jong. Van hem kreeg Kors een briefje waarop geschreven stond: «M'n hartelijke instemming. Sterkte!»

Kors’ hoofdbezwaar tegen Nieuw Links, zei hij desgevraagd, was dat deze groepering geneigd was «een dictatuur te vergoelijken». Zo had het Amsterdamse raadslid W. Polak Edz. gezegd dat het zijns inziens mogelijk was positief over Fidel Castro te denken en tóch aan de goede kant te staan. «En dan, wat sommige Nieuw Linksers schrijven over Oost-Duitsland…»

Even stokte zijn stem, op zoek naar het meest aansprekende voorbeeld.

«U doelt waarschijnlijk op het artikel van Han Lammers Geschrokken terug uit de DDR», zei de interviewer hulpvaardig.

Nee, Kors kende dit artikel helaas niet.

«Maar schrijft u dat ook maar op», zei hij.

Tegenover de niet zelden onbekookte stand punten van de PvdA-radicalen stonden de vaak onbekookte standpunten van behoudende critici, waarvan het kamerlid Goedhart zich tot de voornaamste woordvoerder ontwikkelde. De groep rond Lammers bestond zijns inziens uit «protesterende, tomaten gooiende, in condooms en verdovende middelen scharrelende jongelui, die te pas en te onpas om democratisering roepen».

Het bestuur van Democratisch Appèl belegde een openbare protestvergadering in de grote zaal van De Brakke Grond te Am ster dam. Goedhart voerde andermaal het hoogste woord. «Nieuw Links», riep hij, «bestaat uit dolle radicalen die denken dat men een grote volkspartij kan veranderen in een ludiek, creatief en warrig studentencircus!»

Het was al met al een bijeenkomst met een hoog cabaretesk karakter, waarop de zorgvuldige luisteraar niettemin iets meer te weten kwam over de drijfveren van de verontrusten. Zo was er een bejaarde man van zeker 45 («De mensen van Nieuw Links zullen wel zeggen: Daar heb je weer zo'n oudje») die zijn authentieke vrees uitsprak voor de ongewisse toekomst van een trots instituut als de sociaal-democratie. «De mensen van de SDAP en de PvdA hebben hun beste jaren gegeven om de partij groot te maken. Dan is het een beroerde dag als je later tot de ontdekking komt dat een aantal mensen (niet allemaal) probeert om die partij om zeep te helpen.» Veel gegrinnik op de galerijen waar de Nieuw Linksers zaten die op weg naar het bestuurlijke pluche, los van het politieke gelijk of ongelijk, vrij genadeloos met hun wat behoudender partijgenoten plachten om te springen. De PvdA-voorman Anne Vondeling, de prominentste afgevaardigde van het partij kader, deed een halfslachtige poging de gemoederen te sussen. Toegegeven, Cuba, de communistische voorpost in het Caraïbische gebied, was en bleef een dictatuur, zij het zonder «de ijzige wind die door Moskou waait».

Bij de uitgang werd met twee gleufhoeden gecollecteerd om de kosten van de middag te bestrijden. Laurens ten Cate, de hoofdredacteur van de Friese Koerier (die bestond toen nog) gaf één cent (die bestond toen nog). Han Lammers, redacteur van De Groene Amster dammer, gaf niks, want hij voelde er niets voor aan zijn eigen brandstapel te bouwen.

Op een vergadering in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen werd de pers buiten de deur gehouden. De voornaamste spreker was echter andermaal Frans Goedhart, tegen wiens stemvolume deuren noch muren bestand waren, zodat de verslaggevers weinig wetenswaardigs werd onthouden. Nieuw Links, constateerde Goedhart krachtig, was inmiddels geïnfiltreerd in de Vara, Het Vrije Volk, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer, waarin zij ongestraft hun «hele en halve communistische standpunten» konden ventileren. Bestond Democratisch Appèl «uitsluitend uit ouwe zakken»? Welnee! Identificeerde Democratisch Appèl zich met het establishment? Die vlieger ging niet op, zei Goedhart, want hijzelf heeft zich toentertijd lijnrecht opgesteld tegenover het toenmalige PvdA-standpunt inzake Indonesië.

«En Drees dan?» waagde een interrumpeerder.

Waarop Goedhart («Jij, jij lag toen nog in de wieg!») in zo'n blinde woede ontstak dat het grootste deel van zijn antwoord verdronk in onbestemde gorgelgeluiden.

De ideologische tegenstellingen binnen de Partij van de Arbeid verscherpten zich, met alle personele consequenties van dien. Na een lokaal conflict in de afdeling Eindhoven scheidden vijf socialistische raadsleden zich af. Frans Goedhart keerde zich in de Tweede Kamer tegen het PvdA-standpunt inzake de Amerikaanse inval in Cambodja en liet weten samen met twee fractieleden in het vervolg als de groepering Democratisch Socialisten '70 te zullen optreden.

Flauw glimlachend, op weg naar zijn nieuwe fractiekamer om commentaar gevraagd, zei hij: «Partir, c'est mourir un peu. En dat is bij mij net gebeurd.»

Een paar dagen later meldde het Bulletin van Democratisch Appèl dat de stroming besloten had zichzelf op te heffen. «De meeste leden van Democratisch Appèl achten de heerschappij van Nieuw Links in de PvdA niet meer te keren. Het penetratieproces is reeds te ver voortgeschreden. Zij zien dan ook geen mogelijkheden meer om in het kader van dit steeds meer aan politiek bederf onderhevige partijapparaat vruchtbaar werkzaam te zijn. Zij achten de PvdA als instrument voor het bereiken van democratisch-socialistische doelstellingen verloren. Zij zullen daarom op korte termijn als lid van de PvdA bedanken en zich aanmelden als lid van ds'70.»

De meeste Democratisch Appèlanten waagden inderdaad de overstap, niet zelden met bloedend hart. Een enkeling bleef, alle kritiek ten spijt. «Als jullie zo mesjogge doen dat er nog maar één lid overblijft», zei uitgever Johan Polak tegen Han Lammers, «zal ik het tweede lid zijn om hem te bestrijden.»

DS'70 was niet alleen de jongste, maar eveneens de meest heterogene partij van Nederland. Men vond in haar gelederen de door de ervaringen in de crisisjaren beangst geworden arbeiders, zij lokte de pragmatici met een lichte voorkeur voor het snelle besluit boven de trage democratie, en er zaten wat geëmancipeerde katholieken bij die best iets voor een socialistische partij voelden, mits deze zich niet al te socialistisch zou gedragen. Daarnaast trok ds'70 nogal wat verbitterde ex-communisten en herbergde de partij menig politiek dwaallicht en diverse losgeslagen ideologische zwerfkeien. Een belangrijke, zo niet de belangrijkste stroming werd gevormd door de vele ex-verzetslieden, de joodse arbeiders en de joodse intellectuelen, getekend door de oorlogservaringen, overloyaal tegenover onze Amerikaanse bevrijders, compromisloos tegenover elke flirt met de zogeheten volksdemocratieën en geneigd om elke criticus van de staat Israël, inclusief de gematigde critici in de rijen van Nieuw Links, bij de neo-nazi’s en antisemieten in te delen.

De econoom Arnold Heertje was hier een voorbeeld van. Net als de Vara-commentator Meijer Sluyser. Sluyser had, zei hij, geen zin om met de stank van de gasovens in zijn neusgaten «genuanceerd» te oordelen over het bestaansrecht van de joodse staat. Omdat ook de Vara radicaliseerde had hij trouwens zijn langste tijd als commentator gehad. Want hij «irriteerde de jongeren en intellectuelen».

«Je mag ook niets meer tegenwoordig», zei Sluyser sarcastisch. «Je mag niet eens meer jongeren en intellectuelen irriteren.»

Hij vond publicitair onderdak bij Accent, een met veel geheimzinnigheid omgeven weekblad dat stiekem door de firma Philips werd gefinancierd en zich al spoedig tot de spreekbuis van ds'70 ontwikkelde. Goedhart schreef er buitenlands-politieke beschouwingen in. Heertje beheerde intussen een tv-ru briek waarin hij niet moe werd te betogen dat een zichzelf respecterende jood onmogelijk langer lid van de PvdA kon zijn. Maar de interessantste bijdragen werden geleverd door de partijloze ds'70-ideoloog Jacques de Kadt, waar je althans af en toe om kon lachen. Het huisorgaan van Nieuw Links, de Volks krant, liet De Kadt weten, kon hij niet anders dan kokhalzend raadplegen. Niettemin maakte hij elke morgen weer de martelende gang naar de brievenbus. «De raad van een Chi nese wijsgeer opvolgend, die verkondigde dat het leven zo vol afschuwelijkheden is dat men zijn ochtend moet beginnen met het eten van een levende pad, begin ik de dag altijd met het lezen van dit blad, dat me op de hoogte houdt van wat er in de wereld van Nieuw Links belangrijk wordt gevonden.»

Een enkele keer bevatte Accent een bijdrage van Drees sr., meestal van historische aard. Het versterkte de speculaties. Wanneer zou de oud-premier, een onmiskenbare geestverwant, de overstap van de Partij van de Arbeid naar de Democratisch Socialisten '70 maken?

Het was echter niet dr. Willem Drees sr., maar dr. Willem Drees jr., die, tot veler verrassing, het morele en politieke uithangbord van de partij zou worden.

Zo stond de familie Drees plotseling in het middelpunt van het politieke spectrum. Willem Drees jr. werd lijsttrekker, zijn broer Jan Drees, de oudste, inwonende zoon van Drees sr., werd partijsecretaris, terwijl hun vader op de achtergrond rommelde als een vulkaan die elk ogenblik tot uitbarsting kon komen.

De parlementaire pers, die tot dusver nogal laatdunkend over de socialistische afsplitsing had gedaan, was plotseling uitgegniffeld, vooral nadat Drees jr. zich op een persconferentie in het Haagse Nieuwspoort had gepresenteerd. Rap, zeer rap pratend dartelde de aankomende politicus zich door de landspolitiek heen, hier een docerend grapje makend, daar een bijzondere opmerking plaatsend, innemend, zonder de rancune en agressiviteit van zovele zijner geestverwanten.

Wat was de plaats van ds'70 in het politieke landschap?

«De plaats die de Partij van de Arbeid in de jaren vijftig bekleedde, de plaats van een constructieve partij op de linkervleugel», antwoordde Drees jr.

Op hoeveel zetels zou ds'70 naar zijn schatting bij de aanstaande parlementsverkiezingen kunnen rekenen?

«Ik schat vijf à tien», zei Drees jr.

Hij was van de ene dag op de andere de lieveling van het Haagse journaille. Niet in de laatste plaats van De Telegraaf, een krant die zelden op socialistische sentimenten te betrappen valt. Drees’ leiderschap van ds'70 moest ongetwijfeld als «zonder meer een der meest spectaculaire gebeurtenissen van de laatste tijd» worden beschouwd. «De zoon Willem heeft veel weg van zijn illustere vader. Kennissen noemen hem beminnelijk, bescheiden, soms bijna verlegen, uiterst integer, zeer bekwaam en ook, in zijn werk, spijkerhard en uiterst stipt.»

Aldus De Telegraaf. Niettemin was het allemaal waar. Drees jr. was in vele opzichten een replica van Drees sr., een tegenstander van uiterlijk vertoon en elke vorm van geld-over-de-balk-smijterij. Drees sr. voerde in zijn glorietijd een politiek waarvan een partij genoot zei: «Hij ergert zich aan elke vorm van spilzieke overdaad en als zodanig is hij de onwankelbare bondgenoot van de minister van Financiën.» Drees jr. maakte de spilzieke overdaad tot onderwerp van zijn voornaamste wetenschappelijke theorie en werd in 1969, als thesaurier-generaal, de persoonlijke waakhond van de minister van Financiën over de schatkist van het land.

Donkere wolken pakten zich samen boven het partijbureau van de PvdA, waar ogenschijnlijk luchtig werd gedaan over het optreden van de man die «niet geschikt voor de politiek» zou zijn, zoals partijvoorzitter Vondeling de jonge Drees in een persoonlijke brief liet weten. Binnenskamers ervoer men in werkelijkheid de politieke concurrentie als een ernstige bedreiging. En hoe kwam het toch dat elke oprisping van het geprangde PvdA-bestuur ’s anderendaags tot in details in de krant stond? Dat was, zei Vondeling mij in die dagen, bijna schreiend, de schuld van Jan («Jonge Jan») Drees. «Kijk, het zit zo», sprak Vondeling. «De oude Drees is nog steeds erelid van het partijbestuur. Dus zijn wij qualitate qua verplicht hem alle notulen te sturen. Maar omdat die man zo slecht van gezicht is, worden die notulen hem regel voor regel door jonge Jan voorgelezen. En die brengt de boel vervolgens rechtstreeks naar De Telegraaf!»

Ondertussen vertelde Willem Drees jr., bedachtzaam en geduldig, aan elke interviewer wat hem bezielde. De particuliere bijdragen aan het hoger onderwijs moesten omhoog. Het is immers onzin om de arbeiders de collegegelden te laten betalen van de zoontjes der fabrieksdirecteuren, zoontjes die trouwens later kapitale salarissen gingen verdienen, zodat zij best een substantieel bedrag konden restitueren. Net als zijn vader een typische niet-agrariër, verzette hij zich tegen de pressie van het Groene Front dat de overheid, met name de geestverwante confessionelen, elke regeringsperiode weer placht te chanteren. Ten aanzien van de abortus provocatus bepleitte hij een «verantwoorde liberalisering». Een instituut als de Filmkeuring zou hij niet zonder meer willen afschaffen, niet uit «zedenmeesterij», maar vanwege het oprukkend sadisme op het witte doek. «En als volwassene wil je toch graag, net als bij waren, een zeker keuringsetiket. Een muis in het brood is misschien niet direct schadelijk, maar een heleboel huisvrouwen vinden het toch wel een rustgevende gedachte dat dit brood voor hen is gekeurd.» Verder bleek hij vóór het milieu en tégen het oprukkend, milieubedreigend autoverkeer.

Al met al tamelijk rustige standpunten die menig partijgenoot reeds toen als te gematigd ervoer. Partijgenoot Goedhart bijvoorbeeld, die in het weekblad Accent een hevige aanval op de diplomatieke resultaten («Een vodje papier») van Willy Brandts Nieuwe Ostpolitik deed, terwijl Drees een dag eerder een politiek van ontspanning en contacten met het communisme had bepleit.

Dat kon dus niet goed gaan.

Maar voorlopig was Willem Drees jr. onkwetsbaar, vooral na de verkiezingen van april 1971, waarin zijn partij met niet minder dan acht kamerzetels de volksvertegenwoordiging binnenrukte. Het was een complete triomf, voor zowel Drees als zijn ds'70, deze «victoriaanse partij waarin niet wordt gepraat over drugs en seks en waarin discipline, tucht en toewijding de boventoon vieren» (Drees), een partij die zich richt «op de groep van solide Nederlanders» (Drees), een partij die zich richt tegen de «genotzuchtige aspecten» (Drees), die zich via Sartre en Marcuse die met name de Partij van de Arbeid waren ingedrongen en bovenal de partij van Willem Drees jr., die even later op het ministerie van Verkeer en Waterstaat met zo'n «enorme wellust» begon te regeren dat hij zich binnen een half jaar, dank zij zijn standpunten over het openbaar vervoer en selectief autoverkeer, tot de absolute favoriet aller actiegroepen ontwikkelde.

Drees’ partijgenoot Maurits de Brauw bestuurde ondertussen geluidloos het ministerie van Wetenschapsbeleid, terwijl de leden van de ds'70-fractie zich in ’s lands vergaderzaal gedroegen als de braafste kamerleden sinds de uitvinding van de parlementaire democratie. «Is de minister iets bekend over de financiering van de gemeentelijke sporthal in Boxtel?» «Kan de minister nadere inlichtingen geven over de hoge vervoerskosten van de ‹kleuterouders› van Oostbierum, Bozum, Wieuwerd en Britswerd?» «Is het de minister bekend wat zich de afgelopen zomer in het Vondelpark heeft afgespeeld aan gejoel, gezang, handgeklap, nachtelijk getrommel, muziek, het luidruchtig dichtklappen van latrinedeuren, vervuiling van het park, gebruik van woningportieken als latrine en kleine diefstallen?»

Wat de ultieme triomf leek te zijn bleek binnen een jaar de voorbode tot de ondergang. Eigenlijk is het nog steeds een raadsel waarom Drees en de zijnen al na een jaar het kabinet-Biesheuvel werden uitgezet. Zelf is Drees daarover in zijn pasverschenen, postume memoires tamelijk vaag. Hij spreekt over «door ons onuitvoerbaar geachte voorstellen», aangeblazen door premier Bies heu vel en minister van Sociale Zaken Jaap Boers ma. In een eerder gepubliceerd boek is hij wat openhartiger. Daarin wordt melding gemaakt van het feit dat Biesheuvel en Boersma, als antirevolutionairen onder elkaar, het na afloop van de ministerraad tot diep in de nacht op een zuipen zetten, waarbij het plan moet zijn geboren om dat lastige, principiële en bovenal buitengewoon breedsprakige ds'70-tweetal zo snel mogelijk te lozen. De beide ministers («Boersma stelde niets voor» — De enige fout van Drees was «zijn beslissing om politicus te worden») konden elkaar niet luchten of zien, al was het alleen maar omdat Boersma een principiële jeneverdrinker was, terwijl Drees «een sapje» prefereerde. En bovendien, klaagt de antirevolutionair in zijn gedenkschriften, was de ds'70-leider verslaafd aan zijn eigen spraakwater. «Drees begon in de vergaderingen van de ministerraad altijd bij Adam en Eva en kwam steevast bij onze pensioenen uit. Een hoogst enkele keer wilde hij de Middeleeuwen nog eens overslaan; dan boften we.»

Men kan zich hierbij, met alle respect voor ds'70-leider Drees, bepaald iets voorstellen.

De partij kwam in de oppositie terecht, met Drees in de functie van fractieleider. Tot ongenoegen van de voormalige fractieleider Jan Berger. En tot woede van Frans Goedhart die bij de constituerende fractievergadering werd geweerd omdat men vreesde dat hij «de bijeenkomst te veel zou domineren». En tot ontstemming van het hoofdbestuurslid Arnold Heertje, wiens activiteiten als «economisch adviseur» niet langer op prijs werden gesteld omdat Drees jr. het tóch beter wist.

De naam Heertje komt in het namenregister van Drees’ gedenkschriften niet voor, wat vreemd moge heten, gezien het feit dat de econoom uit Naarden veel aan de desintegratie van de partij heeft bijgedragen. Drees noemt hem consequent «een lid van het hoofdbestuur», dat hem placht te verwijten «geen zionist» te zijn en zowel in het weekblad Accent als op partijcongressen zijn aftreden eiste.

Eén keer, in een vraaggesprek met Elsevier, verloor de over het algemeen ingetogen Drees zijn zelfbeheersing. «Hij heeft de laatste maanden een wat ik noem stadsguerrilla tegen mij en de partijlijn gevoerd. Heertje wil een ruk naar rechts maken en triest genoeg heeft hij een aantal mensen — onder wie een groot deel van de fractie — enthousiast gemaakt voor zijn opportunistische ideeën. Maar ik wil niets van de vertrossing van ds'70 weten.»

Het einde was nabij. De ds'70-fractie spatte twistend uit elkaar, net als het ds'70-hoofd bestuur. Drees trad af als fractieleider en verruilde de Kamer voor de Algemene Reken kamer. Heertje bedankte voor het ds'70-lidmaatschap en keerde een jaar later terug naar de Partij van de Arbeid, dezelfde partij die hij in onbewimpelde bewoordingen van antisemitisme had beschuldigd. ds'70-zelf tuimelde van acht naar zes naar één naar nul zetels, zodat het iedereen verstandiger leek de partij te liquideren.

De opheffingsvergadering raakte even in verwarring toen de rechts-radicaal J.H. Jan maat, ooit ds'70 lid totdat hij werd geroyeerd, zich in de zaal bleek te bevinden en ondanks herhaalde sommaties weigerde op te donderen.

Drees jr. voerde voor de laatste keer het woord. Hij constateerde dat «de wetgever arbeidsongeschikt» was, in elk geval ongeschikt om de problemen rond de sociale zekerheid op te lossen. Het was een stokpaardje dat hij tot zijn overlijden (in 1998) zou blijven berijden.

Het slotwoord was voor de partijvoorzitter. Even gloorde nog zoiets als een soort van socialistisch sentiment, via de versregels van Henriëtte Roland Holst: «Niet voor ons zelven vlogen wij overeind tot strijd, maar om makkers te helpen voor de solidariteit.»

Ja, het bleven een soort socialisten, zij het van een merkwaardig soort.

Ik trof de jonge Drees, na hem lang niet te hebben gezien, ergens in 1994 boven een broodje kaas in de restauratie van het Amstel Station. Stoorde ik hem? Welnee! Wilde ik óók een kopje thee? Wat vond Drees van de pas aangetreden paarse coalitie? «Ik weet het niet…», aarzelde de oud-politicus. «Het is natuurlijk alleszins bevredigend dat de confessionelen nu eindelijk… Maar toch, de PvdA in één kabinet met de VVD? Dat blijft de partij die eerst Gods water over Gods akker laat lopen, teneinde die akker vervolgens zo duur mogelijk te verkopen.»

Hij oogde als altijd wat stijfjes, verlegen, formeel — en kon niettemin van tijd tot tijd verrassend geestig uit de hoek komen.