Tegen ‘de hypocrisieen van den modernen tijd’

J. C. Bloem, Het onzegbare geheim: Verzamelde essays en kritieken 1911-1963. Bezorgd door H. T. M. van Vliet, Atheneum-Polak & Van Gennep, 1288 blz., f75,-.
IN DE NEDERLANDSE literatuurgeschiedenis leeft J. C. Bloem vooral voort als de man die ‘domweg gelukkig in de Dapperstraat’ was, en als het onderwerp van talrijke anekdoten. Veel van die verhalen gaan over Bloems bijkans spreekwoordelijke luiheid en zijn legendarische drankgebruik. In een brief aan zijn beroemde oom en tante schreef A. Roland Holst eens dat Bloem bij hem logeerde en dat hij vreesde dat het met zijn rust gedaan was, omdat zijn gast steeds vroeger opstond. Op het laatst was Bloem al voor een uur ‘s middags beneden. En wat ’s mans behoefte aan alcoholische versnaperingen betreft: als de berichten daarover maar enigszins kloppen, mag worden geconcludeerd dat zonder Bloem de vaderlandse distilleerderijen de moeilijke crisisjaren nooit hadden overleefd.

Veel meer dan een kleurrijke en vermakelijke voetnoot lijkt Bloem niet te zijn. Ook oogt zijn oeuvre weinig imposant: een dun deeltje verzamelde gedichten en een geheel vergeten essaybundel uit 1950. Goed, hij was de man die de term ‘vorm of vent’ muntte en hij hield er nogal dubieuze politieke opvattingen op na, maar het zou overdreven zijn om te stellen dat Bloem in het middelpunt van de literaire belangstelling stond. Een bescheiden Bloem-revival aan het eind van de jaren zeventig, begin jaren tachtig was van korte duur.
Waarom brengt de uitgever dan nu deze turf met Bloems recensies en opstellen, voorzien van ruim driehonderd bladzijden aantekeningen en uitvoerige citaten uit Bloems brieven op de markt? Alleen omdat er toevallig subsidie voor was? Wie het boek achteloos openslaat en de inhoudsopgave bestudeert, kan gemakkelijk tot de slotsom komen dat we hier te maken hebben met voor de huidige literatuur volkomen irrelevante schrifturen. Er dient zich een ware eregalerij aan van totaal vergeten dichters als J. G. Danser, Marie Cremers, Martin Albers, J. J. van Geuns, H. Cornelius, Gerda van Beveren, Wanda Koopman en J. J. de Stoppelaar. En ook van veel bekende namen, zoals Albert Verwey, Helene Swarth, P. N. van Eyck en Aart van der Leeuw, kan men onmogelijk beweren dat hun gedichten zich in een grote belangstelling mogen verheugen.
Dat ik deze voorbeeldig bezorgde en prachtig uitgegeven bundel toch met veel plezier heb gelezen, komt niet alleen voort uit mijn belangstelling voor de cultuurgeschiedenis van het interbellum. Uit de vele citaten en complete gedichten die Bloem opnam in zijn beschouwingen, blijkt dat veel van de door hem besproken dichters en prozaisten terecht zijn opgeborgen op onze literaire rommelzolder. Het is de wijze waarop Bloem over hen schrijft die het lezen van zijn artikelen zo prettig maakt. Wars van alle pretentie, met aanstekelijk enthousiasme, vol humor, terwijl je tegelijkertijd merkt dat hij zijn best doet het te bespreken werk op zijn juiste waarde te schatten.
ECHT VERNIETIGEND is hij zelden. Het tegenovergestelde is eerder het geval, daar hij in zijn bevlogenheid nogal eens doordraaft en veelvuldig schrijft dat een bepaald werk behoort tot het beste, schoonste, belangrijkste et cetera uit onze literatuur. En dan gaat het niet om een of enkele gedichten, nee, Bloem bombardeert vaak tientallen verzen of een hele reeks bundels van een dichter tot evenzovele hoogtepunten. Gezien door de bril van Bloem kent het Nederlandse literaire hooggebergte een duizelingwekkende hoeveelheid pieken.
Toch krijg je niet de indruk dat hij uit louter gemakzucht zo positief is. Opvallend is vooral de eerlijkheid waarmee hij schrijft. 'Toen ik dit boek pas gelezen had, vond ik het wel aardig. Langzamerhand heeft dit gevoel zich evenwel omgezet in een steeds groter wordende walging en ik schaam me bijna, dat ik mij zo heb laten beetnemen.’ Welke lezer kent niet dat gevoel, en welke recensent durft het te bekennen? Bloem had eenvoudig een afkeer van het 'bandelooze gecritiseer, dat tegenwoordig en overal plaats vindt, en dat men het kortst kan definieren als: van nullen over nullen.’ Hij was een warm voorstander van een, ook toen al, in onbruik geraakt genre als de eloge. Ook in de debatten over literatuur, zoals de roemruchte 'vorm of vent’-controverse, zocht hij altijd naar de beide zijden van de medaille, zonder overigens te vervallen in een dodelijk enerzijds-anderzijds. In Ter Braak waardeerde Bloem vooral dat hij - 'zooals iedere werkelijk behoorlijke geest dat trouwens doet’ - altijd naar twee kanten vocht. Beiden weigerden zich op te sluiten in de benarde veste van een onwankelbare waarheid.
Toch kende ook Bloems eerlijkheid, zijn onbevangenheid, haar grenzen. Dat blijkt onder meer uit het feit dat hij toch de meeste waardering kon opbrengen voor werk waaraan hij zich verwant voelde. Zo prees hij de thans in volmaakte vergetelheid verzonken dichteres Henriette Labberton-Drabbe om haar 'grooten stijl’ zonder beelden, vergelijkingen en versieringen. Hij was dan ook zelf, in de woorden van Benno Barnard, 'de enige grote (nagenoeg) metafoorloze dichter in de Nederlandse taal’. Jet Labberton is, getuige de door Bloem overgeschreven verzen, zo goed als onleesbaar.
Uiteraard is deze voorkeur voor gelijkgestemde kunstbroeders en -zusters heel normaal, en dus te billijken. Iets anders wordt het als Bloems politieke voorkeuren de recensie binnensluipen. Dat hij niet warm liep voor het bombastische dichtwerk van Adama van Scheltema valt heel goed te begrijpen, maar Bloems afkeer van 'zijn valsch gevoel, zijn valsche blijheid, zijn valsche geestigheid’ lijkt meer ingegeven door zijn haat tegen de SDAP - 'deze partij van profiteurs en karakterloozen’ - dan door zuiver poetische motieven.
Zoals bekend moest Bloem niets hebben van de 'hypocrisieen van den modernen tijd (democratie, humanitarisme en de rest)’ en hield hij er fascistische denkbeelden op na. Ook in zijn poeziekritiek werkte dat door. Grappig is het om te lezen hoe hij het werk vergelijkt van de toenmalige communist Martien Beversluis en de nationaal-socialist George Kettmann jr. Beversluis is in zijn 'soort’ beter dan Kettman in de zijne, maar de soort van Kettmann staat nu eenmaal op een hoger plan, zodat deze toch weer beter is. Deze fascistische dialectiek leidt tot de conclusie dat Kettmann de toekomst vertegenwoordigt, terwijl de poezie van Beversluis hopeloos verouderd is. 'Wat riekt al deze quasi-frisheid naar vieze oude brochures, waarmee autodidacten hun rancunes zitten op te warmen.’ Helaas heeft Bloem geen recensie geschreven van Beversluis’ gedichten nadat deze zich eveneens tot het nationaal-socialisme had bekeerd.
IN ZIJN ZOJUIST verschenen boek over de ondergang van de collaborateurs opent Martin Ros met Bloems gedicht over de gefusilleerde schrijver Robert Brasillach, waarin hij zowel de rabiate antisemiet als zijn rechters beschouwt als 'ongerechten’. Wie nu verwacht in deze bundels uitgebreide beschouwingen aan te treffen over fascistische schrijvers als Brasillach, Celine, Drieu la Rochelle of De Montherlant, komt bedrogen uit. In het register komen zij niet voor.
Even duikt wel Leon Daudet op, en er staat een kort stukje in over Charles Maurras. Dat laatste artikeltje gaat over een literaire rel in Frankrijk, die in 1946 was uitgebroken nadat er gedichten van de voormalige Action-Francaiseleider waren opgenomen in een bloemlezing. Bloem vond deze verontwaardiging belachelijk. Weliswaar had Maurras’ 'dolzinnige haat tegen de democratie’ hem de kant van Petain doen kiezen, maar het betrof hier toch 'niet een ijdeltuit als Mussolini, een hystericus als Hitler of een idioot als Mussert, maar een grote geest’. Aan het slot concludeert hij zelfs dat de atoombom zo gek nog niet is, 'voor een wereld, waarin de geest zichzelf op een dergelijke wijze denigreert’.
Hoewel na 1945 wat voorzichtiger geworden, was Bloem wat betreft zijn politieke opvattingen toch enigszins een 'onverbeterlijke’. In de inleiding bij zijn Verzamelde beschouwingen uit 1950 schrijft hij dat bepaalde, politiek getinte, passages zijn geschrapt omdat er in de tussentijd een en ander veranderd was. Curieus is dat hij toegeeft dat niet zozeer zijn opvattingen als wel de maatschappelijke verhoudingen gewijzigd zijn. Daarom was de in 1933 gemaakte opmerking dat het Derde Rijk van Hitler 'een bewonderenswaardige schepping’ was verdwenen uit een opstel over Stefan George. In een, overigens bewonderend, stuk over Jacob Israel de Haan is daarentegen een licht-antisemitische bijzin gehandhaafd.
Voor mensen die besmet zijn met het Adriaan Venema-virus valt er in deze bundel nog wel meer te vinden, maar het zijn toch vooral de liefhebbers van Nederlandse literatuur die hier aan hun trekken kunnen komen. Deze luie, antisemitische zuiplap schreef immers prachtige essays en kritieken.