Essay pleidooi contra luiheid

Tegen de langzame mens

Wat is er toch geworden van dat goede oude begrip vlijt, de kern van het gedreven leven. Tegen lauwheid, lamlendigheid of apathie – pro naarstigheid, vuur en passie.

DIT WORDT ONVERMIJDELIJK een braaf stuk. Ik weet het nog van mijn tijd op de middelbare school: niets was zo uncool als het halen van hoge cijfers. Deed je dat toch, dan werd onmiddellijk de roddel verspreid dat je hard had gewerkt. Lui zijn was stoer, leren iets voor watjes. Over luiaards laten zich eenvoudiger smakelijke anekdotes vertellen dan over werkpaarden, mits ze er excentrieke lome liefhebberijen op nahielden.
Dus meteen maar een confessie: ik ben erg slecht in luiheid. De sauna, dat is voor mij de hel op aarde: eerst het bijna-vagevuur in, dan jezelf blussen in ijskoud water, tot slot het ergste van alles: verplicht uitpuffen in de ‘relaxruimte’ – het woord alleen al. Ontspannende massage? Krijg ik de kriebels van. Liggen op het strand? Hooguit met een dik boek erbij, en dan geen badlectuur, maar dat meesterwerk dat ik altijd al had willen lezen. Niks doen? Ben ik slecht in. Ik stem van harte in met William Faulkner, die ooit het volgende beweerde: ‘It’s a shame that the only thing a man can do for eight hours a day is work. He can’t eat for eight hours; he can’t drink for eight hours; he can’t make love for eight hours. The only thing a man can do for eight hours is work.’ Behalve dat ik dat níet jammer vind.
Tot ver in de twintigste eeuw was ‘vlijt’ een vaste categorie op het schoolrapport; sinds de antiburgerlijke jaren zestig hangt er om vlijtigheid, net als om die andere calvinistische deugden zuinigheid, spaarzaamheid, nederigheid en stiptheid, een aura van benepenheid, vlijt en werkzaamheid lijken sindsdien in tegenspraak met werkelijke intelligentie en spontaniteit, met creativiteit kortom.
Maar wat is er eigenlijk mis met werklust en ambitie? Tegen ledigheid is vrijwel niemand opgewassen en zonder inzet komt niets tot stand, hoe geniaal je ook bent. ‘Geniaal maar met te korte beentjes’, noemde Louis-Paul dat laatste. Juist in een goddeloze wereld die geen zin meer lijkt te hebben, helpt werk zin te geven aan het bestaan. In zijn recente boek Ode aan de arbeid bestempelt de Engelse filosoof Alain de Botton werk niet voor niets als ideale bezigheidstherapie: het helpt de tijd doden, maar belangrijker: het geeft zelfvertrouwen. Door ons werk zijn we iemand. Vandaar dat de waardering voor werk stamt uit de achttiende-eeuwse Verlichting, waarin het anti-aristocratische en burgerlijke idee postvatte dat een mens door werk nobel wordt (aristocraten ontleenden hun zelfbewustzijn aan hun afkomst, niet aan wat ze deden). Vandaar dat we mensen zonder werk eerder beklagen dan feliciteren.
In Dus ik ben, het boek van Stine Jensen en Rob Wijnberg vol variaties op Descartes’ ‘ik denk dus ik ben’, beschrijft Wijnberg hoe we onszelf realiseren door ons werk. Van Aristoteles, volgens wie de noodzaak van werk je tot gelijke maakte van een slaaf of dier, tot Bertrand Russell, die vier uur werk per dag meer dan voldoende vond, keken filosofen neer op arbeid. De diepere reden daarvoor heeft volgens Wijnberg vooral te maken met het wezen van de westerse filosofie, georiënteerd als zij is op het metafysische. De menselijke identiteit werd daarin bovenal gedefinieerd in termen van ‘eeuwige eigenschappen’, als iets wat niets te maken had met tijd. Martin Heidegger plaatste het zijn nadrukkelijk wél in de tijd en de existentialisten stelden zelfs dat in het ontbreken van een ‘hoger’, tijdloos doel de menselijke vrijheid schuilt. Zij begrepen de mens niet langer in termen van tijdloze eigenschappen (wat hij is), maar in termen van zijn tijd- en plaatsgebonden handelen (wat hij doet). Wijnberg haalt daarbij Jean-Paul Sartre aan, die het kernachtig uitdrukte: ‘To be is to do.’
Zo bezien vraagt dat protestantse begrip vlijt om herwaardering. Werk geeft vervulling aan het leven, en daar kun je dan maar beter een beetje je best voor doen. Aan luiheid kleeft lauwheid, lamlendigheid, apathie – niet direct nastrevenswaardige zaken. Synoniemen voor ‘vlijt’ zijn dan ook niet alleen ijver en naarstigheid, woorden met een negentiende-eeuws patina, maar ook geestdrift, gloed, vuur en passie.
Vorig jaar verscheen de bundel Zuinigheid met vlijt, waarin verschillende christelijke auteurs de actualiteit van een aantal typisch calvinistische Nederlandse deugden onderzoeken. Onder de eigentijdse noemer ‘toewijding’ schrijft Pieter Vos, lector morele vorming aan de Gereformeerde Hogeschool te Zwolle, over ijver, het aloude woord voor hard werken en zwoegen, ‘met de onmiskenbare morele lading dat je niet op aarde bent om te luieren en te lanterfanten’. Bij toewijding gaat het niet zozeer om ‘het zweet des aanschijns’, maar om innerlijke motivatie, om werk om wille van dat werk zelf. Daarbij is ook nog de juiste maat van belang: te veel toewijding leidt tot obsessief gedrag; te weinig tot achteloosheid en onverschilligheid. Vos stelt trouwens, net als De Botton, dat de toewijding evenzeer moet gelden voor de liefde. Het zijn liefde en arbeid die ons leven betekenis geven.
In Jevgeni Onegin, de prachtige roman in verzen van Poesjkin, ontmoet de jonge Onegin, als hij met zijn vriend diens verloofde bezoekt, het dromerige, naïeve meisje Tatjana. Zij verklaart hem in een brief de liefde; hij wijst haar beleefd maar neerbuigend af. Jaren later ontmoet hij haar weer, zij is inmiddels getrouwd, en nu raakt hij in vuur en vlam. Hij betuigt zijn liefde, maar zij blijft trouw aan haar man. Onegin lijdt aan traagheid van het hart, de ergste zonde.
De roman van J.M. Coetzee over Paul Rayment, een lauwe gescheiden man, die pas na een verkeersongeluk en een geamputeerd been hartstocht toelaat, heet niet voor niets Langzame man. ‘Sinds de dag van mijn ongeluk’, zegt hij tegen Coetzee’s alter ego Elizabeth Costello, ‘sinds het moment dat ik had kunnen doodgaan, maar kennelijk gespaard ben gebleven, ben ik achtervolgd door het idee dat ik iets goeds moet doen. Voor het te laat is wil ik graag een initiatief nemen dat – vergeef me het woord – een zegen, hoe bescheiden ook, voor het leven van anderen zal zijn.’
Dat is wat luiheid uiteindelijk is: gebrek aan passie. Dat is niet cool, dat is sneu.