Het Uruzgan-besluit

Tegen de missie, maar wel in stilte

In de besluitvorming rond verlenging van de Uruzgan-missie toont het kabinet zich een meester in het doodslaan van het publieke debat. Terwijl er redenen genoeg zijn voor een grondige discussie.

Een jaar geleden was Nederland net naar de stembus geweest. In de verkiezingsstrijd vielen vaak de woorden draaien, vergrijzing, probleemwijken en integratie, maar niet het woord Uruzgan. Nederlandse militairen voerden toen sinds een paar maanden een opbouwmissie uit in de Afghaanse provincie, maar tijdens de verkiezingscampagne ging het er niet over. Was dat omdat de kiezer er rotsvast van overtuigd was dat de missie in 2008 afgelopen zou zijn en geen idee had dat de politiek deze afspraak niet zou nakomen? Was het berekening van de kant van de politieke partijen, zodat ze hun handen vrij zouden hebben op dit onderwerp? Of een combinatie van beide?

Nog weer een jaar daarvoor, ook in december, woedde er wel een discussie over de militaire missie in Uruzgan. Maar die ging niet zozeer over de haalbaarheid, wenselijkheid, het uiteindelijke doel en andere inhoudelijke vragen, maar over het opereren van het toenmalige kabinet van cda, vvd en d66 en van de fractie van die laatste, kleinste regeringspartij. Het politiek-strategisch onhandig optreden van de d66-fractie onder leiding van toenmalig fractievoorzitter Boris Dittrich zoog alle aandacht naar zich toe. Met als tweede aandachtvrager het ‘voornemen’ van het kabinet om militairen naar Uruzgan te sturen en de discussie die toen over dit woord ontstond, dat immers geen ‘besluit’ was en hoe kon de Tweede Kamer nu over een ‘voornemen’ debatteren?

Inmiddels is het twee jaar later, december 2007, en het huidige kabinet van cda, pvda en ChristenUnie heeft zojuist besloten de missie in de Afghaanse provincie te verlengen tot 2010. Intern is er maanden over gepraat. De richting waarin het besluit ging, was eveneens al maanden duidelijk. Dit keer verliep de discussie tussen de coalitiepartijen welhaast geruisloos. Wie het kabinet daarop wil afrekenen, moet de ploeg van Balkenende IV een compliment geven.

Twee jaar besluitvorming over Uruzgan overziend, is het meest opvallende het uitblijven van een maatschappelijk debat over deze militaire missie die meer op oorlogsvoering dan op wederopbouw is gaan lijken. In politiek opzicht was er na het eerste Haagse ja tegen de missie alleen af en toe nog wat gekrakeel. Zoals toen minister van Defensie Eimert van Middelkoop voortijdig liet blijken dat Nederland langer wil blijven in Afghanistan, waardoor op aflossing door andere Navo-landen niet meer gerekend hoefde te worden. Of toen minister van Binnenlandse Zaken Guusje ter Horst zich onlangs uitliet over de noodzaak om te onderhandelen met de Taliban in Afghanistan. Maar dit soort uitspraken leidden er slechts toe dat Van Middelkoop het verwijt kreeg onhandig te opereren, hetgeen ook zo was, en dat Ter Horst zich moest verantwoorden voor het feit dat ze zich over de portefeuille van de collega van Buitenlandse Zaken had uitgelaten.

Er zijn echter redenen genoeg om grondig inhoudelijk te discussiëren over een verlenging van de missie. Zo is het meer vechten dan opbouwen geweest in Uruzgan en toch beweert het kabinet nu dat het in de verlenging écht een opbouwmissie zal worden. Oud-minister en voormalig speciaal VN-gezant voor Soedan, Jan Pronk, pleitte vorige week in NRC Handelsblad voor een andere politieke strategie in Afghanistan, waarvan onderhandelen met de Taliban deel moet uitmaken. ‘Een beetje blijven’ heeft volgens hem geen zin. Pronk vindt dat ‘face saving, meer niet’, waardoor Nederland zijn uitgezonden militairen opzadelt met een ‘uitzichtloze missie’.

Verder oordeelde de Unama (United Nations Assistance Mission in Afghanistan) in een recente analyse over de veiligheid in de provincie Uruzgan dat het er zeer gevaarlijk is voor opbouwwerkers. Bovendien zei de Franse generaal Vincent Lafontaine, hoofd planning van de Isaf in Kabul, vorige week dat de Navo haar troepen in Afghanistan moet uitbreiden om veiligheid te kunnen garanderen.

Ook de vraag waarom de andere Navo-landen Nederland niet wilden aflossen, blijft interessant. Op zijn weblog van afgelopen weekeinde noemt vice-premier en pvda-leider Wouter Bos de opstelling van de Navo-partners ‘eigenlijk onverteerbaar’. Hij had de neiging te denken: ‘als kennelijk niemand er meer in gelooft…’ Maar Bos vertelt er niet bij of hij de Navo-partners de vraag heeft gesteld of ze inderdaad niet meer geloven in de Afghanistan-missie en maakt ons ook hun antwoord niet deelachtig. Wel geeft hij zijn eigen reactie op het uitblijven van hulp: ‘We laten ons niet kisten.’

Gespreksstof genoeg zou je zeggen. Temeer daar uit opinieonderzoek blijkt dat een meerderheid van de Nederlanders tegen verlenging is. Waarom blijft het dan toch zo stil? In de week voor Kerst debatteert de Tweede Kamer over Uruzgan. De uitkomst staat vast, een meerderheid steunt het kabinet. Veel maatschappelijke reuring lijkt er ook dan niet te komen. Ook dat is het gevolg van het maandenlang binnenskamers debatteren, terwijl de buitenwereld tegelijkertijd toch te weten kwam wat de uitkomst zou zijn, maar tevens te horen kreeg dat het nog te vroeg was om erover te discussiëren. Het moet gezegd, dat blijkt een effectieve manier om het publieke debat dood te slaan.

De oppositie in de Kamer zal straks tegen dovemansoren praten. Ook als ze het kabinet wijst op een tegenstrijdigheid: het kabinet wil na augustus 2008 in Uruzgan blijven, om de Afghanen niet in de steek te laten, maar zegt tegelijkertijd in 2010 écht weg te zullen gaan, ook als het de Afghanen dan alsnog in de steek zou laten. Dat roept toch de vraag op: wat is het doel van de missie?