Schilderen anno 2011

Tegen de pixeladepten

Om de zoveel tijd wordt de schilderkunst weer springlevend verklaard. Vijftien jonge Rotterdamse schilders willen zich radicaal bevrijden van de beeldenkanonnades in het digitale tijdperk.

TIEN MINUTEN LOPEN van het plein waar nu Paul McCarthy’s schandaalverwekkende Kabouter Buttplug staat gestald, de oversized lustverschaffende anale plopper tevreden in z'n knuist, vindt deze maand de wedergeboorte van de schilderkunst plaats. Onder de noemer Every Picture Tells a Story hebben de curatoren van TENT op de begane grond van het Witte de With-gebouw vijftien jonge Rotterdamse schilders bijeengebracht. De kunstenaars worden niet naar voren geschoven als representanten van een nieuwe stroming, maar als schilders die pal voor hun discipline staan. Zij zijn, volgens het missiestatement op een van de smetteloos witte muren, ‘opnieuw gegrepen door het schilderen, door het unieke en onherhaalbare moment waarop de verf het doek raakt’. In de white cube van TENT is te zien wat daarmee wordt bedoeld. Beter gezegd, kan de door digitale beeldkanonnades en informatie-overload geteisterde bezoeker - van je clickerdeclickerdeclick en je zapperdezapperdezap - de ogen tot rust laten komen.

Klinkt dat Jan Nagelig 50Plus? Zeker.

En dat verhaal van die wedergeboorte - ligt daar niet onheilszwangere, Duits-romantische pathetiek op de loer? Natuurlijk.

En is de schilderkunst niet talloze malen eerder springlevend verklaard? Ongetwijfeld.

Oskar Kokoschka schilderde ooit een schitterende, dreigende mandril, Asger Jorn de geabstraheerde vleugelslag van een zwaan en Marleen Felius koeien in alle soorten en maten. Ook uilen, herten, honden en katten zijn vaak te zien op schilderijen door de eeuwen heen. Huilende vogels afbeelden, zoals de al meermalen voor de Koninklijke Schildersprijs genomineerde Hidde van Schie doet, is tamelijk ongebruikelijk. In TENT is zijn tweeluik te zien van een 'verdrietige fladderaar’, een expressionistisch op doek gezette jonge adelaar, die aandoenlijk maar ook dreigend de zaal in kijkt. Ongebruikelijk is ook de titel die Van Schie een van zijn abstracte doeken gaf, Laurien zegt, blijf er nou met je poten vanaf, wat toch heel anders klinkt dan Courbets L'Origine du monde of Die Grosse Nacht im Eimer van Georg Baselitz. Waar moet de schilder eigenlijk vanaf blijven? Die eenzame boomstronk tegen een ondergrond van beweeglijk geschilderde, door kunsthistorici graag als mondrianesk betitelde rasterpatronen? Waarmee Van Schie bewust een keten van talige associaties op gang brengt, precies datgene wat vroeger abstracte schilders tot razernij dreef.

René Magritte schilderde ooit pantoffels in de zelfgekozen, slordige, vieze stijl van de peinture vache, Van Gogh een paar door Heidegger zeer gewaardeerde doorleefde boerenschoenen en Willem de Kooning een rozevingerige dageraad als essentie van een zonsopgang. Van James Ensor kennen we de carnavalsgangers in Oostende met maskers, Chagall hield niet op door de lucht vliegende kruidenfabelvrouwtjes op bezemstelen te schilderen en Ronald Ophuis toonde ons een verkrachting in de kleedkamer van de voetbalclub. Een schilder kiest zijn onderwerpen niet voor niets, en toch hoor je door de geschiedenis van de moderne schilderkunst heen steeds dat pesterige stemmetje roepen: schilderen gaat over schilderen. Het is een van die aantrekkelijke frases waar de kunstgeschiedenis vol mee zit, denk aan beroemde uitspraken als 'Ik zoek niet, ik vind’ (Picasso) of 'Al wat belangrijk is in de kunst, ligt voorbij de woorden’ (Georges Braque).

Als het waar is dat de moderne schilderkunst over schilderen gaat, mag je concluderen dat de onderwerpen inwisselbaar zijn. Niet wát ik schilder is belangrijk, maar hóe. Of zoals de surrealist Man Ray zei: 'Rood staat niet voor passie, rood is rood’, als de logische uitkomst van een al in 1890 door Maurice Denis geformuleerd adagium, waarnaar generaties avant-gardekunstenaars zouden handelen. 'Een schilderij’, schreef de Franse kunsttheoreticus, 'is in wezen een plat vlak bedekt met kleuren die op een bepaalde manier geordend zijn.’ Vanuit deze opvatting ging het hemelbestormend voorwaarts via de Documenta’s en Biënnales van de jaren vijftig, zestig en zeventig naar de nullijn van het schilderen: de plaatsing van een onbeschilderd doek op de grond, leunend tegen de wand, als tweedimensionaal, iedere illusie uitbannend object, een maaksel van linnen en spieraam, als belichaming van een schilderkunstig ultieme waarheid.

Gelukkig is kunstgeschiedenis geen exacte wetenschap en spelen ongerijmdheden en het romantische beeld van de schilder als magiër van de verf een beslissende rol. Dat betekent dat de schilderkunst - ook wel de rijkste traditie uit de kunstgeschiedenis genoemd - al talloze malen doodverklaard en herrezen is, verschenen en verdwenen, en zich in allerlei vormen opnieuw heeft gemanifesteerd: van Pop en Op tot Fundamentele Schilderkunst, van Nieuwe Wilden en Jonge Italianen naar Neo-Geo en de 'nieuwe romantici’ van de laatste tien jaar.

Onproblematisch is dit alles niet. Want het schilderen mag als traag, bedachtzaam medium en door zijn hoge eisen aan techniek en vakkennis nog altijd autoriteit aankleven, het wordt al lang niet meer gezien als de kunstvorm die het meest geschikt is om uitspraken te doen over de werkelijkheid. Daartoe lijken filmische installaties en environments beter toegerust, omdat ze de toeschouwer opnemen in een digitale wereld van bewegend beeld, geluid, tekst en soms ook geur. Hedendaagse zintuigen dienen hedendaags state of the art gemanipuleerd te worden, en de schilderkunst - wel, voor sommigen is die niets anders dan een regressieve 'hersenloze prikkeling van het netvlies’, zoals de grootvader van de conceptuele kunst Marcel Duchamp niet naliet te benadrukken in interviews op het einde van zijn carrière.

Kan een kunstvorm die zijn historische ontwikkeling heeft voltooid nog een rol van betekenis spelen? Nee, of hooguit als inspirerend anachronisme, zeggen gerenommeerde kunsttheoretici als Frank Reijnders, auteur van het tien jaar geleden verschenen Della pittura: De schilderkunst en andere media, en Boris Groys, de nu populaire nieuwe-mediaprofessor. Ja, zeggen de curatoren van TENT: tegenover de eindeloze stroom foto’s en video’s op het web en de iPhone - de 'beeldbrij’ - stelt schilderkunst een bijzondere waarde: die van de enkelvoudige, verstilde uitsnede, het unieke gebaar. Schilders brengen op doek gestolde fantasie, freeze frame-correcties op de werkelijkheid, zintuiglijk gevat in verf. Hoe anachronistisch ook volgens de wetten van de moderniteit, overtuigend blijft het gebaar wel, zeker bij schilders als Hidde van Schie, Edwin Jans (vreemde, door mensen verlaten bouwsels in woekerende natuur), Inge Aanstoot (Munch-achtige, verloren man- en vrouwfiguren in duistere, bijbelse settings), Isolde Venrooy ('typologieën van ideale landschappen’) en Marie Louise Elshout (duister-romantische vrouwbeelden, gemaakt van verf, zand, bloed, aarde en een toefje schaamhaar).

De wedergeboorte van de schilderkunst in Rotterdam is een poging om autonome beelden te vinden, ontdaan van 'maatschappelijke, politieke en kunsthistorische ballast’. Dat is geen geringe ambitie, want wie kan zijn waarneming van de wereld en de allesdoordringende media volledig uitschakelen? En als het gaat om dat 'unieke en onherhaalbare moment waarop de verf het doek raakt’ bevindt ook de hedendaagse jonge schilder zich in een eeuwenoude traditie, of hij nu wil of niet. 'Als ik in mijn atelier sta, alleen voor het doek’, vertelde schilder Bas Meerman eens, 'realiseer ik me dat er een compleet leger van schilders achter me oprijst. Dat maakt het schilderen vaak ingewikkeld: elke penseelstreek die je zet is al een keer gedaan.’ Wat niet betekent dat je de kwast neer zou moeten leggen, want als iets door de geschiedenis van de schilderkunst heen een constante blijft is het de zoektocht naar het 'wezen van de dingen’. Die kan liggen in de ruwe schildering van een levensgroot broodmes, zoals Avery Preesman deed, Mondriaans weergave in rood, geel en blauw van de 'zuivere beelding’, de door Morandi steeds herschikte flesjes en kruikjes op een tafel, of Rubens’ zachtroze, weelderig bevleesde vrouwen. Essentiële beelden zijn dat, waarin vorm, materie en inhoud samenvallen, net zoals het in Rotterdam tentoongestelde schilderij van Jeffrey Dunsbergen, Delicatesse, een in zwarten, grijzen en gedempt rood weergegeven worststilleven.

Drie aan een ijzeren stang hangende worsten als de essentie van de dingen? Getuigt dat niet van typisch Duits-romantische pathetiek?

Helemaal niet. Want ’t zijn heel droge worsten, zo te zien.

De schilders en samenstellers van Every Picture Tells a Story zijn uit het juiste hardnekkige hout gesneden, anders zouden ze de schilderkunst niet opnieuw hebben willen uitvinden. Hardnekkigheid is misschien zelfs wel het verbindende thema van deze tentoonstelling, die nadrukkelijk stelt dat tussen het werk van de deelnemers nauwelijks inhoudelijk verband bestaat. En als het geen koppigheid is, moet het de overtuiging zijn dat het karma van de schilderkunst is voortdurend te worden wedergeboren - in een steeds opvallender anachronistisch jasje. Tegen de keer en de snelheid van de tegenwoordige tijd, op zoek naar beelden die zich loszingen van de mediawerkelijkheid. Dan kan het gebeuren dat je een atmosferisch kleinformaatdoek staat te schilderen van een zeegezicht, met gloeiende kleuren à la Caspar David Friedrich (Katrijn Verstegen) of dat je ongemakkelijke jonge vrouwen en mannen bijeendrijft op een hip feestje, waar ze contactgestoord voor zich uit staan te kijken, met grote varkensoren aan hun kop, aperitief in de hand - party pigs, zegt de schilder, Marie Civikov.

Stuurse hardnekkigheid is vruchtbaar, blijkt in Rotterdam. Net als het driftmatige verlangen om verf op doek aan te brengen terwijl de pixeladepten je achter je rug staan uit te lachen, ondertussen Baudelaire’s motto scanderend dat een kunstenaar 'van zijn tijd’ moet zijn. Schilderen anno 2011, zo maakt Every Picture Tells a Story duidelijk, vereist een harde kop en een speels terzijde schuiven van de kunsttheoretische communis opinio. Of zoals de vorig jaar overleden Captain Beefheart - als Don Van Vliet geen onverdienstelijk schilder - zong: 'You got hot paint, and you’re havin’ fun.’ Wat een adequate vertaling lijkt van Braque’s vaststelling dat alles wat belangrijk is in de kunst voorbij de woorden ligt.

Every Picture Tells a Story, TENT, t/m 10 april, Witte de Withstraat 50, Rotterdam, tentrotterdam.nl. 17 maart, 20 uur debat Paint it Back: Waarom schilderen kunstenaars ook alweer?