Afscheid van H.J.A. Hofland - Analist

Tegen de stompzin

Henk Hofland was een rebel, maar zijn wereldbeeld was verrassend behoudend. Stabiliteit was voor hem het hoogste goed – desnoods afgedwongen door het risico van kernoorlog en de opsluiting van half Europa.

Medium portret 204fc

In 1984 besefte Henk Hofland plotseling dat hij ‘walgde van de brutale, stompzinnige agressie die in Nederland de maat van het dagelijks leven bepaalt’. Dat was niet eens door toedoen van het volk dat hij een generatie later zou hekelen in zijn boek Platter Dikker, hoewel het ‘karategespuis’ hem ook al in de jaren tachtig tot woede bracht met ‘onophoudelijk malende kaken, mayonaisevingers en zelfingenomen luidruchtigheid’. Tot zijn eigen verbazing was het een passagier op de achterbank van zijn Fiat 500 die, doorgesnoven en dronken, rokend en onbeschaamd genietend, Hofland het inzicht schonk dat hij de geschiedenis achterna moest.

Het leek Hofland opeens ‘een uitgezochte tijd om naar de verkwanselde helft van Europa te gaan’. En dus kocht hij treinkaartjes voor Boedapest, Boekarest, Kiev en Odessa. Het laatste deel van de reis naar zijn einddoel moest hij ter plekke improviseren, want daar ging geen trein heen. Naar de stad waar die oostelijke helft van Europa in 1945 zou zijn verkwanseld, door een te zieke Roosevelt en een te machteloze Churchill: Jalta.

Hofland beschreef dit alles in De wording van het Wilde Oosten. Het Sovjet-rijk 1984-1990: Kroniek van een wereldhistorische gedaantewisseling. De reis begon richting Parijs, op het traject dat Hofland voor het eerst aflegde in 1946. In de coupés zag hij Amerikanen, overduidelijk heersers, niet aangetast in hun gezicht zoals de vale en uitgeholde Europeanen, zonder gehoorzaamheid in hun tred, niet ruikend naar gaarkeuken en bukshag. In 1984 heette de trein die vanuit Parijs van het Gare de l’Est vertrok nog altijd Oriënt Express en Hofland liet zich onderweg voortdurend overvallen door associaties en herinneringen die de plaatsnamen waar de trein langsreed bij hem ophaalden. Smolensk, Minsk, Brest! Namen die hij met zijn vader op een landkaart tekende met fronten erbij. Namen die tijdens het schrijven van het boek steeds bereikbaarder werden, mentaal steeds minder ver weg. En die aan het eind van het boek niet meer van Hofland gescheiden waren door een IJzeren Gordijn.

Wie het boek chronologisch leest, met essays en columns die in 1984 beginnen en in 1990 eindigen, vermoedt al lang voordat Hofland het expliciet begint op te schrijven dat hij niet onverdeeld blij zal zijn over de wereldhistorische gedaantewisseling die zich onder zijn ogen afspeelt: de bevrijding en het losslaan van de verkwanselde helft van Europa. Langzaam maar zeker drijft hij die richting in. ‘De verhoudingen in Europa zijn in beweging’, schrijft hij in 1988. ‘Het is de vraag of we daar blij om moeten zijn.’

Hofland heeft het vele malen geschreven, en het is in vele interviews opgetekend: in mentaal opzicht was hij vooral gevormd door het ineenstorten van de bekende wereld toen hij een prille tiener was. Zijn oorlogservaringen bleven de hoeksteen van zijn wereldbeeld, tot zijn overlijden vorige week. Maar ze vormden Hoflands blik op de wereld op een andere manier dan misschien voor de hand zou liggen. Hij keek naar het heden door het verleden, maar niet op de rechtlijnige, moralistische manier die in het naoorlogse Nederland de norm was. Zo beschrijft Hofland in zijn essay Een ruïne in aanbouw hoe hij Bialystok passeert met de trein, ‘een stad uit legerberichten, geblakerde coulissen van niet meer te achterhalen moordpartijen, en het ver decor van mijn jeugd. De oorlog die ik wantrouw: geen opgekookt drama!’

Dat opgekookte drama zag Hofland regelmatig terug in gezwollen politieke retoriek of in de kolommen van de gedrukte pers: protserig moralisme, lui denken en makkelijke oordelen gebaseerd op de Tweede Wereldoorlog. Dat zag hij soms terug in Ronald Reagan, en nog veel grotesker in George Bush junior, de verpersoonlijking van alles wat hij minachtte. Maar eerst nog die Tweede Wereldoorlog. Die had Hofland in alle naakte eenvoud getoond waar macht en invloed hun oorsprong vinden – niet in vage zaken zoals ‘de kracht van ideeën en waarden’, of een met een vrijheidssausje overgoten consumeerdrift, maar in soldaten, tanks, geschut. Hij citeerde instemmend Josef Stalin, de dictator van de Sovjet-Unie, die aan de vooravond van de oorlog ooit een hulpverzoek aan de paus had weggewuifd. ‘De paus! Hoeveel divisies heeft die?’ spotte Stalin.

Hofland wilde oog houden voor de rol van de Sovjet-Unie in de Tweede Wereldoorlog en de wereld daarna. Hij meed dan ook makkelijke oordelen over het Oostblok. Hoewel hij later zou schrijven dat ‘de democratie van het Westen in alle opzichten had bewezen superieur te zijn aan het sovjetcommunisme’ deelden burgers aan gene zijde van de Muur wel in een van de belangrijkste zaken die in het ondermaanse voorhanden waren. En dat was stabiliteit. Daarin lag de werkelijke les van de Tweede Wereldoorlog voor Hofland: niet in labbekakkerige lesjes zoals ‘de noodzaak om tegenwicht te geven aan dictators’, maar in de waarde van orde. Hij schreef het nergens expliciet, maar uit zijn werk blijkt dat dit voor hem de belangrijkste les was die hij over de wereld getrokken had: dat wijs leiderschap dat bijdroeg aan stabiliteit, voorspelbaarheid, rust en veiligheid in de wereld het hoogste doel van staatsmanschap was.

Het is een verrassende conclusie, voor wie Henk Hofland kent als bootjesbouwer en herriemaker, als een kleine jongen in het lijf van een oude man en als rebelse journalist die tegels wilde lichten in het benepen Nederland van de jaren vijftig en zestig. Maar dat is ontegenzeggelijk wat opstijgt uit wat Hofland schreef in zijn essays, opiniestukken en zijn honderden columns over het buitenland voor De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad.

Bij ontstentenis van Amerikaans leiderschap verschrompelden ook de geesten in Europa

Hofland had moeite om de jaren negentig te duiden, een vaag tijdperk met kleine oorlogen, een Nieuwe Wereldorde die maar geen vorm kreeg, en nieuwerwetse theorieën over een toekomst van oneindige economische groei.

Maar hij wist wel wat het einde van dat tijdperk was, en wat het grootste verlies was van de nieuwe tijd die begon na de aanslagen van 11 september 2001. ‘Even formidabele als onberekenbare krachten hebben ons bastion van welvaart, regelmaat en optimisme geforceerd. Dat is al heel ernstig’, schreef Hofland aan het begin van de eeuw. ‘Maar erger is dat we door deze inbraken totaal werden verrast. De voorspelbaarheid is ons van de ene seconde op de andere op klaarlichte dag ontnomen.’ En voorspelbaarheid, to state the obvious, was voor deze man die als dertienjarige jongen zijn stad in puin zag veranderen een waarde op zich.

Voorspelbaarheid werd Hofland in deze nieuwe eeuw niet gegund. Daar was in het bijzonder één man voor verantwoordelijk, die alles in zich samenbalde wat Hofland verafschuwde: lompheid en geestelijke verdroging, zelfverheerlijking en swagger, ideologische aderverkalking, kortzichtigheid, onverantwoordelijkheid, misplaatste arrogantie, onbenul van de wereld en een stompzinnig geloof in de Amerikaanse voorbeeldigheid. Enter the villain, George Bush jr. en zijn neoconservatieve entourage van hielenlikkers en intriganten, Paul Wolfowitz, Condoleezza Rice, Dick Cheney. Voor Hofland hadden zij een uniek moment in de wereldgeschiedenis verkwanseld, waarop de Verenigde Staten de Koude Oorlog hadden gewonnen en zich in een unieke positie bevonden om nieuwe stabiliteit in de wereld vorm te geven. In plaats daarvan stortten ze zich in de epische misser van de Irakoorlog en leidden de wereld richting instabiliteit in plaats van rust.

Hoewel hij nog altijd graag tijd doorbracht in New York werden de VS voor Hofland de plaats waar alle kwaden van de nieuwe tijd zich concentreerden. De mensen vraten en consumeerden onbeschaamder, de politiek was grover, de navelstaarderij schadelijker. De interne polarisatie en verplatting zouden de Amerikaanse leidersrol in de wereld beëindigen, dacht Hofland. ‘Wat zal de regering in Washington nog waard zijn als ze betrokken wordt in zo’n politieke burgeroorlog? Is er nog tijd om naar oplossingen te zoeken voor het Midden-Oosten, Iran, Irak, Palestina, Afghanistan? Wat is er over van de hypermacht die 21 jaar geleden de Koude Oorlog heeft gewonnen?’ schreef hij in 2006.

Omdat de oorzaak van de Werdegang van de wereld binnen de Amerikaanse maatschappij lag, begon Hofland de toestand in de wereld gaandeweg minder te verklaren uit boeken over de internationale betrekkingen, en vaker uit boeken die samen een naargeestig beeld neerzetten van de Amerikaanse samenleving. The Image: A Guide to Pseudo-Events in America van Daniel Boorstin, Amusing Ourselves to Death van Neal Postman, The Affluent Society van John Kenneth Galbraith, The End of Ideology van Daniel Bell. En natuurlijk de aanklacht The Prosecution of George W. Bush for Murder van Vincent Bugliosi.

Bij ontstentenis van Amerikaans leiderschap verschrompelden ook de geesten in Europa. ‘Over een grote Europese buitenlandse politiek wordt niet meer nagedacht’, oordeelde Hofland in 2010. ‘De publieke opinie in de grote lidstaten is verstrikt in ruzies over de immigratie. Terwijl Amerika de lasten van de imperial overstretch torst, zijn de Europeanen aan het provincialiseren.’ En daar kwamen natuurlijk excessen bij die Europa uit de VS overnam, zoals politiek hooliganisme, verplatting en verleuking van het nieuws, schranserig consumentisme.

Het mag niet verwonderen dat Hofland steeds meer een zwartkijker werd. Vanaf 2010 begon hij vaker met de grote greep terug te kijken op de geschiedenis van de jaren dertig tot nu, met een rampzalige neergang in de laatste decennia. ‘Sinds 9/11 is de wereldsamenleving in toenemende mate verstrikt geraakt in een chaos van nationale, politieke en godsdienstige conflicten’, schreef hij. ‘Sinds 1945 is het niet zo’n chaos op aarde geweest.’ Zijn columns begonnen vaker doemrijke koppen te dragen. ‘Radeloos in de chaos’, ‘Het zwarte scenario’, ‘Verval’, ‘Verlammende crisis’, enzovoort.

Obama was voor Hofland een lichtpunt: een leider die problemen correct zag en met logische stappen aan een stabielere wereld wilde bouwen. Maar hij werd door lilliputters aan de grond genageld. In 2014 was de wereld voor Hofland ‘een opsomming van gigantische catastrofes waarvan we de gestage ontwikkeling in de media op de voet hebben kunnen volgen en waaraan we niets hebben kunnen doen’: de oorlogen in Syrië, Afghanistan, Oekraïne, de opkomst van IS, Ebola, vijftig miljoen vluchtelingen, opwarming van de aarde. En ‘geen internationale politieke klasse die de afbraak kan keren’.

Voor oplossingen keek Hofland naar de situatie die orde had gebracht in de chaos die hij als kind had gezien. ‘Een kwart eeuw geleden leefden we, dankzij de Koude Oorlog, in een redelijk georganiseerde wereld’, schreef hij. ‘De twee supermachten hielden elkaar door het risico van een kernoorlog in bedwang en hadden in de loop der jaren een diplomatieke techniek tot het behoud van de vrede ontwikkeld. Deze absurde maar goed werkende harmonie is met de val van de Muur verdwenen.’ Het idee dat er nu sprake zou zijn van een nieuwe Koude Oorlog verwees Hofland naar de vuilnisbak. Er mag dan wat wrevel zijn met Rusland en gedoe in Oekraïne, maar dat was niet waar de Koude Oorlog voor Hofland voor stond. We hebben nu misschien de angst en de vijandschap terug van toen. Maar niet de onderliggende orde en rust.