Essay - Anton de Kom-lezing 2015

Tegen de stroom

De mening dat we te maken hebben met onoverbrugbare verschillen in cultuur voedt de angst voor vreemdelingen, en dient als rechtvaardiging om de grenzen te sluiten. Maar menselijke waardigheid, hoe cultureel verschillend ook, is universeel.

Medium rts59n2

Anton de Kom kwam als verzetsstrijder op voor vrijheid en medemenselijkheid. Zo heeft hij solidariteit getoond met Nederlandse kameraden die door het nationaal-socialisme werden bedreigd en verdrukt. Maar hij heeft – impliciet, misschien zelfs zonder daarbij stil te staan – getuigd van de waardigheid van ieder mens, wat hij of zij ook eigen moge zijn, waar hij of zij ook vandaan komt. Hij zag dat scherper dan de vele Nederlandse functionarissen die in de eerste jaren na de bezetting – gedreven door angst, of een opportunistisch ‘realisme’ – het op een akkoordje gooiden met de bezetter en met hun eigen geweten.

Anton de Koms eigen herkomst uit Suriname en zijn verdrukte Surinaamse identiteit gaven die tot in de kampen van Sachsenhausen en Neuengamme volgehouden getuigenis een uitzonderlijke geloofwaardigheid. De onvrijheid die over Nederland was neergedaald ging hem evenzeer ter harte als de onvrijheid die door Nederlanders hem en Surinaamse landgenoten was aangedaan. In de existentiële ervaringen van verdrukking en doodsdreiging verbleken culturele, etnische en religieuze verschillen en treden allen in het licht als mensen, mede-mensen. Precies dat was de realiteit van een kamp als Sandbostel waar Duitse ‘asocialen’ en geallieerde krijgsgevangenen naast onwelgevallige personen uit de bezette landen als slaven werden behandeld.

Tegen deze achtergrond wil ik proberen wat klaarheid te brengen in een discussie die mensen verdeeld houdt, dwars door politieke partijen en maatschappelijke geledingen heen. Die discussie gaat over de vraag of rechten van de mens werkelijk universele waarden vertegenwoordigen en of wij ons handelen daarop moeten afstemmen. Dat heeft consequenties voor onze houding ten opzichte van repressie en burgeroorlogen in andere landen, maar ook voor de moeite die hier wordt gedaan voor het opvangen van asielzoekers. De mening dat we daarbij te maken hebben met onoverbrugbare verschillen in cultuur voedt de angsten voor vreemdelingen, en dient als rechtvaardiging – of als alibi? – om de grenzen te sluiten.

In mei 1933 was Anton de Kom door de gouverneur van Suriname – destijds een Nederlandse kolonie – wegens zijn opruiende activiteiten naar het moederland verbannen; eerder in zijn leven had hij hier ook gewoond, als beroepsmilitair bij de huzaren gediend, als boekhouder gewerkt en zijn echtgenote ontmoet. Mei 1933: het was de maand waarin in Duitsland de nieuwe rijksregering onder leiding van Adolf Hitler de vakbonden ontbond en het stakingsrecht afschafte, terwijl haar aanhangers op de Opernplatz in Berlijn twintigduizend onwelgevallige boeken verbrandden. Ook in landen waar men van de nationaal-socialistische ideologie niets moest hebben, waren autoritaire vormen van staatsbestuur in opmars, vaak gevoed door angsten voor het internationale communisme dat in de Sovjet-Unie tot het moorddadige schrikbewind van Josef Stalin had geleid.

In Nederland kwam Anton de Kom opnieuw in contact met politiek gelijkgezinden. In 1934 publiceerde hij in Amsterdam, bij uitgeverij Contact, zijn boek Wij slaven van Suriname, maar om ‘de ongestoorde verspreiding van het werk te verzekeren’ – aldus het voorwoord van de uitgevers – in een van revolutionaire uitingen gekuiste vorm. In de jaren tachtig werd het opnieuw uitgegeven door uitgeverij Het Wereldvenster en Novib. Met ingetogen verontwaardiging beschrijft De Kom hoe tot 1863 de slavernij in Suriname met extreem wrede straffen werd gehandhaafd en mensen die als ‘eigendom’ werden gezien door de Nederlanders tot het uiterste werden geëxploiteerd. Nederland schafte de slavernij jaren later af dan de Fransen, Britten en Turken. Langdurige discussies over de aan de slaveneigenaren uit te keren ‘schadeloosstelling’ gingen daaraan vooraf, ook in juridische vakbladen. Daarop volgt de zware aanklacht van De Kom over dat wat na de slavernij kwam: ‘De lichamelijke pijnbanken zijn veelal door zielskwellingen, armoede en gebrek vervangen.’

Anton de Koms strijd tegen raciale achterstelling en onderdrukking eindigde niet met zijn verbanning. Hij vond aansluiting bij radicaal-linkse Nederlandse activisten en werd sympathisant – naar eigen zeggen echter geen lid – van de Communistische Partij Holland. De roes van de wereldrevolutie maakte het leiderschap van die partij ongevoelig – en schandelijk onverschillig – tegenover de massale misdrijven tegen de menselijkheid in de vermeende sovjetheilstaat. Onder de leden van de cph, later cpn, bevonden zich echter vele strijdbare idealisten, zoals de mannen die kort na het begin van de bezetting – in oktober 1940 – het blad De Vonk oprichtten. Zij streefden een brede socialistische alliantie na en keerden zich tegen rassendiscriminatie. Dat deden ze op een moment waarop te veel Nederlanders in de politieke en maatschappelijke mainstream zwabberden tussen aanpassing aan de ‘veranderde tijden’ en verzet. De Februaristaking van 1941 kwam uit diezelfde radicaal-linkse beweging voort; het was het enige massale en openlijke protest tegen de jodenvervolging in Europa.

***

De communistische en de katholieke arbeidersbeweging stonden sinds het laatste kwart van de negentiende eeuw diametraal tegenover elkaar. Dat werkte door in Suriname. De Kom beschrijft hoeveel hatelijk onbegrip hij in de bladen van de katholieke geestelijkheid in Suriname ontmoette. Pas toen het nationaal-socialisme zich als hun gemeenschappelijke aartsvijand ontpopte, werden de funeste gevolgen daarvan zichtbaar; de Duitse republiek van Weimar was mede daaraan bezweken. Deze ‘antithese’ had veel te maken met het repressieve atheïsme van de communistische beweging en met het streven van het katholieke leiderschap om de ‘organische’ eenheid van maatschappelijke verbanden, ongeacht sociale klasse, overeind te houden.

De communistische en de katholieke arbeidersbeweging waren ook daarom elkaars gezworen vijanden omdat ze de harten en geesten van dezelfde mensen in achtergestelde posities probeerden te bereiken: onder hen de fabrieksarbeiders die in slopende werkomstandigheden lange werkdagen moesten maken om hun gezinnen in leven te houden. De harde sociaal-economische realiteit bracht deze ideëel aan elkaar tegengestelde bewegingen dicht bij elkaar, maar ze bleven als vreemden tegenover elkaar staan. Het ideologische atheïsme droeg minstens zozeer de kenmerken van een vals bewustzijn als het antirevolutionaire sentiment van hun tegenstanders.

Tot dat wat deze bewegingen gemeen hadden – en tegelijkertijd fundamenteel onderscheidden van het völkisch racistische nationaal-socialisme – behoort hun universalisme. Ongeacht ras of taal komt aan iedere mens gelijkelijk een waardigheid toe die niemand mag aantasten. Waardigheid in de arbeid is een grondcategorie van het katholieke sociale denken, de afwijzing van het reduceren van iemands arbeidskracht tot handelswaar de seculier socialistische. Slavernij wil mensen tot een verhandelbaar object maken, en vernedert ze door de ontkenning van hun status als persoonlijk subject.

Ongeacht ras of taal komt aan iedere mens gelijkelijk een waardigheid toe die niemand mag aantasten

Anton de Kom moet dat hebben doorzien toen hij, opgekomen tegen de blijvende gevolgen van de slavernij, in het land van verbanning in verzet kwam tegen het nationaal-socialisme. Zo confronteren zijn leven en zijn dood als verzetsstrijder in een nazikamp ons met de vraag of en hoe de strijd tegen mensonwaardige repressie ook de onze kan worden. Is juist dit niet de vraag die we onszelf moeten stellen in dit jaar van toegenomen internationale conflicten, inhumaan geweld en vluchtelingenstromen? Of overvragen we dan de spankracht van een democratie waarin mensen toch het recht hebben zich te laten leiden door hun alledaagse zorgen en onzekerheden? Die vragen wil ik trachten te beantwoorden, geleid door een intuïtie dat in onze tijd wederom valse tegenstellingen, nu rond de werking van de rechten van de mens, zinvol handelen blokkeren.

***

Sinds het voorjaar wordt allerwegen gesproken van een vluchtelingencrisis – een crisis omdat veel grotere aantallen mensen naar deze contreien komen en asiel vragen dan in voorgaande jaren. Voor de situatie in verscheidene landen van herkomst zou het woord ‘crisis’ echter een understatement zijn. Dat geldt vooral het door een jarenlange burgeroorlog verteerde en al haast vernietigde Syrië. Van een vluchtelingencrisis kan men zeker spreken in de landen waarin de zogenaamde opvang in de regio plaatsvindt, een term die wordt gebruikt met een fikse onderschatting van de afstanden. (De weg van Damascus naar Istanbul is ongeveer zo lang als die van Amsterdam naar Barcelona.) In de Europese Unie gaat het om honderdduizenden vluchtelingen; in Libanon, Turkije en Jordanië om miljoenen.

Dat betekent beslist niet dat het hier om kleine aantallen gaat. Het beslissende verschil tussen coa-barakken in Nederland en tenten rond Beiroet is echter niet de beschikbaarheid van plastische chirurgie – dat was een misverstand, toch – maar de realiteit dat vluchtelingenkinderen hier naar school kunnen en in Libanon niet, jarenlang niet, bijvoorbeeld.

Allerwegen wordt nu gepleit voor het sluiten van de grenzen. Sommige mensen zien het feit dat er geen slagbomen meer zijn aan de binnengrenzen – ‘Schengen’ dus – als het probleem, maar eigenlijk gaat het erom of een vluchteling de buitengrenzen van de Europese Unie kan bereiken en wat er dan met hem of haar gebeurt. Nederland heeft buitengrenzen op Schiphol en in de zeehavens, en die grenzen worden behoorlijk effectief bewaakt. Wat wordt er dan wél bedoeld met het sluiten van de grenzen? De Middellandse Zee kan niet worden drooggelegd, schipbreukelingen moeten worden gered, Hongarije trekt hekken op, Bulgaarse grenswachten lossen waarschuwingsschoten, maar wel met munitie.

Ik stel die vraag niet vanuit de – naar mijn ervaring onhoudbare – opvatting dat iedereen moet worden binnengelaten. Er was tijdens de Joegoslavische burgeroorlogen alle reden om vluchtelingen uit de Balkan op te nemen. Nu zullen degenen die uit een voor hen veilig Balkanland komen, moeten worden tegengehouden of teruggestuurd. Er is op dit moment wel een andere vraag, die we ons nu moeten stellen. Dat is welk beeld wij hebben van de mensen in een land als Syrië, wanneer de gedachte opkomt dat ‘de’ crisis wordt opgelost door ze met muren en prikkeldraad van ‘ons’ te scheiden; en daarmee ook de vraag welk beeld we van onszelf hebben, als we zoiets zouden willen.

Die vragen kunnen worden gesteld als morele vragen, en het zijn ook vragen over mensen en hun rechten. Toen in 1989 de ‘muur’ tussen communistische staten en vrije democratieën was geslecht, begon een periode van haast euforische wereldwijde erkenning van universele rechten van de mens. Mijn vakgenoten zullen daarbij denken aan de grootse, idealistische Vienna Declaration on Human Rights van de Verenigde Naties van 1993. Inmiddels echter eisen steeds meer politieke leiders in naam van het volk – hun volk – het recht op een ‘eigen’ uitleg aan de rechten van de mens te geven. Dat is steevast een uitleg met minder vrijheden en meer afgedwongen uniformiteit. Hun zondebokken zijn meestal mensenrechtenactivisten of rechters die beweerdelijk ‘overvragen’, bijvoorbeeld inzake kiesrecht voor gedetineerden of openheid over homoseksualiteit. Was – zo vragen sommige critici zich af – de gedachte van universele mensenrechten dan misschien een brug te ver?

Onbegrijpelijk zijn deze kritische bewegingen zeker niet. Universaliteit is soms verward met uniformiteit van mensenrechten. Wanneer een telling wordt uitgevoerd van alle verdragsbepalingen die mensenrechten omschrijven, lijkt de codificatie daarvan inderdaad te zijn doorgeschoten. Veel van die formuleringen zijn intussen steeds weer nieuwe compromissen om de staten ruimte te geven voor uitwerking. Mensenrechten uitwerken is inderdaad hun nationale bevoegdheid, en als het werkelijk met het oog op de behoeften van de mensen in die samenleving gaat hun goed recht. Maar vaak zijn de machthebbers in die staten eerder bezig met het versterken van hun eigen positie dan met de rechten van hun burgers.

Medium rts551t

Anders dan het verhaal van de ‘clash of civilizations’ ons wil doen geloven, is er geen wereldkaart met daarin ingekleurde verschillende religies en waardenpatronen. Nog afgezien van alle verschillen tussen de VS en Europa is noch het ‘Westen’ noch het ‘Zuiden’ of het ‘Oosten’ één pot nat. Er zijn in alle continenten mensen die hun leven opvatten in vaste patronen van tijd en plaats, naast mensen die mobieler zijn en wier leven zich in verschillende episodes ontvouwt. Het verhaal van Navid Kermani, aan wie onlangs de vredesprijs van de Duitse boekhandel werd uitgereikt, over zijn reizen door de landen van onrust en crisis, gaat over al die verschillende opvattingen van plaatsen en tijden van leven. De fricties en tegenstellingen verlopen niet langs de grenzen op de kaart, maar dwars door culturen, religies, landen en steden heen.

De fricties verlopen niet langs de grenzen op de kaart, maar dwars door culturen, religies, landen en steden heen

Een gelijkgezinde, vaderlandslievende – en vooral hun leiders adorerende – bevolking is de droom van elk autoritair bewind. Daarom worden ze heden ten dage zo graag democratisch gekozen. Toch zal in de 21ste eeuw geen enkel land meer uitsluitend mensen herbergen die in eigen kringen hun leven leiden langs een vooraf uitgestippeld pad. Zeker, als mensen dat willen, is dat hun goed recht. Dat wordt door mensenrechten volop beschermd. Maar waar mensen dit te benauwd wordt en de vaste patronen van leven helemaal geen vrije keus meer zijn maar door controleurs en intimidatie worden afgedwongen, worden mensenrechten geschonden.

Mensenrechten kunnen, ik zei het al, op uiteenlopende manier worden uitgewerkt. Dat moet ook. Ze omvatten juist de mogelijkheid van verschillende levensvormen, en verschillende houdingen tegenover tijd en plaats van leven. Wanneer het vaste centrum van persoonlijke existentie een dwangbuis wordt, zoeken mensen een andere bestemming. Vaak is dat de grote stad in eigen land of de metropool in een postkoloniaal verband.

Anton de Kom kwam als balling naar Nederland, andere Surinamers kwamen veel later als vluchtelingen voor het militair bewind, maar nog veel meer omdat ze met hun kinderen een andere plaats zochten voor hun tijd van leven. Er is al decennialang een wereldwijde trek naar de steden. Daar komen steeds weer mensen aan die vaak met grote offers een nieuwe toekomst opbouwen. Ze zijn niet daarom allemaal heiligen, maar wel zijn de migranten van nu, net als de Nederlandse baggeraars in verre landen, architecten en ontwikkelingswerkers, op hun manier burgers van de 21ste eeuw.

Dit alles brengt een transformatie van de mensrechten teweeg. Het gaat niet meer enkel om de vrijheid om in de eigen kring een afwijkend religieus of politiek geluid te laten horen. Belangrijke rechten van de mens zijn ook de rechten die het mogelijk maken nieuwe levensprojecten te beginnen: de rechten van vrije arbeidskeuze, van onderwijs, van gezondheidszorg, van seksuele zelfbepaling, van migrerende werknemers. De rechten van de mens hebben vele gezichten, omdat er zoveel mensen zijn met hun eigen gezicht en zicht op de eigen existentie.

Dat is niet overal ter wereld hetzelfde, en het is al evenmin iets wat zich laat uniformeren naar gelang van staatsgrenzen, alsof welke samenleving dan ook homogeen kan zijn en blijven. De staatsburgers hebben het democratische grondrecht hierover te beslissen, mits de constitutie wordt gerespecteerd. Zonder bescherming van minderheden is een staatsbestel niet werkelijk een rechtsstaat. Het democratisch staatsbestel moet immers overal de verscheidenheid van behoeften vertalen in rechten en plichten van de burgers. Echt universeel en werkelijk fundamenteel is juist de erkenning van ieders persoonlijke waardigheid in zijn of haar concrete levenssituatie, in de staat en de rechtsorde waar hij of zij thuis is. Daarom zal het aankomen op de mogelijkheid en de bereidheid van een migrant om staatsburger te worden in het land waarin hij of zij thuis is, met de daaraan verbonden rechten en plichten. Die mogelijkheid, die bereidheid, is het democratisch scharnierpunt van mensenrechten. Daarvoor moeite te doen is evenzeer van belang voor mensen die veranderingen in hun vertrouwde Nederlandse omgeving op zich af zien komen, als voor mensen die noodgedwongen elders een nieuwe toekomst moeten opbouwen. Aanvaarden en aanvaard worden zijn twee kanten van dezelfde medaille.

***

Er is intussen iets wat ons werkelijk moet verontrusten in de gedachte dat grenzen moeten worden gesloten, om de samenleving homogeen te houden. Zo’n gedachte als quasi-‘oplossing’ van de migratiecrisis verraadt dat mentale grenzen al lang zijn gesloten. Soms wordt daaraan gerammeld, bijvoorbeeld door de aanblik van Aylan, de peuter met net zo’n rood truitje en blauwe broek als ons neefje of buurjongetje, of kleinkind, op het strand van Bodrum. Had die foto dezelfde schok der herkenning opgeleverd als het een donker gekleurd manneke in een kleine djellaba was geweest?

De toespraak die Navid Kermani in de Paulskirche hield, was een hartgrondige aanklacht tegen de regimes in de Arabische wereld die de vrijheid van hun eigen burgers breidelen, en óók tegen de Europese politici, die het al jarenlang in feite koud laat wat de regimes in Syrië en in Saoedi-Arabië aanrichten. In hun hoofden zijn, reeds voordat de gedachte van aangescherpte grensbewaking opkwam, grenzen getrokken tussen haves en have nots van rechten van de mens. Soms wordt dat gepresenteerd als ‘realisme’, soms als cultureel relativisme, maar vanuit het standpunt van de mensen in de Levant van allerlei culturen en geloofsovertuigingen komt het neer op een ontkenning van hun gelijkwaardigheid als mens en het ontnemen van perspectieven op een leven in waardigheid.

Het kernbegrip van het denken over de rechten van de mens is juist de notie van een onvervreemdbare, aan iedere persoon zonder onderscheid eigen waardigheid. Men vindt het in artikel 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en in artikel 1 van het veel recentere Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Dat hoeft helemaal niet te betekenen dat iedereen er hetzelfde onder verstaat. Maar de gedachte dat het een typisch product van westerse cultuur is dat elders geen ‘geldigheid’ heeft, is faliekant onjuist. De verschillen in interpretatie bevestigen juist dat het gaat om een voor ieder mens relevant en herkenbaar ijkpunt. Wat het betekent wanneer die waardigheid wordt ontkend is, onder welke bewoordingen dan ook, manifest voor de slachtoffers van de Khmer Rouge evenzeer als voor het meisje dat is ingepalmd door een pooierboy in Nederland of een op valse getuigenis veroordeelde Amerikaan op death row.

En ook historisch is de notie van menselijke waardigheid niet exclusief voorbehouden aan auteurs die in een Europese taal schrijven; het werk van Hans Joas en recentelijk het grote Oxford Handbook on Human Dignity laten dat zien, met verwijzingen naar de bronnen in velerlei religies en culturen, en Mahmoud Bassiouni analyseert de rol die menselijke waardigheid speelt in de veelheid van opvattingen over rechten van de mens en islam. De verbindende factor van menselijke behoeften verklaart zowel de verscheidenheid als de universaliteit van rechten van de mens.

Het universeel menswaardige is het onuitputtelijk vermogen van mensen tot verscheiden­heid

Vele wegen leiden naar de erkenning van menselijke waardigheid. Overal – ook hier – is er een gedifferentieerd begrip daarvan onder de mensen om wier rechten het gaat, omdat in de 21ste eeuw ongelijktijdigheden zich manifesteren in niet naar tijd en plaats homogene levenswijzen en opvattingen. Waar mensen niet eens meer de kans krijgen daaraan te werken, gaan ze op zoek naar een andere ruimte – waarmee ze ook zichzelf herdefiniëren, echter niet als kloon van ‘de Hollander’ (als we ons daarbij iets zouden mogen voorstellen). Het universeel menswaardige is het onuitputtelijk vermogen van mensen tot verscheidenheid. Dat zien we niet enkel in een met afweerrechten verschanste eigenheid, maar nog veel meer in de levensprojecten die door de rechten van de mens worden beschermd.

***

Anton de Kom had niet om zijn verbanning gevraagd, maar wat zijn leven in ballingschap zo bijzonder maakte was dat het niet alleen maar afwezigheid van Suriname inhield. Het was ook aanwezigheid in Nederland en in de strijd op leven en dood die zich in Europa afspeelde. Een van de opmerkelijke facetten van zijn persoonlijkheid was dat zijn waardenoriëntatie betekenisvol bleef, terwijl zijn leven zich zo duidelijk ontwikkelde in veranderlijke netwerken, op noodgedwongen veranderlijke plaatsen. Zijn adhesie voor de communistische beweging kan zijn eigen kijk op de rechten van de persoon hebben gekleurd, maar in de directe confrontatie met gewelddadig onrecht wist hij wat hem te doen stond.

Zo liet hij iets zien van een echte universaliteit die de regionale en culturele diversiteit niet ontkent. Wat hij zag – en wat wij kijkend door zijn ogen zien, maar ook zelf moeten inzien – is dat dwars door alle verschillen in plaats heen mensen nooit tot een ding, een object ter bevrediging van de exploitatieve verlangens van anderen mogen worden gemaakt. Mensen kunnen en mogen hun plaats en tijd van leven op verschillende wijzen opvatten en proberen te realiseren; het zijn altijd zijzelf die daaraan vorm en inhoud geven.

Het reduceren van medemensen tot objecten van exploitatie en vernietiging was een kenmerk van het nationaal-socialisme dat zijn voorlopers had. De historicus Mark Mazower heeft erop gewezen dat het verdelen van de mensheid in onderworpenen en heersers ook een kenmerk van kolonialisme en slavernij was. En ook in de psychologie van het kwaad – een onderwerp waarover de forensisch psychiater en dichter Antoine de Kom, kleinzoon van Anton de Kom, schrijft – is er een beangstigende geestverwantschap: ‘Dat fascisme maakt deel uit van het fundamentele menselijke kwaad. Mensen zijn in staat tot verwerpelijke, schadelijke keuzes en sommigen maken daar een gewoonte van, een weg die uiteindelijk naar de afgrond voert.’

De erkenning van de ander als subject in zijn of haar waardigheid duldt geen uitsluiting. Daarin ligt de veronachtzaamde betekenis van een op sociaal-economische ontwikkeling gericht internationaal beleid. Het is ook een kenmerk van een kijk op medemensen die de ander tot een ‘ding’ reduceert, slechts van betekenis wegens zijn productief vermogen, als verlener van seksuele ‘diensten’ of als pion die in een gewapende strijd wordt geofferd in ruil voor een valse belofte van geneugten na de dood.

Het relativeren van rechten van de mens blijkt – na de koloniale uitbuiting – een nieuwe manier om de gretigheid naar natuurlijke hulpbronnen en goedkope arbeidskrachten ongebreideld ruimte te geven. Als we echter achterstelling en verdrukking proberen te zien door de ogen van de ander kunnen we de verschillen in omstandigheden niet negeren. Wat onverkort blijft, is de plicht aan ieder mens recht te doen.

Rechten van de mens worden gearticuleerd vanuit levensverwachtingen die uiteen kunnen lopen. Dat is hun universaliteit zonder uniformiteit. Politiek leiderschap bewijst zijn kracht niet door de adhesie vanuit een deel van de samenleving – eenzijdigheid is de weg van de minste weerstand – maar door verbindingen te zoeken, voorbeelden te stellen en gezamenlijk begaanbare wegen uit te zetten.

Voor zulke nieuwe wegen zijn ontmoetingen nodig, en plaatsen waar blijkt dat mensen zelf meer dimensies hebben. Anton de Kom ontmoette meer mensen, en meer levenssituaties – tot de dood aan toe – dan waar hij om had gevraagd. Maar hij ging de taken niet uit de weg die in de ontmoeting met andere mensen opdoemen. Onze wereld kan niet worden afgebeeld in een per land monochroom ingekleurde kaart, maar is een netwerk van steden waarin mensen elkaar tegenkomen. Amsterdam en Paramaribo zijn maar enkele van die vele multi-etnische broedplaatsen van nieuwe gedachten.

Ernst Hirsch Ballin is hoogleraar rechten van de mens aan de UvA en president van het Asser Instituut voor Europees en internationaal recht.

De Anton de Kom-lezing wordt georganiseerd door het Verzetsmuseum Amsterdam en dagblad Trouw. Het complete essay van Hirsch Ballin verschijnt in het voorjaar van 2016 bij Querido in zijn bundel Tegen de stroom, over mensen en ideeën die hoop geven in benarde tijden.


Beeld: (1) Migranten worden geëscorteerd naar een registratiecentrum na het passeren van de Oostenrijks-Duitse grens in Wegscheid bij Passau, Duitsland, 20 oktober. Foto Michael Dalder / Reuters; (2) 19 oktober, Kroatië. Foto Antonio Bronic / Reuters.