De Palestijnse lobby

Tegen de stroom in

Decennialang kreeg de Palestijnse lobby nauwelijks voet aan de grond. Maar ondanks de capriolen van G. Duisenberg zijn inmiddels veel Nederlanders ervan overtuigd dat het Palestijnse volk groot onrecht wordt gedaan. Toch rept geen grote politieke partij van de kwestie.

Sinds een Amsterdamse vrouw in vrijetijds-haute couture op de voet gevolgd door een haag van camera’s de leefomstandigheden in de bezette gebieden in Israël aanschouwt, wordt de Palestijnse kwestie dagelijks breed uitgemeten in de Nederlandse media. Ongeveer de helft van de Nederlanders blijkt zich achter de uitgangspunten van de initiatiefgroep Stop de Bezetting te scharen. Enkele tienduizenden hebben een petitie ondertekend, waaronder prominente schrijvers, kunstenaars en politici als Dries van Agt, Jan Pronk, Jeltje van Nieuwenhoven, Relus ter Beek en Margreeth de Boer. Voorheen bleef een lobby voor het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen altijd beperkt tot een kleine groep en drong ze niet door tot Haagse kringen. Zo riep het Palestina Komitee altijd meer verontwaardiging op dan bijval.

In andere Europese landen kan de Palestijnse zaak wél al jarenlang rekenen op brede steun onder de bevolking en zelfs delen van de geves tigde politiek. Daar lokt de huidige Israëlische regering soms zelfs dezelfde verontwaardiging uit als destijds de apartheid in Zuid-Afrika. In België bestaat een breed gedragen Palestina-platform en in Londen ging een kwart miljoen mensen de straat op om steun te betuigen aan een onafhankelijke Palestijnse staat. In andere Europese landen heeft de PLO een bloeiende vertegenwoordiging met invloed in media en politiek. Niet voor niets weigert Israël bemid delingspogingen van de EU, die het «bevooroordeeld» noemt. Alleen in Nederland (en uiteraard Duitsland) is een effectieve Palestijnse lobby nooit van de grond gekomen. Dat heeft ongetwijfeld te maken met onze eigen geschiedenis. Nederland kent het hoogste percentage gedeporteerde en vermoorde joden van Europa. De schaamte over de ijver waarmee «wij» de Duitse bezetter hielpen met de systematische vernietiging van «Untermenschen» kleurt onze naoorlogse houding ten aanzien van alles wat met Israël te maken heeft.

Om die reden lopen de media aan de leiband van de Israëlische propaganda, aldus een groep Marokkaans-Nederlandse jongeren die in september vorig jaar een tegenlobby startten. Op internet ging een website met de naam freepalestina.nl de lucht in. De onderkop: «Een Ander Palestijns Geluid». Het discussieforum van de site draaide echter snel uit op een mislukking. De makers hoopten voorstanders van een onafhankelijke Palestijnse staat te wapenen door ze in contact te brengen met andersdenkenden, maar die bleken te groot in aantal. De pro-Israëlische krachten overspoelden het forum met harde en dikwijls lompe mailtjes, waardoor voor velen de lol er al snel vanaf was.

Het Nederlands Palestina Komitee, opgericht in 1969, heeft haar marginale positie vooral aan zichzelf te danken. Het Komitee was in de jaren zeventig en tachtig op een zelfde manier als elk ander actiecomité (Vietnam, Nicaragua, Zuid-Afrika, Angola) in die tijd exponent van de gepolitiseerde samen leving. «We steunden een bevrijdingsbeweging tegenover een door Amerika gesteunde kolonisatiepolitiek. We waren links, antikoloniaal, sterk ideologisch. We waren gericht op buitenparlementaire acties en niet op het masseren van de gevestigde orde. Een gerichte lobby voeren om je doel te bereiken, deden we niet.» Het is een exemplarische mening van een van de oud-activisten van het Komitee.

Maar terwijl andere actiegroepen wel grote successen wisten te boeken en soms uitgroeiden tot goed geoliede, semi-professionele politieke bewegingen, met de anti-apartheidsbeweging als beste voorbeeld, reikten de bezigheden van de pleitbezorgers aan de Amsterdamse Lauriergracht nauwelijks verder dan een kleine kring van diehards. Het Komitee bleek ook minder subtiel dan de concurrent van het andere standpunt, het Cidi, wat jarenlang fraai werd geïllustreerd door een bordje aan de muur op de burelen van het Palestina Komitee, met de tekst: «Wie koopt er een tweedehands auto van Ronny Naftaniel?»

«We konden nooit op tegen de blinde vlek in ons land voor Israël en tegen de macht van het door Israël opgezette Centrum voor Informatie en Documentatie Israël. Vanaf haar oprichting heeft Israël heel slim ingezet op beïnvloeding van de media en de partijpolitiek in de landen die ertoe doen. Israël speelt voortdurend de slachtofferrol, en de Nederlanders slaan zich hypocriet op de borst als de grootste vrienden van het Israëlische volk.» Aldus een activist van het eerste uur. Allemaal delen ze de ervaring dat kritiek op Israël bij voortduring wordt aangezien voor antisemitisme.

Een van de vroegere activisten, theoloog en islamoloog Kees Wagtendonk, «ontdekte» de Palestijnen op een reis die hij in 1958 door het Midden-Oosten maakte op een motorfiets. «In Nederland hoorde je nooit over al die in 1948 verdreven Palestijnen. De publieke opinie stond lange tijd onverdeeld positief tegenover Israël. Dat veranderde wel, onder meer in 1973, toen de prijs van de vriendschap met de joodse staat werd betaald met een olieboycot. Maar dat betekende niet dat wij konden rekenen op brede steun. Er stond te veel tegenover: vliegtuigkapingen en gijzelingen. We pleitten voor terugkeer van alle Palestijnse vluchtelingen en voor Israël als seculiere, democratische staat. Vooral dat laatste werd als onoverkomelijk gezien, omdat Israël dan ophoudt een joodse staat te zijn. Een joodse staat betekent echter discriminatie van de niet-joodse Arabische bevolking. Kijk bijvoorbeeld maar naar de Israëlische grondpolitiek. Nadat eerst hun grond grotendeels onteigend is, kunnen vervolgens Arabieren in Israël geen joodse grond kopen om zelfs maar een huis op te bouwen. Na de Oslo-akkoorden is onze positie duidelijk verzwakt. Men dacht dat de vrede nabij was. Sinds de tweede intifada trekt de boel weer aan. Maar er is in Nederland geen landencomité geweest dat zo tegen de stroom in heeft moeten roeien als wij.»

In een klein kantoortje en met een handjevol vrijwilligers heeft het Komitee het altijd moeten stellen met incidentele particuliere giften en abonnementsgeld van de Nieuwsbrief Palesti na, de voorganger van Soemoed. In tegenstelling tot Angola- of Nicaragua-Komitees ontving het Palestina Komitee nooit subsidie en kreeg zelfs lange tijd een collecteverbod opgelegd. Een inzameling voor de Palestijnse Rode Halve Maan (Rode Kruis) werd in Amsterdam tot tweemaal toe verboden.

Volgens Benji de Levie, sinds enkele jaren bestuurslid van de afdeling Rotterdam, is het Palestijnse onderwerp door de historische beladenheid nooit normaal bespreekbaar geweest. Wilden de Arabieren in het Midden-Oosten nooit meedoen aan een symposium of een conferentie waarbij ook een Israëliër aanwezig was, in Nederland was het andersom, en wilden pro-Israëlische Nederlandse joden zelden rond de tafel met Palestijnen of Nederlanders die een Palestijnse staat voorstonden. De Levie: «Het Palestina Komitee erkende vanaf de oprichting het bestaan van de staat Israël en stelde dat er sprake was van ‹een tragisch conflict van recht tegen recht›. Zelfs voor deze relatief milde standpunten was de wereld in de jaren zestig te klein. Mensen werden door hun werkgever of omgeving vaak gedwongen hun relatie met ons te verbreken, vooral in protestants-christelijke kring. Ondertussen kun je wel degelijk stellen dat 35 jaar bezetting van de Palestijnen erger is dan de vijf jaar Duitse bezetting voor de gewone Nederlandse burgers. Maar al die tijd is er geen politieke partij geweest die de vingers wilde branden aan dit onderwerp, op de PSP na. De CPN deed moeilijk vanwege het eigen verzetsverleden.»

Een verzwarende omstandigheid was ook de klassenanalyse die links Nederlands hanteerde, meent De Levie: «In de Arabische wereld heerste een feodale gemeenschap. In Israël was de arbeidersklasse een macht van betekenis. Men was niet in staat om met andere ogen naar het land te kijken, bijvoorbeeld met mensenrechten als maatstaf.» Wagtendonk noemt als moeilijkheid voor eventuele identificatie dat het uiteindelijk voor velen om de verdrukking van moslims gaat: «Vanaf het begin is gesuggereerd dat we anti-joods zouden zijn.»

Al die jaren trachtte de kleine groep van enkele honderden actieve leden «solidariteit te creëren met het Palestijnse volk», wat nog altijd de hoofddoelstelling is van het Komitee. Maar de methode lijkt weinig effectief. Sinds twee jaar delen leden van het Komitee voor supermarkten folders uit met daarin een oproep Israëlische producten te boycotten, teneinde de mensen bewust te maken en de politiek te bewegen via de EU druk op Israël uit te oefenen. Achteraf zegt Wagtendonk dat ze indertijd misschien beter de gevestigde partijpolitiek hadden moeten zien te bereiken. «Maar ja, er was geen partij te vinden die de vingers eraan wilde branden.»

Alhoewel er altijd al enkele links-kritische Marokkanen actief zijn binnen de gelederen ligt het toekomstig potentieel van het Komitee mogelijk binnen de Marokkaanse gemeenschap, zo bevestigt Wagtendonk. Een week voor de grote demonstratie in Amsterdam vorig jaar april, die ontaardde in vernielingen en agressie tegen joden en homo’s, ronselde het Komitee met opvallend gemak duizenden demonstranten in enkele moskeeën in Rotterdam. De Levie: «Het zou een makkelijke weg voor ons zijn om daar meer aanhangers te winnen. Maar uiteindelijk zal dat in de toekomst toch botsen met ons streven naar een seculiere democratische samenleving.»

Paul de Waart, emeritus hoogleraar volkenrecht, ziet al langer een omslag in de publieke opinie in Nederland: «En dat is niet de verdienste van het Palestina Komitee of van mevrouw Duisenberg, maar alleen van Israëls beleid zelf.» Het begon met het bloedbad in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila in Libanon in 1982. De Israëlische reactie op de eerste intifada hielp zeker ook mee.

Maar de oude struikelblokken zijn niet verdwenen. Net als de anderen wijst De Waart op de invloed van het Cidi, ons eigen holocausttrauma, de media die beantwoorden aan het beeld van de lezers, en de onvoorwaardelijke steun van de kerken die zich verbonden voelen met het joodse volk: «Nederland neemt een unieke positie in binnen Europa. In diplomatieke kringen wordt altijd gezegd dat als Nederland helemaal om zou gaan, dat grote invloed zou hebben op Israël. Het wordt als een bevrijding beschouwd om kritisch te zijn tegenover Israël. Maar toch durft nog steeds niemand van de grote partijen werkelijk de handen te branden aan koud water. Kijk maar naar de verkiezingsprogramma’s. Daarin wordt, behalve bij GroenLinks, met geen woord gerept over dit heikele thema.»