Tegen de transnationale hebzucht

ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, zo stelde ik in 1992, kan in dit decennium niet goed van de grond komen. Op het moment dat ik deze conclusie trok, laaiden overal ter wereld bloedige conflicten op, greep de instorting van de natie-staat om zich heen en bleek de internationale gemeenschap geen antwoord te hebben. Er kon pas weer een solide basis voor ontwikkelingssamenwerking zijn, zo voorzag ik toen, als er een werkbare strategie was om conflicten op te lossen en er nieuwe publieke organen zouden zijn die vrede en ontwikkeling konden integreren. In de jaren negentig, gekenmerkt door de overgang van autoritaire naar democratische regimes en van het dichotome Koude-Oorlogsdenken naar nieuwe internationale constellaties, zou ontwikkelingssamenwerking niet meer dan een doekje voor het bloeden kunnen zijn.

Ik was dus behoorlijk pessimistisch. In zekere zin terecht. Hoewel na 1992 sommige conflicten tot een einde kwamen (Zuid-Afrika, Mozambique, Mali, Guatemala), waren er ook talrijke nieuwe of opnieuw oplaaiende brandhaarden (Sudan, Afghanistan, Rwanda, Algerije, Srilanka, Sierra Leone, Kenya). Binnen staten doen zich momenteel meer gewelddadige conflicten voor dan tijdens de Koude Oorlog en het gevaar voor toename ervan is reëel. Bovendien komen deze conflicten slechts sporadisch terecht op de internationale agenda, en als dat wel gebeurt, zit de internationale gemeenschap met de handen in het haar. Meestal reageert zij verdeeld, waarop verlamming volgt. En toont zij wel daadkracht, dan slaagt ze er niet in een neutrale scheidsrechter te zijn maar wordt ze soms zelf partij. Mijn pessimisme over het voortwoekeren van conflicten is achteraf gezien dus gerechtvaardigd.
Maar op een ander punt ben ik bij nader inzien al te somber geweest. Vijf jaar geleden vreesde ik dat er geen sprake zou zijn van economische en sociale ontwikkeling. Dat is onjuist gebleken. De macro-economische groei is de afgelopen tien jaar aanzienlijk geweest. De levensverwachting van de wereldbevolking is gestegen, de voedselzekerheid is verbeterd, en er is vooruitgang geboekt bij de bestrijding van analfabetisme. Niettemin is het aantal mensen dat in absolute armoede leeft gestegen tot ongeveer 1,5 miljard. De meeste landen blijken beter in staat te zijn de economische groei te stimuleren dan de welvaart rechtvaardig te verdelen. De rijkste twintig procent van de wereldbevolking had in 1960 een inkomen dat dertig keer zo hoog was als dat van de armste twintig procent; in 1997 is die wanverhouding verscherpt tot tachtig keer zo hoog. Macro-economische groei blijft dus hand in hand gaan met grove sociale misstanden.
Maar de groei is er. Dat uit zich ook in de toename van de wereldhandel, die nu al twee keer zo groot is als aan het begin van dit decennium. De internationale investeringen tonen een nog indrukwekkender groei: een vervijfvoudiging in de afgelopen tien jaar. En zowel in handel als in investeringen neemt het aandeel van de ontwikkelingslanden snel toe.Ook de internationale economische samenwerking heeft zich uitgebreid. Handelsbarrières zijn weggehaald en er zijn nieuwe regionale vrijhandelszones gekomen. Het kapitaalverkeer wordt steeds verder geliberaliseerd en er is een initiatief voor schuldkwijtschelding voor de armste landen, zodat ook zij aan de wereldeconomie kunnen deelnemen. Al deze afspraken hebben een gemeenschappelijk kenmerk: ze vinden hun inspiratie in de gedachte dat de werking van de vrije markt leidt tot internationale economische ontwikkeling.
ZO GERING ALS de voortgang is geweest in de internationale samenwerking op terreinen als armoedebestrijding, conflictpreventie, klimaatverandering, verwoestijning, waterbeheer of migratie, zo succesvol zijn de pogingen verlopen om faciliteiten te scheppen voor een wereldomspannende vrije markt. De jaren negentig hebben de doorbraak van de globalisering te zien gegeven.
Ik deins er niet voor terug die globalisering een revolutie te noemen, die, net als alle andere revoluties, onomkeerbaar en onbeheersbaar is en hele samenlevingen verandert. De technologische vooruitgang die daaraan ten grondslag ligt, stelt ons in staat met iedereen overal op elk tijdstip te communiceren. De informatie- en communicatietechnologie bevordert de mondiale economische interdependentie en brengt fundamentele veranderingen teweeg in onze economie en onze manier van leven.
Vooral de financiële markten hebben geprofiteerd van het gedereguleerde en ongecontroleerde monetaire klimaat dat de afgelopen jaren is geschapen. Het aantal valutatransacties is wereldwijd verdrievoudigd tussen 1986 en 1992 en zolang er enorme winsten te behalen zijn, zullen deze transacties blijven toenemen. Maar die dolgedraaide activiteiten zijn wel gevaarlijk, want ze dragen het zaad in zich van economische instabiliteit. De recente geschiedenis toont daarvan volop voorbeelden. In 1982 konden Argentinië, Brazilië en Mexico hun schulden aan buitenlandse banken niet meer voldoen. Tien jaar later was de omvang van de buitenlandse schuld van alle ontwikkelingslanden verdubbeld. In 1989 stortte de ‘luchtbel-economie’ van Japan in. In 1992 moesten het Britse pond en de Italiaanse lire devalueren. Het jaar daarop was het de beurt aan de Franse franc en andere Europese valuta. In 1995 stortte Mexico’s financiële positie opnieuw in. (Ironisch genoeg moest in al deze gevallen overheidsingrijpen de ramp keren. Ironisch, omdat 'overheidsingrijpen’ een vloek is onder de voorstanders van de vrije wereldeconomie.)
DE HUIDIGE PLOTSELINGE instabiliteit in de economieën van Zuidoost-Azië heeft het debat over de voors en tegens van de globalisering nieuw leven ingeblazen. Deels komt de instabiliteit voor rekening van die landen zelf, doordat zij speculatie, onbeheerste kredietverlening, improductieve investeringen, ongedisciplineerd monetair beleid, inadequaat fiscaal beleid en overgewaardeerde valuta toestonden. Maar de instabiliteit is zeker ook gevoed door reacties van de internationale markten, waar gewetenloze speculanten, ongehinderd door gedragsregels of professionele en ethische normen, hun gang konden gaan.
Ik ga niet zo ver als de Maleisische premier Mohamed Mahathir, die buitenlandse machten beticht van een complot: eerst zouden zij de Aziatische landen gedwongen hebben hun markten open te stellen om vervolgens hun valuta zodanig te manipuleren dat ze als concurrent uitgeschakeld zijn. Niettemin is er alle reden om de financiële markten te beschouwen als onberekenbaar, willekeurig en zelfs gemanipuleerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel ontwikkelingslanden proberen de druk te weerstaan om hun markten verder open te stellen.
Die druk is er. Zo houden de Verenigde Staten momenteel China voor dat de economie verder geliberaliseerd moet worden wil dit land lid kunnen worden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).
Voorstanders van de globalisering willen dat de markten openstaan voor buitenlandse banken, verzekeringsmaatschappijen en andere 'geldbeheerders’. Ze zijn de overtuiging toegedaan dat deelname van ontwikkelingslanden zal leiden tot een uniform en doorzichtig raamwerk, toenemende investeringsstromen en minder wispelturigheid in opkomende markten. Marktliberalisatie, zo stellen zij, zal na een korte overgangsperiode slechts zegeningen brengen, zowel voor de nationale economie als voor de kleine man. Ontwikkelingslanden die met het Internationale Monetaire Fonds en de WTO in zee gaan, worden met zachte dwang de open, geïntegreerde wereldeconomie in geduwd. Hoe meer men zich plooit naar de eisen van de wereldeconomie, hoe groter de beloning van de internationale financiële wereld.
DE VRAAG IS ECHTER of ontwikkelingslanden hierbij gebaat zijn. Economisch zwakkere landen vrezen dat ze een makkelijk doelwit zijn voor internationale financiële speculaties, vooral omdat de spelregels nog altijd uit de kokers van de G7 (de rijke, geïndustrialiseerde landen) komen en niet zijn ingegeven door het streven om nationale economieën of armen en werklozen te beschermen. Banken en andere financiële instellingen kennen geen andere gedragscode dan 'graaien naar het grote geld’ en geen andere spelregels dan 'zorg dat je je zaakjes voor elkaar hebt’.
Nu is dat laatste natuurlijk altijd aan te bevelen. Maar de 'zaakjes’ slaan steevast op bestrijding van het overheidstekort of van de inflatie, en helaas nooit op een evenwichtige verdeling van de welvaart. Terwijl die toch nodig is om naties niet alleen economisch maar ook sociaal, politiek en humanitair te laten overleven.
Laten we ervan uitgaan dat globalisering onvermijdelijk is, evenals het onvoorspelbare karakter ervan. Is ons voorland dan uitsluitend dat de begeerte naar geld regeert, dat de ongelijkheid in en tussen landen toeneemt, dat er steeds grotere aanslagen op het milieu worden gepleegd, en dat dus het risico van conflicten alleen maar groter wordt? Of kunnen we ervoor zorgen dat de globalisering van de economie ook werkt ten gunste van sociale ontwikkeling, van werkgelegenheid, van armoedebestrijding en van behoud van het milieu? Mijns inziens is het wel degelijk mogelijk de globalisering te 'humaniseren’. Maar dan moeten er wel enkele andere uitgangspunten gelden dan de huidige.
In de eerste plaats moeten bestaande of nieuwe internationale organisaties de bevoegdheden krijgen om een tegenwicht te bieden tegen multinationale bedrijven en megabanken. Zij moeten een raamwerk van regels, richtlijnen en gedragscodes ontwerpen waar zowel regeringen als bedrijven zich aan te houden hebben. Regeringen die het slachtoffer dreigen te worden van machten die buiten hun territoriale controle liggen, moeten steun kunnen halen bij deze internationale organisaties.
De huidige trend van verzwakking van de Verenigde Naties zal dus gekeerd moeten worden. Radicale hervormingen moeten de VN in staat stellen de uitdaging van de mondiale markt in de eenentwintigste eeuw aan te gaan. Die uitdaging is tweeërlei: instabiliteit en conflicten in landen tegengaan, en excessieve grensoverschrijdende private economische macht indammen. Ook het mandaat van multinationale instellingen zoals WTO, IMF, Wereldbank en Europese Commissie zal zodanig moeten veranderen dat deze organen niet uitsluitend faciliteiten scheppen voor de globalisering, maar deze ook reguleren en controleren. Faciliteren alleen, zoals dat nu gebeurt, is te passief en verzwakt de publieke verantwoordelijkheid. Niet dat de globalisering te plannen valt. Dat zou een te ambitieus streven zijn. Maar er is een publieke plicht om het proces te sturen, om een tegenwicht te bieden aan winstmaximalisatie en een stem te geven aan de mensen die buitengesloten of onder de voet gelopen worden.
Een tweede uitgangspunt is dat er een internationale overeenkomst tussen regeringen komt over geleidelijke integratie van nationale economieën in de wereldeconomie. Een geleidelijke overgang maakt immers minder slachtoffers dan een bruuske. De nieuwe internationale organisaties moeten erop toezien dat die overeenkomst wordt nageleefd. Zij kunnen heldere voorwaarden en tijdschema’s opstellen, die niet gedicteerd zijn door een horde hebzuchtige handelaren maar door autoriteiten die een publieke verantwoordelijkheid hebben voor duurzame economische groei, sociale cohesie, rechtvaardige verdeling van de welvaart en behoud van het milieu voor toekomstige generaties.
Het derde uitgangspunt is dat landen die integreren in de wereldeconomie sterkere maatschappelijke organisaties nodig hebben. De civil society kan aandringen op wetten, procedures en instellingen die de mensenrechten beschermen, kan democratisering en pluriformiteit bepleiten, kan burgers stimuleren hun belangen naar voren te brengen zonder dat dit ernstige repercussies heeft. En dat alles is noodzakelijk om te voorkomen dat de globalisering het hoogtepunt van puur kapitalisme wordt. In plaats daarvan zou het een proces moeten zijn dat in het belang is van iedereen, ook van hen die hun identiteit en waardigheid ontlenen aan een ander gedachtengoed dan dat van de consumptie. Ik wil dit derde uitgangspunt met klem naar voren schuiven als een dimensie die de globalisering kan 'humaniseren’, een ontwikkelingsgericht karakter kan geven.
TOT NU TOE LIJKT de internationale financiële gemeenschap zich te laten leiden door blinde hebzucht. Hoe valt anders te verklaren dat landen wel met de zweep de mondiale economie in worden gejaagd, maar dat diezelfde zweep in de kast blijft hangen als het erop aankomt respect voor de mensenrechten af te dwingen? En hoe valt anders te verklaren dat het IMF onlangs Algerije complimenteerde met zijn voorbeeldige economische hervormingen en de regering beloonde met verlenging van financiële steun, terwijl in dat land week in week uit, maand na maand, honderden mensen de strot wordt doorgesneden? De Algerijnse regering beschuldigt de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van inmenging in binnenlandse aangelegenheden als zij de aandacht durft te vestigen op de slachtingen onder onschuldige mensen. Maar intussen applaudisseert de wereldeconomie. Geld maakt mensen blind, geld legt het zwijgen op, geld moordt.
De Maleisische premier Mahathir drukte zich ongenuanceerd uit over de valutahandel, maar hij raakte een gevoelig punt: geld moet geen doel op zich zijn, geld moet de uitwisseling van goederen en diensten mogelijk maken teneinde het welzijn van mensen te vergroten. Een systeem dat geld plaatst boven welzijn, oftewel boven het recht op werk, voedsel, educatie, onderdak en gezondheidszorg, is immoreel. Als er één waarde is waaraan niet getornd mag worden, is het wel de vrijheid. En dan bedoel ik uiteraard niet de vrijheid van kapitaalverkeer, maar de vrijheid van ieder individu om ideeën uit te wisselen.
Er zijn landen die verleid of gedwongen worden te integreren in de wereldeconomie, maar die systematisch hun burgers van hun menselijke waardigheid beroven. Nigeria: omwille van de politieke en militaire stabiliteit krijgen minderheidsgroepen die protesteren tegen de ecologische vernietiging van hun leefomgeving te maken met keiharde afstraffing door veiligheidstroepen. Birma, Kenya, China, Indonesië: wie zich uitspreekt voor democratisering belandt in het cachot, wordt geïntimideerd en gemuilkorfd. Waarom zou je niet bij de toegangsdeur naar de mondiale markt ook naar een bewijs van goed gedrag op het gebied van vrijheid mogen vragen? Waarom vertrouwen we eigenlijk regeringen op de mondiale markt die niet eens hun eigen burgers vertrouwen?
DIT IS MIJN AGENDA voor een humanisering van de globalisering: spelregels maken voor een geleidelijke integratie van landen in de wereldeconomie; internationale publieke organisaties oprichten of versterken als tegenwicht tegen transnationale economische belangen; de internationale gemeenschap instrumenten geven om de niet-economische dimensies van de wereldmarkt (zoals milieubescherming, armoedebestrijding of conflictpreventie) effectief ter hand te kunnen nemen; en versterking van maatschappelijke bewegingen om democratie, pluriformiteit en mensenrechten te waarborgen.
De wereld kent nu nog een immense verscheidenheid aan volkeren, samenlevingen, geloven, tradities, talen en culturen. Globalisering draagt het gevaar in zich dat deze diversiteit geannexeerd wordt door de westerse technologische en economische monocultuur. Een culturele uniformiteit die eerder uitloopt op kolonisering dan op bevrijding. Als dat het effect is van de globalisering, is dat niet alleen het tegenovergestelde van vooruitgang, maar tevens een broedplaats voor onvrede en verzet. Er doemen problemen op die naar mijn idee uitsluitend te overwinnen zijn door wederzijds respect en door het globaliseringsproces te trekken binnen het domein van de publieke besluitvorming.