Hoofdcommentaar

Tegen de vergetelheid

In de aanloop naar het referendum over de Europese grondwet in juni 2005 bepleitte minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken «meer historisch besef» bij het Nederlandse volk: «Mensen moeten gebeurtenissen in hun historische context weten te plaatsen. Leer die feiten nou even uit je kop.» Zijn pleidooi was niet belangeloos. Burgers die bereid waren «even stil te staan» bij de Europese verdeeldheid in het Interbellum, de economische crisis van de jaren dertig en de verwoestende gevolgen van de Tweede Wereldoorlog zouden eerder geneigd zijn voor de grondwet te stemmen. «Wees blij dat onze euro sterk is en dat we niet meer bang hoeven te zijn voor hyperinflatie waardoor ons geld plotseling niets meer waard blijkt te zijn», aldus Bot. Tegenstander Jan Marijnissen wierp op zijn weblog onmiddellijk zijn eigen versie van de Europese geschiedenis in de strijd. De Europese superstaat waarvoor Bot pleitte, was volgens de SP-leider strijdig met een andere les van de geschiedenis: «Er is een groot verschil tussen samenwerken van landen en het overdragen van soevereiniteit naar een Europese superstaat. Zonder Europese superstaat werken we al zestig jaar samen, tot wederzijds voordeel. Dat is wat de geschiedenis mij leert. En leren de mislukkingen van Joegoslavië en de Sovjet-Unie ons niet dat ‹big is beautiful› gevaarlijk kan zijn?» Het minidebatje was al weer voorbij voordat het goed en wel kon beginnen. Op de lessen van de Europese geschiedenis zat kennelijk niemand te wachten. Dat is jammer. De standpunten van beide heren zijn leerzaam, zij het op een andere manier dan ze zelf wellicht dachten. Ze illustreren hoezeer geschiedschrijving het product is van de geschiedschrijver en van zijn tijd. Bot groeide op in een Japans gevangenkamp in Nederlands-Indië: vandaar zijn preoccupatie met een tijd waarin Europa allesbehalve verenigd was. Marijnissen stond een paar decennia geleden nog sympathiek tegenover het China van Mao: vandaar zijn neiging de «mislukking» van genoemde staten te wijten aan hun omvang en niet aan hun politieke regime. Tegenwoordig brengt elke nieuwe dag in politiek en media wel een «historisch moment», zodat het woord «historisch» langzamerhand iedere betekenis kwijt is. Intussen kruipt het verleden ongehinderd waar het niet gaan kan. Twee weken na de oproep van Bot werd een bus vol scholieren van een Amsterdamse Montessorischool, op weg naar Auschwitz in het kader van het gemeentelijke onderwijsprogramma «Historisch Besef», bij de Poolse grens vastgehouden. De grenswachten van het nieuwe Europa vertrouwden al die donkere gezichtjes niet en vroegen de begeleiders waarom ze geen «normale» kinderen bij zich hadden. Eenmaal in Auschwitz hadden de begeleiders wederom hun handen vol. Een joodse leerlinge kreeg van klasgenoten te horen: «Ben je al vergast?» Anderen verdedigden haar: «Als dit soort opmerkingen wordt gemaakt, dan grijpen we ze! Onze reis roept inderdaad extremen op, maar zorgt ook voor meer helderheid over wat wel en niet gepikt wordt.» Aan de «opwekking van warme vaderlandsliefde» zoals verlangd in de memorie van toelichting bij de invoering van het verplichte geschiedenisonderwijs in 1857 heeft men op school al lang geen boodschap meer. Aan opwekking van warme Europa-liefde evenmin. De resultaatgerichte visie van politici op het geschiedenisonderwijs is al voor de Tweede Wereldoorlog door de historicus Herbert Butterfield ontmaskerd. De neiging om alle ontwikkelingen en omwentelingen uit het verleden voor te stellen als vooruitwijzing naar het heden dient er slechts toe aan dat heden «een finaliteit te verlenen die het niet bezit» (The Whig-Interpretation of History, 1931). Dat geldt evenzeer voor de «tegengeschiedenis» à la Marijnissen. Een «finaal» besef van geschiedenis zoals vorige generaties dat soms hadden, bestaat in onze tijd niet meer. Daar is geen canon tegen opgewassen. Veeleer zou de Nederlandse historicus Pieter Geyl ons moeten inspireren. «De waarheid mag voor God één zijn, voor de mens heeft zij vele kanten», schreef hij vlak na de oorlog (Napoleon, 1946). Ons geschiedbeeld is nu echter zo vergruisd dat de jongsten alleen nog historisch besef kunnen ontwikkelen met behulp van de levensverhalen van leeftijdgenoten uit vroeger tijden. Voor scholieren loopt de weg naar Auschwitz tegenwoordig via Anne Frank. De enige finaliteit die we nog erkennen, is er één van existentiële aard: onze eigen dood. De Groene Amsterdammer legt zich daar niet bij neer. Ook volgens Geyl was de geschiedenis «een discussie zonder eind» en dus zonder eenduidige waarheid, maar dat ontslaat niemand van de plicht het verleden eerlijk en oprecht onder ogen te blijven zien. In dit speciale nummer dragen wij de overledenen van 2005 nogmaals ten grave, gekleed in de waardigheid van de grote verhalen waarvan ze tijdens hun leven deel uitmaakten. Zoals Rosa Parks, die overleed terwijl zij in de zwarte Amerikaanse gemeenschap bijna vergeten was. Maar ook Swiebertje, de personificatie van de illusoire edele zwerver. En Rinus Michels, de belichaming van individualisme én collectivisme in de sport die na de jaren zestig voor velen de hoofdzaak van het leven is geworden. Zoals George Kennan, de diplomaat die als eerste doorzag waarin een koude oorlog zich van een warme onderscheidt, en Aleksandr Jakovlev, de ideoloog die aan de Europese deling veertig jaar later een einde hielp maken. Of bokser Max Schmeling, die gebruikt werd door de nazi’s maar zelf een dubbelleven leidde, en André van der Louw, die na zijn burgemeesterschap in Rotterdam nooit meer de oude is geworden. Plus minder bekende soldaten als vrouwenemancipatrice avant la lettre Aenne Burda, de pionier van de zwerfsteek. Of het edele beroep van garagist dat laatstelijk te Laren werd uitgeoefend. Finale oordelen vellen wij niet. Om Geyl losjes te parafraseren: de vraag of de geschiedenis wordt gemaakt door individuen die vrijelijk hun slag slaan dan wel door structurele processen waaraan de mens zich maar heeft te onderwerpen, kan niet definitief worden beantwoord. Wie weet zal er aan die bus met migrantenkinderen die op weg naar Auschwitz door het gezag werden getreiterd op een dag evenveel betekenis worden toegedicht als aan de weigering van Rosa Parks om zich in die andere bus in Montgomery, Alabama, nog langer door het gezag te laten treiteren.