Hoofdcommentaar

Tegen de vergetelheid

Afgelopen jaar verscheen de veramerikaanste Canadese muzikant Neil Young weer op het strijdtoneel: met het album Living with War. Behalve het pamflettistische Let’s Impeach the President bevat de cd ook het reflecterende lied Shock and Awe. Young zingt daarin onder meer: ‘Back in the days of shock and awe/ We came to liberate them all/ History was the cruel judge of overconfidence.
Ook wie vindt dat Youngs muziek en stem vooral pijn doen aan de oren kan niet ontkennen dat de gitarist historisch bij de les is. Vier jaar geleden trachtte het vrije Westen, dat in 1989-91 dacht definitief gewonnen te hebben, een stap voorwaarts te zetten door twee stappen terug te doen: het besloot (eerste stap terug) het islamitisch terrorisme niet op te vatten als een ideologische uitdaging maar als een territoriale vijand, en het besloot (tweede stap terug) die territoriale vijand niet uit te roken door ‘containment’, zoals gebruikelijk tijdens de Koude Oorlog, maar door militaire interventie.

De verbijstering van 9/11 werd omgezet in daadkracht, de verwarring in ambitie: iedereen, waar ook ter wereld, had recht op zijn eigen lokale vijfde mei. In de herfst van 2001 werd Afghanistan bevrijd van een middeleeuwse heksenkring genaamd Taliban. Voor Irak en wellicht voor het hele Midden-Oosten had het voorjaar van 2003, toen de ‘democratie’ per B52 in de Arabische harten en geesten werd gezaaid, een jaargetijde moeten worden om tot in lengte van dagen met vreugde te gedenken. In plaats daarvan kregen we de hete Iraakse zomer die tot vandaag voortduurt.

Evenals in Amerika waren er in Nederland in die dagen natuurlijk sceptici. En ook hier hadden die het niet makkelijk. Hen werd defaitisme voor de voeten geworpen. De analogie van ‘München 1938’ lag voor in menige mond bestorven. Niet lang daarvoor was diezelfde analogie misbruikt ter verdediging van de Navo-aanval op Servië teneinde de afvallige Servische provincie Kosovo te redden. Dat de mensenrechtensituatie daar bijna net zo beroerd bleef als vóór 1999 waren we in 2003 alweer vergeten. En wie van de analogieridders interesseerde zich werkelijk voor de toedracht van de conferentie van München in 1938 en voor de omvang van het dilemma dat toen speelde? Sebastian Haffners biografie Churchill (1967), waarin de Duitse historicus en essayist oppert dat Hitler een oorlog in 1938 vermoedelijk had gewonnen omdat Groot-Brittannië militair met de rug tegen de muur stond, wordt kennelijk niet meer gelezen.

Zelfs de gedachte aan ‘containment’ van onprettige leiders en ‘wildgeworden’ staten – een beleid dat gedurende veertig jaar Koude Oorlog werkte – gold opeens als verraad aan de grondbeginselen van de vrije westerse wereld. Daarentegen hadden artikelen met martiale koppen als ‘Casus belli’ of ‘Bommen scheppen verplichtingen’ heel wat meer resonans. Overleefde wijsgeren als Hugo de Groot wierpen maar lastige vragen op. Bijvoorbeeld de vraag of een voorgenomen oorlog een concreet, verwezenlijkbaar doel heeft. Of de vraag welke instantie het legitieme gezag heeft om een oorlog te ontketenen. Dan wel de vraag hoe je een gewonnen oorlog omzet in een winnende vrede. Om maar te zwijgen van de vraag of de wig tussen VS en Europa het begin van alle ellende is.

Dementeert ons geheugen werkelijk zo snel, of wordt in deze zogenaamd ontideologiseerde tijden de geschiedenis gereduceerd tot een paar gratuite ‘herinneringsmomenten’ ten dienste van de macht? Dankzij de commissie-Van Oostrom, die in oktober een inspirerende nationale historische canon heeft gepresenteerd, kan er weliswaar enig weerwerk worden geboden tegen de instrumentele opvatting van geschiedenis. Dat geldt ook voor enthousiasmerende programma’s als OVT (radio) en Andere tijden (televisie) en voor kranten en weekbladen die niet terugdeinzen voor een serieuze portie geschiedenis. Maar ze zijn dun gezaaid. Juist nu de functie van de journalistiek als institutioneel geheugen steeds belangrijker wordt, laat de zelf-benoemde ‘vierde macht’ het afweten.

Vroeger kreeg elke leerling-journalist ingeprent dat de belangrijkste taak van een krant het kritisch volgen van de politieke macht was. Dat betekende in de eerste plaats: de daden, uitspraken en ideologische bokkensprongen van de politieke en culturele machthebbers registreren. Niet dat die machthebbers altijd en per definitie zo interessant waren, maar de media moesten (helpen) voorkomen dat machthebbers interessanter werden dan in een democratie wenselijk was. Idolatrie is immers gevaarlijk voor elke maatschappij waarin burgers meer zijn dan onderdanen.

Ooit zaten journalisten in Nieuwspoort te wachten om te worden ‘bijgepraat’ vanuit de fractiebankjes. Nu laten fracties zich ‘bijpraten’ door journalisten en media-adviseurs die pretenderen te weten wat er leeft, alsof verkiezingen daarvoor geen superieure graadmeter zijn.

De volkssoevereiniteit is verplaatst naar de ‘markt’. Dat is een onbekende plaats waar een anonieme koning, Alleman geheten, het ene moment regeert, het volgende moment aftreedt, nu eens woedend opveert, dan weer wegloopt voor zijn eigen falen en tot slot en besluit zijn eigen optreden recenseert. Iedereen is dankzij het web tegenwoordig zijn eigen journalist.

Het gevolg is dat er in Nederland anno 2006 meer papier en (virtuele) inkt wordt besteed aan de borsten van een soap-sterretje dan aan de waterstanden, de literaire jaarproductie en de verrichtingen van ’s lands soldaten in Afghanistan tezamen.

Waar dergelijke vergetelheid regeert, kan de kleinste herinnering al subversief zijn. Waar geschiedenis en geschiedschrijving alibi’s worden voor het hier en nu verliezen we het ‘algemeen menselijk patroon’ (een begrip van de zo goed als vergeten historicus Jan Romein) en de afwijkingen daarop uit het oog. En belanden we in de dood-lopende straat van het eigen gelijk dat als historische wetmatigheid wordt voor-gespiegeld maar het niet altijd is.

Vandaar dit speciale Oudjaarnummer tegen de vergetelheid. Een editie over mensen die in 2006 zijn overleden, maar wier beeld van mens en wereld niet is gestorven. Soms tot ons genoegen, dan weer tot onze spijt. Terugkijken is niet altijd een feest. Maar wie daarvoor bang is, loopt met zijn kop tegen de muur van die dood-lopende straat.