Ten geleide

Tegen de vergetelheid

Beste lezers en lezeressen, wij begroeten u in de eerste week van het Nieuwe Jaar met de resten van het Oude. Wij wijden een heel nummer aan de strijd tegen de vergetelheid, door de publicatie van portretten van een dertigtal mensen (en één wielerwedstrijd) die ons het vorig jaar zijn ontvallen. Richard Rorty. H.J. Schoo, Gert-Jan Dröge, Deborah Kerr, Nederlandse soldaten in Uruzgan, enzovoort – een ongerijmd rijtje, zoals u dat van ons mag verwachten. Wie er ontbreekt is John Darwin.

Vijf jaar geleden koos deze Britse vijftiger zee, de vergetelheid tegemoet. Ogenschijnlijk ging hij alleen een stukje varen met zijn kano, in de baai bij zijn huis in Hartlepool, Teesside, Noord-Oost-Engeland, maar in feite zocht hij zijn eigen verdwijning. De kano werd daags erna leeg en beschadigd aangetroffen. Van Darwin zelf geen spoor. Zijn vrouw, Anne, en zijn twee volwassen zoons, Anthony en Mark, werden door de vermissing in rouw gedompeld. Er waren financiële problemen. De familie drong aan op een inquest, een zitting van het gerecht, waarbij iemand formeel dood kan worden verklaard. Zo geschiedde; daarmee was de weg vrij voor de uitkering van de levensverzekering.

De twee broers konden zich bij de verdwijning van hun vader maar moeilijk neerleggen. Zolang er geen lijk gevonden was, koesterden zij hoop. Zij spelden de kranten, op zoek naar dat ene kleine berichtje over een wonderlijke redding op zee, die onbekende man met geheugenverlies in een Frans havenplaatsje, een drenkeling, misschien een lichaam, ergens aangespoeld. Zij deelden hun verdriet met hun moeder. Zij vergaten hun vader niet, maar de jaren verstreken.

Zes weken geleden verkocht de weduwe Anne Darwin haar huis in Engeland, en vertrok naar Panama. Kort daarna meldde John Darwin zich bij de politie in Londen: ‘Ik geloof dat u mij zoekt.’ Hij claimde geheugenverlies te hebben. Zijn identiteit werd vastgesteld, de zoons werden ingelicht. Zij belden duizelig van geluk naar hun moeder in Panama: ‘Vader leeft!’ Anne Darwin speelde de verrassing. Zij wist al vijf jaar dat haar man leefde. In vermomming woonde hij bij haar, in Hartlepool en in Panama. Hij hield zich gedeisd. Met valse baard en wollen muts wandelde hij soms over het strand. Als er bezoek was verborg hij zich.

Anthony en Mark hebben blijk gegeven van hun totale verbijstering. Ze spraken van een ‘emotional rollercoaster’, van de blijdschap over hun vaders miraculeuze terugkeer tot de schok over het bedrog. Vijf jaar lang heeft hun moeder ze in de waan gelaten dat hun vader dood was. Ze hebben hun banen opgezegd en alle contact met hun ouders verbroken. Hun strijd tegen de vergetelheid bleek fantasie.

Het bolwerk tegen de vergetelheid is opgetrokken uit spinrag en krantenberichten. Het schrijven van necrologieën was in ons land een veronachtzaamd ambacht, maar daar zit verandering in: de geschiedenis houdt ons weer bezig, ook de geschiedenis van hen die daar net in verdwenen zijn. Kranten zetten de doden groot op hun voorpagina’s, óók de buitenbeentjes als Norman Mailer, Karlheinz Stockhausen en Ike Turner. Het is als het bezoeken van een begrafenis: een dubbelzinnige daad, waarmee je aandacht besteedt aan de dode én aan jezelf.

Wat zo is het ook: als wij rouwen, dan rouwen wij ook altijd om onszelf. Wie een begrafenis bezoekt, bezoekt in gedachten ook zijn eigen begrafenis. Wie weent om een gestorvene weent ook zachtjes om zijn eigen lot: wat als er bij mij, later, niemand komt? Het is het bittere verwijt dat Gerard Reve tot ons richt:

Vergeet mij maar. Doe mij maar weg
uit Uw herinnering.
Tot eens, bij toeval nog, gij leest:
‘in alle stilte plaatsgevonden’,
en schudt het hoofd, en gaat Uws weegs.

De pijn van de vergetelheid is niet te voelen ná de dood, alleen ervóór, als een omgekeerd soort fantoompijn – je bent er nog, maar het voelt alsof je er niet meer bent. Er zijn er maar weinig die weten wat het is, in vergetelheid te leven. John Darwin weet het.