Het nieuwe nationaal-individualisme

Tegen de verhuftering

Anders dan de schreeuwerige patatburger en zijn populistische woordvoerders geloven kan ‘het volk’ zichzelf niet regeren. Het heeft een elite nodig met een cultureel verheffingsideaal dat is gericht op de verdediging van de onzekerheid, de zelfrelativering en de prettige verdeeldheid.

ONLANGS WIST HET MINISTERIE van Binnenlandse Zaken te melden dat 69 procent van de burgemeesters en wethouders en 49 procent van de raadsleden in 2008 te maken heeft gehad met verbaal of fysiek geweld: een toename van tien procent ten opzichte van 2007. Minister Ter Horst opende zelfs een anonieme vertrouwenslijn waar bedreigde bestuurders hun verhaal konden doen. In de afgelopen tijd is er regelmatig commotie ontstaan over intimidatie van en geweldpleging tegen politiemensen, leraren, bus- en trambestuurders, ambulancepersoneel en cameraploegen. In brede kring heerst ongemak en ergernis over de scheldtoon van internet-reaguurders, huftergedrag in het verkeer en onfatsoenlijkheid in de openbare ruimte. Wat is er met ons volkje aan de hand? Waar komen die korte lontjes vandaan?
Laten we om te beginnen vaststellen dat het vooral gaat om twee minderheidsgroepen die tegenpolen maar ook spiegelbeelden van elkaar zijn: boze blanke mannen uit de lagere middenklasse en even boze mannen uit de gekleurde onderklasse. Zowel de Wilders-fans als de ‘kut-Marokkanen’ laten zich door niemand iets zeggen of verbieden. Ze voelen zich permanent verongelijkt en tekortgedaan, vertrouwen niemand buiten de eigen groep, en kijken neer op alles wat vreemd of anders is. Ze zijn snel aangetast in hun mannelijke eer en gaan dan ook gemakkelijk over tot ‘eerwraak’. Een zondebok voor eigen problemen en eigen falen is gauw gevonden. De ene groep wijst naar de buitenlanders, vooral van islamitische huize, als oorzaak van alle kwaad. De andere ziet juist de ongelovige inlanders als vijanden die alleen maar discrimineren en aan wie je je niets gelegen hoeft te laten liggen.
Over de straatjeugd in de migrantenwijken is al zoveel gezegd en geschreven dat ik me hier beperk tot de groep van boze blanke buitenstaanders. Want als we een beschavingsoffensief willen inzetten tegen de verhuftering van Nederland moeten we dat wel symmetrisch doen. Dus niet aan de ene kant een harde inburgering eisen van losgeslagen allochtone jongeren, maar aan de andere kant voornamelijk begrip opbrengen voor het onbehagen van onze eigen ‘maatschappelijk teleurgestelden’. Beide groepen bedreigen met hun intimiderende machismo, hun autoritaire neigingen en hun korte lontjes de leefbaarheid van onze pluralistische democratie.

MAAR DAT VEREIST dat we inzien dat het witte populisme dichter bij onszelf en onze eigen idealen staat dan we graag zouden toegeven. De ontwikkeling van een meer individualistische, meritocratische en geëmancipeerde samenleving vanaf de jaren zestig heeft veel positiefs gebracht, maar laat ook een duistere keerzijde zien. Anders dan verwacht zijn de ‘onmaatschappelijke groepen’ door de grotere vrijheid, gelijkheid, democratie en welvaart niet verdwenen. Integendeel: het meritocratisch individualisme blijkt een asociale zelfkant te hebben die een directe voedingsbodem levert voor het moderne populisme. Het probleemgedrag van beide groepen kan immers worden gezien als een onbedoeld product van de individualisering. Terwijl de ene groep pijnlijk gevangen zit tussen een collectivistische familiecultuur en de lokkende maar ook dwingende Nederlandse vrijheden, laat de andere zien hoe die vrijheden kunnen worden verabsoluteerd en daardoor in hun tegendeel kunnen verkeren.
Er is in Nederland een groep van vrijgevochten en assertieve burgers ontstaan die recht menen te hebben op alles, weinig gevoel hebben voor solidariteit, anderen gemakkelijk de schuld geven van eigen onvrede en falen, en de overheid overladen met eisen maar haar tegelijkertijd diep wantrouwen. Deze nieuwe individualisten met hun ‘dikke ikken’ en ‘grotemondigheid’ gedragen zich als burgerkoningen naar wier meningen en wensen de politiek slechts heeft te luisteren. Dit assertieve claimgedrag is deels een overreactie op het gevoel te worden bedreigd door moeilijk grijpbare krachten van buiten die de eigen welvaart, cultuur en levensstijl op het spel zetten. De ‘gewone hardwerkende Nederlander’ ziet anderen binnenkomen (vreemdelingen, immigranten, illegalen) die ‘onze banen inpikken’, ‘overal voorrang krijgen’ en ‘alleen maar profiteren’. Dit sociale onbehagen uit zich in een permanente onvrede over ‘de politiek’, die niet bij machte is om het eigen levenspeil en de eigen levensstijl afdoende tegen die vreemde krachten te beschermen.
Het gaat hier ook om een behoudende reflex van de inmiddels geëmancipeerde en sociaal gestegen voormalige arbeidersklasse die is verburgerlijkt. Zij is ‘besmet geraakt met de kapitalistische geest van harde zelfzucht en plat materialisme’, zoals de oude cultuursocialisten zouden hebben gezegd. Zij heeft haar ‘natuurlijke’ collectivisme achter zich gelaten, is individualistischer gaan denken en rechtser gaan stemmen, en is bezorgd over de aantasting van haar recent verworven bezit, baanzekerheid en buurtcultuur. De angst om deze verworvenheden te verliezen zet zich gemakkelijk om in een assertief egoïsme dat zowel een individuele (‘ik eerst’) als een collectieve vorm kan aannemen (‘eigen volk eerst’). ‘Samen voor ons eigen’, luidde de lucide slogan van de Tegenpartij van de charmante hufters Jacobse & Van Es. Hun parodie werd werkelijkheid in de vorm van populistische partijen als de LPF, TON en de PVV. De tragiek van de huidige PVDA is dat zij probeert om de weggelopen fortuynistische (ex-)arbeiders door middel van heel veel begrip voor hun onvrede weer naar de moederpartij terug te halen. Het moderne populisme kan met andere woorden niet goed worden begrepen wanneer we de nauwe verbinding met jaren-zestigidealen als die van persoonlijke autonomie, zelfontplooiing en individuele soevereiniteit over het hoofd zien. Het unieke van het naoorlogse Europese populisme is juist dat het de klassieke noties van volksheerschappij en nationale soevereiniteit meteen koppelt aan de individualistische vrijheidsgedachte en het neoliberale marktdenken – een nieuwe mix van individualisme, consumentisme en nationalisme die aan traditionele denkschema’s ontsnapt. Het is dan ook een misverstand om te denken dat liberalisme en populisme natuurlijke vijanden zijn, stelt ook de Engelse politicologe (en populismekenner) Margaret Canovan, die daarbij onder meer verwijst naar het verwarrende geval-Fortuyn. Het liberale individualisme kan wel degelijk een populistische vorm aannemen, en zich zelfs verbinden met vormen van xenofobie en nationalisme.
Terwijl het fascisme en nationaal-socialisme het individu rigoureus ondergeschikt maakten aan de volksgemeenschap (‘Du bist Nichts, dein Volk ist Alles’), is het moderne populisme veel meer de spreekbuis van een ‘volk van individuen’. Het onderneemt een soort individualisering van de klassieke notie van de volkssoevereiniteit, waarin het ‘volk’ veel nadrukkelijker wordt samengesteld door van hun vrijheden genietende en hun rechten claimende burgers. Het soevereiniteitsbegrip met zijn absolutistische connotaties wordt voor een deel overgeplant van de volksgemeenschap naar de individuele burger. Constitutionele beginselen als de vrijheid van meningsuiting, van levensstijl en van eigendom, de scheiding tussen kerk en staat of de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en homo’s en hetero’s kunnen dan worden genationaliseerd, om bijvoorbeeld te worden ingezet tegen een ‘achterlijke’ cultuur als de islam.
De progressieve consensus ontaardt op die manier in een intolerante meerderheidscultuur, die een nieuwe invulling geeft aan de gevaarlijke notie van de ‘volkseenheid’. Zó zijn onze manieren, dus pas je maar aan, zoals Rita Verdonk voortdurend herhaalt. Wilders-aanhanger Tiemen uit Urk zegt het zó: ‘Hier in Nederland zijn we allemaal hetzelfde. Zíj moeten zich aanpassen en anders: eruit. Dát is Nederland, dat is tolerantie. Zo simpel is het. En dat is precies wat Wilders zegt’ (Vrij Nederland, 25 april). Vrijheid van godsdienst, maar niet voor islamieten. Vrijheid van meningsuiting, maar de koran moet worden verboden. Gelijkheid van mannen en vrouwen en van homo’s en hetero’s, maar vooral om onze Nederlandse eigenheid te verdedigen en islamieten ermee om te oren te slaan. Verdediging van onze democratie en rechtsstaat tegen de ‘in essentie’ ondemocratische islam. Behoud van onze verzorgingsstaat tegen buitenlandse gelukszoekers en profiteurs die alleen maar uit zijn op onze uitkeringen.
De idealen van individuele en nationale zelfbeschikking zijn dus niet per se tegenstrijdig, maar kunnen elkaar ook aanvullen. De bekende VVD-leuze uit de jaren tachtig kent inmiddels ook een collectivistische variant: als Nederlanders moeten we in plaats van ons vreemdelingen te voelen in eigen land ‘gewoon onszelf kunnen zijn’. Het doorgeschoten zelfontplooiingsideaal (‘ik ben uniek, en heb daarom overal recht op’) kan zich op die manier ook uitstrekken tot het unieke, ondeelbare en onvervreemdbare karakter van de Nederlandse cultuur en identiteit, die door ‘wezensvreemde’ culturen worden bedreigd. Het ideaal van individuele zelfstandigheid en zelfredzaamheid (‘eigen baas zijn’) vertaalt zich naadloos in de nationale zelfgenoegzaamheid van ‘baas in eigen land’.

DE LIBERALE VRIJHEIDSRETORIEK die zo gretig door vele neopopulistische partijen wordt gehanteerd kan dus niet worden afgedaan als loze window dressing of als een misleidende flirt. Jörg Haiders partij heette de Freiheitliche Partei Österreichs, en zijn boek droeg de titel Die Freiheit die Ich meine (1993). Verschillende populistische partijen, met name in Scandinavië, begonnen hun carrière als antistaats- en antibelastingpartijen. Silvio Berlusconi’s eerste regeringscoalitie van 1994 droeg al de naam ‘Huis van de Vrijheden’. Zijn nieuwe partij, een fusie van Forza Italia en de postfascistische Alleanza Nazionale, heet Het Volk van de Vrijheid. Zij wil alle Italianen omarmen ‘die de vrijheid liefhebben (…) wij zijn de enige partij die de verwachtingen van een volk realiseert’. Nog voordat hij zijn Groep de Partij voor de Vrijheid noemde, hamerde Geert Wilders in zijn Onafhankelijkheidsverklaring (2005) en in Klare wijn (2006) al op de bedreigde vrijheden van de Nederlandse burger. Niet toevallig komt zowel hijzelf als Rita Verdonk voort uit de VVD. Ook in Vlaanderen is een succesvolle populist als Dedecker een spijtoptant van de liberale Open-VLD.
Deze populistische vrijheidsidee vormt het hart van een nieuw soort individualistisch nationalisme of ‘volks individualisme’, dat sterk wordt verankerd in de nationale identiteit en in die zin contrasteert met een meer kosmopolitische of universalistische invulling ervan. Dit nieuwe ‘nationaal-individualisme’ is ook daarom geen heruitgave van het nationaal-socialisme omdat het zich in beginsel verzet tegen alle socialisme en de dragers ervan: de vermaledijde linkse elite. Het is ironisch dat neopopulisten niet zonder meer met neofascisten of neonazi’s kunnen worden vergeleken omdat de laatsten voorstanders waren van een geleide planeconomie, grootscheepse staatsinterventie, corporatieve ordening en de politieke beperking van het eigendomsrecht. Terwijl de nationaal-socialistische bewegingen doortrokken waren van ‘antikapitalistische Sehnsucht’, zijn de meeste moderne populisten juist overtuigde aanhangers van het liberale marktdenken en het consumentenkapitalisme.
Dat de PVV de laatste tijd ouvertures maakt naar links, in de richting van de SP – en dat de FNV bij monde van Agnes Jongerius een ongelukkig flirtje opzette met Wilders – heeft meer te maken met behoud van verworven rechten (‘65 blijft 65!’) voor de hardwerkende Nederlandse burger dan met sociale rechtvaardigheid. Wilders’ recente verzet tegen de versoepeling van het ontslagrecht, de verlaging van het minimumloon en de uitkeringen, de verhoging van de pensioenleeftijd en ‘de krijtstrepen, de grote banken’ laat eens te meer zien dat de uitersten van populistisch links en populistisch rechts elkaar aan de ‘onderkant’ van het politieke hoefijzer gemakkelijk raken. De PVV wil een brede volkspartij worden, en praat daarom opportunistisch mee met de behoudende burger. Maar altijd in het kader van de anti-islamitische zuivering en ‘eigen volk eerst’: ‘Kiezen we voor nog meer massa-immigratie of voor onze ouderen?’
Liberalisme en populisme komen elkaar opnieuw tegen in het dogma van de autonome, kieskeurige, soevereine consument. Nederland is veranderd in een grote zelfbedieningszaak waarin iedereen het persoonlijke maximum voor zichzelf wil halen en bij de kassa zo weinig mogelijk wil afrekenen, zegt Jos van der Lans in Koning Burger (2005). Het liberalisme van je eigen gang gaan, je eigen ding doen, baas zijn in eigen huis en over je eigen leven, wordt gemakkelijk verplat en geperverteerd zodra het door de markt, de reclame en de media wordt overgenomen. Hierin schuilt de belangrijkste paradox van de moderne individualistische cultuur: de idealen van individuele keuzevrijheid en zelfontplooiing zijn verworden tot branding- en marketinginstrumenten, die maken dat mensen in plaats van zich te ontwikkelen tot unieke persoonlijkheden juist steeds meer op elkaar gaan lijken. De vrijheid van de consument in de markt is geen echte vrijheid maar kan beter worden gezien als een soort ‘geïnternaliseerde tirannie van de meerderheid’, aldus de Amerikaanse filosoof (en motorfietsenreparateur) Matthew Crawford.

HET WITTE ONBEHAGEN heeft twee gezichten: achter de boosheid schuilt angst. De angst voor het verlies van materiële en culturele zekerheden manifesteert zich als de woede van verwende burgers die solidariteit gelijkstellen aan diefstal (van ‘onze belastingcenten’), en die de Nederlandse verzorgingsstaat voor zichzelf en alle vreemdelingen buiten de deur willen houden. Vanwege deze dubbelheid kan de ‘witte woede’ niet alleen maar begripvol tegemoet worden getreden. Het serieus nemen van gevoelens van onbehagen en onzekerheid mag niet zo ver gaan dat ook het collectieve egoïsme en het kleinzielige nationalisme worden overgenomen en aangewakkerd. Het is net als met arrogantie die ‘eigenlijk’ zou wortelen in verlegenheid: het maakt die arrogantie niet minder onuitstaanbaar. De boze burger moet daarom meelevend worden tegengesproken: zijn zorgen worden erkend, maar er zijn grenzen aan onze tolerantie voor zijn asociale neigingen. Cultuurhistoricus Thomas von der Dunk zegt het zonder omhaal: ‘Je hebt mensen nodig die tegen de burger durven zeggen: “U zeikt! U bent het probleem. En nu is het uit met uw gezeur”’ (De Pers, 10 juli).
Maar het probleem is dat ook de elite onzeker is geworden, en niet meer de moed heeft om een beschavingsideaal te formuleren en aan deze bange egoïsten voor te houden. Toch zijn volksverheffing en volksopvoeding geen achterhaalde idealen. Ze houden heel wat meer in dan kansen scheppen voor sociaal-economische stijging, maar hebben ook een culturele inhoud. ‘Houvast bieden in onzekere tijden’ (een bekende verkiezingsslogan van de PVDA) voedt alleen de verongelijktheid en de slachtofferitis, zeker wanneer men daarvoor de geborgenheid aanroept van een Nederlands familiegevoel of een ‘essentiële’ Nederlandse identiteit. ‘Behoud van eigen cultuur en identiteit’ is noch voor bangboze oude noch voor bangboze nieuwe Nederlanders meer een haalbare kaart. Het zou voor beiden beter zijn om dit houvast wat meer los te laten en hun identiteit wat meer te relativeren.
Maar zelfrelativering is moeilijk, en woordvoerders van beide groepen wijzen vaak juist het cultuurrelativisme aan als de voedingsbodem van alle sociale malaise. Dat geldt niet alleen voor autochtone neoconservatieven en populisten die in deze ‘zelfhaat’ de oorsprong zien van de decadentie van ‘onze’ westerse beschaving, maar ook voor allochtone radicalen die deze cultuur juist vanwege haar decadentie verachten en afwijzen. Beide doen graag een beroep op de eenheid, geslotenheid en zekerheid van de nationale, etnische en religieuze gemeenschap (‘onze joods-christelijke leidcultuur’; ‘onze Marokkaans-islamitische oorsprong’) die scherp tegenover ‘de ander’ wordt afgegrensd en op die manier een vijandbeeld en zondebok creëert.
Tegenover die valse zekerheden moet de elite een cultureel verheffingsideaal stellen dat juist is gericht op de verdediging van de onzekerheid, de zelfrelativering en de prettige verdeeldheid. Zij kan niet te veel concessies doen aan het ‘verlangen naar gemeenschap’, het nostalgisch ideaal van een in zichzelf gekeerde familie-, dorps- of buurtcultuur met door allen gedeelde opvattingen, normen en waarden. Het merkwaardige en verwarrende is dat ook het Nederlandse individualisme op die manier kan worden ‘vergemeenschappelijkt’ en genationaliseerd. In zijn verabsoluteerde vorm voedt het het individuele en collectieve egoïsme van soevereine consumenten en nationale eigenheimers die willen houden wat ze hebben en bang zijn voor alles wat afwijkt van de norm.
Laten we het individualisme daarom bevrijden van zijn duistere keerzijde van onmatigheid, onbescheidenheid en intolerantie. Laten we in plaats van houvast te zoeken in sterke identiteiten deze juist verzachten en relativeren. En laten we niet bang zijn om vanwege deze ‘cultuur van onzekerheid’ elitair te worden gevonden. Zeker niet tegenover de schreeuwerige patatburger en zijn populistische woordvoerders. Want anders dan deze populisten geloven kan ‘het volk’ zichzelf niet regeren. Het heeft een elite nodig die de weg wijst naar een betere uitgave van zichzelf. De burgers stellen vertegenwoordigers aan, niet om zich naar de mond te laten praten, maar om zich te laten uitdagen en tegenspreken. Dat is de eigenaardige gok die we met de moderne democratie hebben gewaagd.

Voorjaar 2010 verschijnt bij De Bezige Bij Dick Pels’ boek Het volk bestaat niet: Leiderschap en populisme in de mediademocratie