Interview met Yves Desmet

Tegen het populisme

Yves Desmet stapt op als hoofdredacteur van De Morgen, een baan die zijn hart nooit heeft gehad. Een gesprek over journalistiek, navelstaren in Vlaanderen en populisme in fundamentalistisch Nederland. ‘Bij Jan Marijnissen krijg ik een akelig gevoel.’

BRUSSEL – ‘Jullie weten niet hoe gelukkig jullie zijn dat het zo saai is in Nederland. Ik ken geen land ter wereld waar men het in zijn hoofd zou halen een brede maatschappelijke discussie te organiseren over het fenomeen wildplassen. Ik kijk vol vertedering naar het niveau van jullie politiek. Nergens ter wereld is het politieke bedrijf zo slaapverwekkend als in Nederland. Nergens is het politieke taalgebruik zo wollig en verhullend, is de politieke journalistiek zo braaf en zijn de incidenten zo onbenullig. Dat bewijst dat het goed gaat.’ Hoofdredacteur Yves Desmet (47) van de Vlaamse krant De Morgen grijnst als hij zijn woorden hoort, opgetekend door De Groene Amsterdammer in 1997. Het is niet de eerste keer dat het citaat gebruikt wordt om te illustreren hoe groot en snel de omslag in Nederland is geweest in de afgelopen tien jaar. Het is een omslag die niet stopt bij nuanceverschillen, vindt Desmet: ‘Nederland is Nederland niet meer. Het is een ander Nederland geworden.’

Als hoofdredacteur van De Morgen was Desmet een veelgevraagd commentator in Nederland: iemand die ons land scherp in de gaten hield en in onze eigen taal het perspectief van een buitenstaander geven kon. In eigen land had hij ook een duidelijke rol in het publieke debat, als verdediger van burgerlijke en progressieve waarden in een land dat heftig debatteerde over het Vlaams Blok, Dutroux, André Cools en de Bende van Nijvel. Dat alles gaat wellicht zelfs toenemen nu hij weer voltijds gaat schrijven.

Hij zit nog met rustige autoriteit op de stoel van de baas in het sjieke redactielokaal van De Morgen, de kranten doornemend zonder acht te slaan op binnenkomende redacteuren. Maar aan het eind van de maand is het voorbij.

Desmet voelt zich vooral opgelucht: ‘Op het gymnasium raadden mijn docenten me aan om civiel ingenieur te worden, omdat ik zo goed was in exacte vakken. Dat klopte, maar ik vond ze niet leuk. Net als op school wordt er altijd van je verwacht dat je dingen doet die je goed kunt, uit ambitie. Zo is het ook met het hoofdredacteurschap gegaan: het heeft mijn hart nooit echt gehad, ik heb schrijven altijd leuker gevonden. Nu ik dat weer ga doen, zeggen sommige collega’s tegen me: “Ik wou dat ik dat ook kon.” Het cliché is waar: iedere journalist wil hoofdredacteur worden, behalve wie het al geweest is.’

Dat hij het goed deed als hoofdredacteur van De Morgen is geen grootspraak. Het kind uit een klassiek arbeidersnest maakte de kwakkelende samenvoeging van twee socialistische dagbladen breder toegankelijk en in dertien jaar tijd drieënhalf maal zo groot, terwijl de krantenmarkt krapper werd.

Yves Desmet: ‘We hebben net een grote transformatie gehad, gekoppeld aan een formaatverkleining. Die is nu achter de rug, en ik ben niet iemand die uitkijkt naar de dag dat hij alleen dingen nog hoeft te beheren. Als je iets jarenlang gedaan hebt, verdwijnt de motivatie.’

De motivatie om iedereen tevreden te houden, bijvoorbeeld: ‘Als hoofdredacteur is het koesteren van alle ego’s het moeilijkst. Het is een aangenaam noodlot dat je met grote talenten doorgaans ook grote ego’s meekrijgt.’

Een ander terugkerend punt was de steeds professionelere bedrijfsvoering en de schaalvergroting van de uitgever: ‘Het dwingt een hoofdredacteur tot voortdurend beheer van het conflictgebied tussen redactie en management.’

Desmet had daarin wel het voordeel dat hij een baas boven zich heeft die de beste krant wil maken en zich ergert aan oppervlakkige artikelen, niet bepaald de standaard in het moderne krantenbedrijf.

‘Mijn uitgever en ik meenden allebei dat het antwoord van de betaalde krant tegen de gratis concurrent het opvoeren van de kwaliteit is’, zegt Desmet. ‘Je moet een krant willen maken die de lezer zó goed vindt dat hij er met liefde één of twee euro voor neertelt. Dat is ook de nieuwste misstap die pcm gaat maken: de gratis krant. Eerst gingen de redacties in zee met financiers die alleen interesse hadden in de bedrijfsvoering, omdat de managers zich dan niet met de redactie zouden bemoeien. De redacties kozen expliciet tegen de uitgever van De Morgen. Omdat die zich met de redacties zou bemoeien – terwijl die bemoeienis bij ons zo goed werkt! Wat daarvan komt, weten die redacties nu. Dat pcm een gratis krant gaat uitbrengen, is gênant. pcm staat toch voor kwaliteit, diepgang, achtergrond. Een gratis krant staat voor persberichten met columnisten erdoor. Een gratis krant is goedkoop gemaakt en geeft goedkoop nieuws. Het is een vorm van populisme.’

‘Populisme’ gaat vaak over tafel, bij een lunch in een ‘simpel visrestaurantje’ in Brussel, waar het personeel zuchtend constateert dat Desmet de lunch alwéér combineert met werk. De journalistiek passeert ook de revue, het hoofdredacteurschap en Europa. Maar vooral populisme. Het ongebreidelde, haatdragende populisme, dat in Oostenrijk, Italië en België al zo lang bekend was voor het Nederland in zijn greep kreeg.

Yves Desmet: ‘Ik vind het op dit moment het enige werkelijk belangwekkende maatschappelijk debat. Geef je toe aan de wereld van het grote eigen gelijk, of geef je toe dat de enige wereld die we hebben die van de twijfel is.’

In België is ‘de golf’ nu over het hoogtepunt heen, meent Desmet. Hij is trots op de rol die hij heeft vervuld in het bestrijden van die golf: ‘Extremisme gaat een banaliseringsfase in als het een tijd bestaat. Als een partij lang genoeg moslims en immigranten in verband brengt met criminaliteit, zoals het Vlaams Blok deed, wordt dat na een tijdje niet meer opgemerkt. De Morgen is als enige Vlaamse krant over al die uitlatingen blijven berichten. En De Morgen is altijd blijven zeggen: dit is plat extreem-rechts, dit is fascistoïde.’

Door de golf werd goed duidelijk welke essentiële rol media hebben in een democratie, meent Desmet. En hoe ze daarin kunnen falen: ‘De Vlaamse pers heeft algemeen genomen te makkelijk meegebogen met het populisme.’ Desmets methode was: steeds weer mensen aan het woord laten in zijn krant die burgerlijke waarden verdedigden, als tegenwicht voor anderen die het woord eisten. ‘Het is een deel van de journalistiek. Je wilt waardenvrij zijn, maar een journalist is geen geslachtsloos wezen. Een “soldaat voor de vrijheid” is een te groot woord. Maar door te berichten word je actor. En als je een gevaar ziet, heb je de plicht daarover te berichten.’

Ook de Nederlandse pers heeft in Desmets ogen niet goed gereageerd op het populisme: ‘Het is een natuurlijke en goede reflex van journalisten om niet bij de machthebbers te willen horen en oppositie te plegen: de pers als tegenmacht. Maar toen Fortuyns aanhangers zich fel afzetten tegen de elite toonde de Nederlandse pers te veel angst om ook bij die elite gerekend te worden.’

Desmet had de omslag in Nederland niet zien aankomen. Hij was gaan geloven wat de Nederlandse journalisten en cameraploegen zeiden die kwamen registreren wat België toch almaar voor ellende produceerde: dat Nederland een gidsland was. Dat is sinds 2002 voorbij. Yves Desmet: ‘Het Nederlandse superioriteitsgevoel heeft toen een lelijke knauw gekregen. Sindsdien is die andere kant van de Nederlandse psyche, de assertiviteit, in de overdrive geschoten.’ Het land dat zo open en tolerant was, vormde zich om tot een land waar, volgens Desmet, ‘alles gedacht en gezegd moest worden’ en waar zich een ruwheid in het debat nestelde die Vlaanderen niet kent.

Toch verschillen dat tolerante, open Nederland en het boze, ontevreden land van na Fortuyn volgens Desmet minder dan het lijkt: ‘Het heeft te maken met een fundamentalisme en absolutisme, dat via het protestantisme genetisch in de Nederlandse volksziel zit. Eenmaal de Nederlanders besluiten het meest tolerante land ter wereld te zijn, dan zijn ze dat ook, onbekommerd. En eenmaal ze besluiten dat het welletjes is, dan is het ook echt goed welletjes.’

Misschien heeft het populisme volgens Desmet om die reden breder om zich heen gegrepen in Nederland dan in Vlaanderen. Eerst via de lpf, nu via Wilders en Marijnissen – voor Desmet loten van dezelfde tak: ‘Marijnissen doet het op de linkse manier, maar hij oogst op de manier die ook het Vlaams Blok groot maakte. Het is het idee: “Wij zijn de enigen die de stem van het volk vertegenwoordigen, tegen een wereldvreemde, zichzelf dienende elite die het contact met de echte mensen kwijt is. Wij zijn de enigen die een oplossing hebben.”’

Desmet krijgt, zegt hij, een ‘akelig gevoel’ bij Marijnissen en de sp: ‘Omdat hun boodschap in tegenspraak is met waar een reële democratie voor staat. Die staat voor een algemeen belang, waarin politici zeggen dat ze bepaalde keuzes gaan maken. Populisten zeggen tegen iedereen: “U hebt gelijk, en wat u zegt gaan we doen.” Dat rücksichtslos kapitaliseren op elk ongenoegen, op elke kritiek – terecht of onterecht, dat doet er niet eens toe – daarin zie ik de sp gelijk aan de lpf.’

‘Er is een mooi beeld van de politicus als een veerman’, vervolgt Desmet: ‘Aan de ene kant staat de burger. Diens klachten en verwachtingen laadt de politicus in en vaart naar de overkant. De andere oever is die van de res publica, van de politiek, het zoeken naar beleid, algemeen belang en compromis. Die neemt de politicus vervolgens terug naar de burger – dat is politiek. Populisten komen nooit van de oever van de burger af en staan daar maar te schreeuwen. Ze nemen nooit deel aan het beleid en hoeven zich nooit te verantwoorden. De fout van Paars in Nederland was dat de veermannen nooit zijn teruggekeerd en op de andere oever zijn blijven zitten.’

Waar de populistische golf het Nederlandse politieke landschap omploegde, heeft het volgens Desmet België kleiner gemaakt: ‘Destijds werd Nederland als meest nabije buitenland altijd nauwgezet gevolgd in Vlaanderen, vandaag wordt de Nederlandse televisie nauwelijks nog bekeken. Nu zie je dat het een onderwerp van de elite geworden is, de intellectuelen. Voor de meeste mensen is Nederland als belangrijk buitenland weggevallen en er is niets voor in de plaats gekomen. Vraag op straat honderd mensen wie Hirsi Ali is, en ik denk dat niemand het weet. Dit wordt een navelstaarderig land.’

De problemen beperken zich niet tot de Lage Landen, vindt Desmet, die niet bevreesd is om somber over te komen over de toestand van de democratie en de staat. In heel Europa: ‘Overal op het continent krijgen de veermannen het moeilijker. Overal zie je die makkelijke manier van politiek bedrijven: je afzetten tegen de elite, die beladen wordt met de zonde Israëls. De angst om bij die elite gerekend te worden, of om de populisten in de kaart te spelen, kweekt angst om voor de eigen mening uit te komen. Over onderwerpen die door hen worden gegijzeld, durven maar weinigen zich nog uit te spreken. Over Europa bijvoorbeeld is onze premier vrijwel de enige die nog een bevlogen verhaal durft te houden. In het hele continent laten klassieke politici zich niet alleen imponeren door het populistische discours, maar ook door opiniepeilingen, spindoctors. Het is hun taak zich daartegen te verweren en vast te houden aan oprechte politieke overtuigingen.’

Maar hopeloos is het allemaal niet: ‘Deep down kennen de meeste mensen het gevaar. Ze gebruiken populisten om de klassieke politici wakker te houden en te treiteren. Als het er écht op aankomt, zoals bij de gemeenteraadsverkiezingen van Antwerpen, dan zie je het besef. Je vraagt de kiezers dan in feite: “Goed, jullie hebben het Vlaams Belang zó groot gemaakt, geef ze nog een centimeter en ze hebben het hier voor het zeggen.” Als het dan écht menens is, dan stemt driekwart niet op Dewinter. Dat was de mooiste dag van het afgelopen jaar. Dat je ziet: oké, het kan dus.’