Tegen het sterven van het licht

Afgelopen weekend brak mijn vader zijn arm op drie plekken. Hij gleed uit, zo gaat dat. Midden in de nacht, ik sliep al bijna, berichtte hij me erover. Ter bewijs stuurde hij een selfie mee.

Mensen met erge pijn zien er al gauw twintig jaar ouder uit dan ze zijn. Ik belde zijn vrouw. Ze zaten in de taxi van het ziekenhuis terug naar huis. Mijn vader zat nu onder de dope. Hij kwam aan de telefoon en zei: ik dacht dat je van morfine euforisch zou worden, maar ik voel me niet echt euforisch. Zijn stem klonk traag en oud.

Ik kon niet slapen en moest denken aan een scène uit de sciencefictionfilm Interstellar. Matthew McConaughey en Anne Hathaway bezoeken een planeet vlak bij een zwart gat. Omdat de zwaartekracht daar harder trekt, raakt de tijd vertraagd (of zoiets). In elk geval staat één uur op die planeet gelijk aan zeven jaar op Aarde. Door allerlei moeilijkheden blijven ze langer op die planeet dan gepland, en wanneer ze terugkomen in hun ruimteschip blijken er 23 jaar verstreken. Ze bekijken de filmpjes die in de loop der jaren door hun families zijn toegestuurd. McConaughey ziet zijn kind in razend tempo volwassen worden, zelf kinderen krijgen, een kind verliezen, ouder worden dan hij zelf is. Vooral dat laatste maakt de duizelingwekkende eenzaamheid van de astronaut invoelbaar: alles is verder gegaan zonder hem, hij heeft zijn eigenlijke leven niet geleefd maar overgeslagen.

De volgende middag bracht ik een bezoek aan de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht. Het is de oudste kerk van Nederland, volgens de overdracht gebouwd op de resten van Sint-Servaas, de eerste bisschop van Maastricht. De schatkamer van die basiliek herbergt de wonderlijkste artefacten. Je vindt er struisvogeleieren uit de vijftiende eeuw, gegraveerde kokosnoten, vergulde buffelhoorns op zilveren vogelpootjes, en vooral: reliekschrijnen. Plukjes haar van heiligen, tranen van de Onnozele Kinderen, het beroemde Patriarchaalkruis, bestaande uit een indrukwekkende hoeveelheid houtsplinters van het kruis van Golgotha. In de buste van bisschop Monulfus van Maastricht, die leefde in de zesde eeuw en de opdracht gaf tot het bouwen van de kerk, is, ter hoogte van het hart, een klein venstertje gemaakt. In dat venstertje: zijn gebit.

Het kan me niet schelen of het allemaal echt is of namaak. Natuurlijk is het niet echt. Wie alle ‘authentieke’ houtsplinters ter wereld op een hoop veegt, zou een stuk of honderd heilige kruizen kunnen bouwen. Het ontroerende aan die vreemde relikwieëncultuur is juist het diepe verlangen naar iets wat echt is – en de onvermijdelijke onechtheid die daaruit voortvloeit. Relieken zijn tastbare overblijfselen van een tijd die voorbij is, van lichamen die al lang dood zijn. Ze bieden de illusie dat er altijd iets zal blijven bestaan, een stukje eeuwigheid in de chaos van het tijdelijke.

Vlak voor ik weer naar buiten liep bleef ik staan bij een zilveren, met edelstenen ingelegde arm, met een hand in het gebaar van de heilige drie-eenheid. Binnen in de arm, achter glas, de trotse botresten van de arm van de heilige Thomas.
Vrijwel op hetzelfde moment kwam op mijn telefoon een röntgenfoto van mijn vaders gebroken arm binnen. De chirurg wilde afwachten of het vanzelf weer aan elkaar zou groeien. Zo niet, dan moesten ze opereren. Bot dat nergens aan groeit, lost namelijk op.

‘Do not go gentle into that good night’, dichtte Dylan Thomas in 1951: ‘Rage, rage against the dying of the light.’ Meer dan zestig jaar later dalen zijn regels – in donderende voice-over – neer over de eenzame astronauten van Interstellar.
Kitsch? Ja, behoorlijk. Vals sentiment, check. Maar het kan me niet schelen, het volstaat.