Tegen het vergeten

Even een lijstje.

Martin Bril, Martin van Amerongen, A. Moonen, Boudewijn Büch, Johan Polak, Gerard Reve, Gerrit Komrij, Theo van Gogh, Annie M.G. Schmidt, Harry Mulisch, Simon Carmiggelt, Pierre Vinken, F.B. Hotz, Karel van het Reve, Renate Rubinstein, Ischa Meijer, Willem Wilmink, Jan Wolkers, Rob van Gennep, Robert Loesberg, Theo Sontrop – misschien ben ik er een paar vergeten, maar dit zijn doden die ik heb gekend over wie al, soms een grote, vaak een kleine, biografie is verschenen.

Met ‘gekend’ bedoel ik: we noemden elkaar bij de voornaam en hebben elkaar vaker dan drie keer gezien.

Het zijn allemaal literatoren – of ze hebben (dat geldt voor de uitgevers) iets met de literatuur van doen gehad.

Soms denk ik dat het fijn zou zijn als iedereen die sterft ook zou sterven in je geest. Dat je nooit meer aan ze dacht, dat ze echt definitief weg waren. Maar nee. Zoals mijn ouders mij nog dagelijks lastigvallen, zo blijven deze literatoren hardnekkig voortleven, terwijl ze – en dat is de werkelijke tragiek – in feite niet meer gelezen worden.

Ik stop mijn vinger wel eens in de vijver van de boekhandel om te voelen hoe het water is – er is bijna geen water meer.

Ze verdienden de ­eeuwigheid, maar ­kregen de vergetelheid

Nee, ik ga niet zeuren over: er wordt niet meer gelezen. Men leest meer dan ooit, al was het maar de duizenden ondertitels bij de series die men continu bekijkt. En boeken worden ook gelezen. Maar mijn vrienden van toen hebben in feite niets voor de eeuwigheid gemaakt, terwijl ze dat wel hebben gedaan. Ze verdienden de eeuwigheid, maar kregen de vergetelheid.

Op het ogenblik gaat de ‘musical’ over Annie M.G. Schmidt. Dat is natuurlijk mooi, al denk ik niet dat Annie dit had gewild. Maar ik heb er op een of andere manier de pest over in dat Annie overeind moet worden gehouden met een musical. Ik heb niks tegen musicals en goed beschouwd is het logisch dat er van haar een musical wordt gemaakt, want ze schreef zelf ook musicals – en toch ergert het me. Het is alsof ‘wij’, auteurs die nog leven, vergeten zijn Annie de werkelijke status te geven die ze verdient. Ik weet dat er al een televisieserie over haar gemaakt is en dat ze voor Nederlandse begrippen ruim in de belangstelling staat. Haar status is dus groot. Maar toch… ik vind haar nog steeds literair miskend. Moeten we nu over die andere auteurs ook een musical maken? O, ik heb zelf wel eens de tekst en de muziek van Gerard Reve – de musical geschreven, en tegen een gering bedrag kom ik die bij u thuis uitvoeren. Maar ook dat ‘hoort’ niet.

Mijn ouders lééfden met Carmiggelt en Renate Rubinstein, zoals ze ook leefden met Simone de Beauvoir en Sartre, maar het is of ze voor niemand meer iets te zeggen hebben. Wie leest er nog Harry Mulisch? En dat de oplagen van de dode auteurs niet groot meer zijn, begrijp ik, maar waar zijn de essays over ze, de subliteratuur?

Onze cultuur is al verdund. We hebben het zelf gedaan. Mij inspireren deze schrijvers nog, maar de generatie na mij zie ik niet meer Renate Rubinstein verorberen. Na je dood leef je als schrijver hoogstens voort in de herinnering, en je boeken eindigen in de één-eurobakken van het antiquariaat, het rusthuis voordat ze naar het crematorium gaan. Tegenwoordig gaan de boeken al na een jaar of vijf naar het boekencrematorium.

Is het erg?

Ja, want het maakt mij monddood. Ik kan nergens meer aan refereren wat wordt begrepen.

Ik word tot alzheimer en dementie gedwongen. Mijn taal wordt absurd en het gebruik ervan steeds nuttelozer. Als u mij ziet kwijlen, zijn dat de woorden van mijn dode collega’s.