Seksueel geweld: Van gedwongen tongzoen tot verkrachting

Tegen hun wil

Tijdens oorlogen zijn vrouwen vogelvrij, maar ook in vredige rechtsstaten is het percentage verkrachtingen hoog. Hoe zit dat? En waarom blijft de schaamte van het slachtoffer groter dan de schuld en boete van de dader? ‘Vrouwen zijn een prooi, die toevalt aan een minnaar.’

Een Friese veeboer zet de wekker om half twee ’s nachts om dan te kijken of een van zijn koeien al aan het kalven is. Als daar nog geen tekenen van zijn, besluit hij een ommetje te maken, de zwoele nacht in, om de onrust in zijn kop kwijt te raken. Dan ziet hij een meisje, jong en blond, fietsen op weg naar huis. Hij denkt in een flits ‘die is van mij’, gaat haar achterna om als een jager zijn prooi te vangen.

Gedreven door lust ging de knop in zijn hoofd om, zijn geweten schakelde hij uit, zo zou Jasper dertien jaar later in de rechtszaal verklaren. Marianne Vaatstra kruiste het pad van een getrouwde man en vader van twee kinderen, die volgens het psychologische rapport ‘normaal’ was maar zich by chance ontpopte tot een beest. Zijn misdaad appelleert aan een oerangst waar overal ter wereld meisjes mee opgroeien, met als metafoor de grote boze wolf die Roodkapje in het bos tegenkomt en opeet.

In Nederland krijgt twaalf tot vijftien procent van de vrouwen te maken met een verkrachting. Maar het verloopt meestal niet volgens het nachtmerriescenario op het Friese platteland, en mondt zelden uit in moord. Tien procent voldoet aan het stereotiepe beeld zoals we kennen uit de krant of uit films: een anonieme dader grijpt zijn kans met geweld, soms door toeval, soms met voorbedachten rade. Het merendeel – negentig procent – van de verkrachtingen wordt gepleegd door een bekende. De omstandigheden waarin dat gebeurt lopen zeer uiteen.

Op internet beschrijven vrouwen op diverse sites hun slechte ervaringen. Na een feestje eist een student seks van een meisje met wie hij de hele avond gezellig heeft gedanst. Hij drukt haar in een donker steegje tegen de muur. Een meisje wordt bij iemand thuis dronken gevoerd en door een groep hitsige pubers genomen. Een leerling wordt tijdens een bijles in het klaslokaal door haar docent opeens ruw gezoend. In dit soort verhalen vallen vaak woorden van zelfverwijt: ‘Wat was ik naïef’, of: ‘Hoe kon ik zo stom zijn dat ik erin ben getuind.’

Tussen met bruut geweld afgedwongen geslachtsgemeenschap en een ongewilde tongzoen ligt een grijs gebied. Hoe zit dat, met die grenzen en de vertaling daarvan naar de schuldvraag? Want als verkrachtingen zoveel voorkomen, waarom wordt er dan zo weinig aangifte gedaan? Verklaringen zijn er genoeg, maar het blijft rationeel ongrijpbaar. Het is niet te vatten dat er in oorlogsgebieden op zo’n grote schaal seksueel geweld wordt gepleegd en zelfs georkestreerd als wapen wordt ingezet. De algehele rechteloosheid en de chaos zijn daar uiteraard debet aan. Maar in een geciviliseerde rechtsstaat gebeurt het ook, niet massaal, maar als optelsom van individuele vergrijpen wel dagelijks.

Na het Friese drama gingen in Nederland geen vrouwen de straat op om te demonstreren. Dat leek niet nodig, want decennia eerder was in de tweede feministische golf al luid en duidelijk een koppeling gemaakt tussen een gelijkwaardige economische en politieke positie en seksuele bevrijding. Bij het opeisen van zelfbeschikkingsrecht gold toen, net als bij de demonstraties in India na de groepsverkrachting van en moord op een studente, verkrachting als een ultiem bewijs dat de vrouw als lustobject werd gezien en dat er een onuitroeibare machtsongelijkheid bestond. In radicaal-feministische kringen kwam daar zelfs nog een strijd tegen heteroseksualiteit bij. Het credo was ‘liever lesbisch’, want een echte feministe ‘gaat niet met haar onderdrukker naar bed’.

Onder invloed van het feminisme en de veranderende publieke opinie kwam in 1991 een wetswijziging van de verkrachtingswet tot stand. In het Wetboek van Strafrecht artikel 242 werd het begrip verkrachting flink verruimd: gedwongen seks binnen het huwelijk werd formeel verboden. Niet alleen fysiek geweld, ook andere dwangmiddelen (denk bijvoorbeeld aan internet) konden vanaf 1991 leiden tot een veroordeling wegens verkrachting. Als ‘seksuele penetratie’ geldt behalve het dwingen tot geslachtsgemeenschap ook het ongewenst binnendringen in anus of mond. Een tongzoen valt daar dus wettelijk ook onder. Op verkrachting staat maximaal twaalf jaar straf.

Maar een sterke rechtspositie is in de dagelijkse praktijk niet hetzelfde als fysieke soevereiniteit. Anders dan bij gewone geweldsdelicten besluit slechts een klein percentage van de slachtoffers tot een aangifte bij de politie. In 2005 kwam er uit een vergelijkende studie in de Europese Unie naar voren dat er een gapend gat is tussen aangifte en veroordeling. In 1995 stelde de American Medical Associaton dat ‘seksueel geweld, en verkrachting in het bijzonder, wordt beschouwd als de meest ondergerapporteerde geweldsmisdaad in de samenleving’.

‘Dat is niet te accepteren. De maatschappelijke aandacht ervoor is overal in de wereld laag – het is tenslotte van alle tijden – maar verontwaardiging klatert bij een spectaculaire zaak telkens even op. Daarna zakt het gewoon weer in en de cijfers veranderen er niet door’, zegt Renée Römkens, directeur van Atria (voorheen Aletta), het kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis in Amsterdam. Ze pleit voor een elfde gebod: ‘Gij zult niet verkrachten.’ Samen met een aantal onderzoekers deed ze een internationaal vergelijkende studie naar seksueel geweld in oorlogen en in postconflictgebieden, verschenen onder de titel Sexual Violence as an International Crime: Interdisciplinary Approaches.

‘Massale verkrachtingen tijdens oorlogen zijn er altijd geweest en zullen altijd blijven plaatsvinden’, legt Römkens uit. ‘Recent in Joegoslavië, Rwanda, nog steeds in Congo. Het roept collectieve morele verontwaardiging op. Na de strijd zie je vaak dat er geweldige ambities zijn om goede wetgeving te ontwikkelen. Je zag dat bijvoorbeeld ook na het afschaffen van de apartheid in Zuid-Afrika – de wens om schoon schip te maken met de rechteloosheid werd sterk gekoppeld aan de bescherming van vrouwenrechten, en er ontstond tamelijk progressieve wetgeving zoals de domestic violence act. Bij extreme “gewone” gevallen, zoals in India, gaat dat nu gepaard met het opeisen van vrouwenrechten. Maar er verandert niks zonder een goed bestuurlijk en justitieel apparaat om de wetten na te leven. Meisjes en vrouwen doen dan geen aangifte omdat het toch geen zin heeft.’

Het zijn extreme omstandigheden, maar Römkens geeft aan dat in de westerse wereld met een lange rechtsstatelijke traditie hetzelfde mechanisme in afgeleide vorm bestaat: het gros van de ongewenste seksuele handelingen blijft verborgen in de privé-sfeer. De houding van het slachtoffer is vaak ‘ze geloven me toch niet’, en er is zelfverwijt. Schuld en boete voor de dader wordt vaak gesmoord in schaamte bij het slachtoffer.

Verkrachtingszaken die de media halen illustreren hoe belastend en vernederend een rechtsgang is. De oorzaak is, behalve puur juridisch, ook gelegen in culturele conventies in de samenleving.

De strafzaak in 2011 tegen Dominique Strauss-Kahn, toen topman van het imf, die door een kamermeisje werd beschuldigd van aanranding en gedwongen orale seks, werd uiteindelijk geseponeerd. De advocaat van dsk trok met succes de geloofwaardigheid van het kamermeisje in twijfel. Ondertussen kwamen er andere aanklachten tegen dsk uit het verleden naar boven, zoals van de Franse schrijfster Tristane Banon, die hem beschuldigde van aanranding en poging tot verkrachting. Haar moeder was indertijd (2003) tegen melding vanwege de sociale consequenties. En recent nog verscheen Belle et bête (‘Schoonheid en beest’) van de Frans-Argentijnse juriste Marcela Iacub die vorig jaar een affaire van acht maanden had met dsk. In haar boek beschrijft ze een persoon die precies op hem lijkt als ‘half man, half varken’, iemand die twee kanten heeft: een slimme, charmante én een beestachtige kant. Maar in de media werd het kamermeisje beschreven als een ‘pathologische leugenaar’; niet zijn twijfelachtige doopceel maar haar mistige privé-leven kreeg voorrang in de beeldvorming.

Deze casus staat voor vele gevallen waarbij de dader vrijuit ging. In haar boek Rape: A History from 1860 to the Present (2007), een standaardwerk over verkrachting en de mythes daarover, wijst de Britse historica Joanna Bourke op het hardnekkige idee van de leugenachtige vrouw. Dat zit al eeuwenlang gebakken in de culturele beelden van vrouwen en vrouwelijkheid: de vrouw heeft er zelf aanleiding toe gegeven en ze liegt over haar rol tijdens de daad.

Voordat ze met haar onderzoek begon had Bourke eerder een hekel aan de haatdragende visie van radicale feministen. Het concept van seksbeluste macho’s kwam niet overeen met de mannen die zij kende. Maar toen ze studie ging doen naar rapporten van verkrachtingszaken ontdekte ze dat in Engeland en Amerika in de laatste decennia maar zo’n drie procent van de aanklachten vals was en dat juist deze zaken veel media-aandacht kregen. Bovendien constateerde ze dat maar zes procent van de meldingen van verkrachting bij de politie eindigde in een veroordeling. Van een mannencomplot wil ze niet spreken, eerder van een eeuwenlange zeer complexe seksistische cultuur. Ze beschrijft hoe forensische artsen tot ver in de twintigste eeuw door hun studieboeken werden geïnstrueerd om bij het lichamelijk onderzoek na een verkrachting rekening te houden met bedrog. En daarvoor kwamen ze dan ook vaak met bewijzen. Freud meende op basis van zijn ervaring met patiënten dat veel vrouwen vanuit hysterie seks uitlokten of in hun ziekelijke seksuele fantasie verzonnen. Zijn invloed werkt nog steeds door in de perceptie van vrouwen als passief-agressieve verleidelijke wezens.

Volgens Bourke dachten de meeste mensen tot de tweede feministische golf volgens een simpel evolutionair model dat werd ondersteund door religie: de man heeft van nature een enorme behoefte aan seks en de verantwoordelijkheid – en daarmee de eer – ligt bij de vrouw om dat wel of niet toe te laten. Een man kan zijn driften alleen beheersen als een vrouw kuis en fatsoenlijk is. Gebeurde het toch, dan had zij daar aanleiding toe gegeven, bijvoorbeeld door in een café te zitten, alcohol te drinken, te dansen of met mannen op te trekken. En misschien had ze stiekem die seks wel gewild, en zelfs lekker gevonden, want er werd tot ver in de twintigste eeuw door artsen en juristen aangenomen dat het fysiek onmogelijk was om een tegenstribbelende vrouw te penetreren. Bovendien, stelt Bourke, werd met de opkomst van een brede middenklasse gedacht dat verkrachting vooral voorkwam in de lage sociale klasse. Verkrachters waren simpele figuren, te herkennen aan een laag voorhoofd, met allerlei seksuele afwijkingen. Binnen eigen kring gebeurde het niet, althans nooit zomaar.

Hoewel de feministes in de westerse wereld hard afrekenden met deze mythes werkt het beeld van de schuldige vrouw onbewust nog steeds door. Binnen de islamitische geloofscultuur geldt het morele beginsel van de kuise vrouw versus de vrije vrouw concreet via de kledingvoorschriften voor de publieke ruimte. En het hele idee van schaamte bij de vrouw zelf blijft in alle culturen een geïnternaliseerde reactie op een ongewenste seksuele ervaring.

Het archetype daarvan is ontegenzeglijk de verkrachting en zelfdoding van Lucretia uit de klassieke mythologie. Volgens de overlevering gold de getrouwde Lucretia als beeldschoon en het toonbeeld van deugdzaamheid. Toen de zonen van de koning en hun metgezellen tijdens een strijd naar Rome terugkeerden om te controleren of hun vrouwen zich in hun afwezigheid wel netjes gedroegen, zagen ze hen feestvieren terwijl Lucretia zich keurig had teruggetrokken en wol zat te spinnen. Een van de koningszonen kon de aanblik van deze reine vrouw niet weerstaan. Hij verkrachtte haar. Waarop zij haar vader en echtgenoot bij zich riep en zichzelf met een mes doodstak. Dat er daarna een opstand uitbrak kan duiden op de woede erover. Maar de crux van het verhaal, dat door de eeuwen heen kunstenaars en schrijvers bleef inspireren, is dat zij zichzelf strafte om haar eer te redden.

Haar daad zou in moderne termen ook kunnen staan voor een trauma waar zij niet mee zou kunnen leven. Want zoals de aangifte gering is, zo wordt ook de psychische impact van een verkrachting vaak niet onderkend. En die dingen liggen in het verlengde van elkaar: gekrenkte eigenwaarde, angst dat men twijfelt aan het verhaal en het verdringen van de gebeurtenis door het slachtoffer.

Dat proces kan wél worden doorbroken, zegt klinisch psycholoog en onderzoeker Iva Bicanic. Dat bedoelt ze niet filosofisch maar praktisch: ‘Als je meteen na een verkrachting goed wordt opgevangen, dan voorkom je op termijn ellende. Een verkrachting kan anders lang emotioneel en seksueel ontwrichtend doorwerken.’ Bicanic is een van de oprichters van het eerste Centrum Seksueel Geweld in Nederland dat vorig jaar werd geopend naar een voorbeeld van Rape Centres in Denemarken, Engeland en de Verenigde Staten. Hier bieden hulpverleners vanuit medische, forensische en psychosociale disciplines zo snel mogelijk na de gebeurtenis op één locatie hulp. Het centrum is een onderdeel van het Landelijk Psychotraumacentrum Universitair Medisch Centrum, gevestigd op de Uithof.

Onderzoek uit Amerika en Denemarken lijkt aan te tonen dat een multidisciplinaire aanpak de kans op het ontstaan van psychische en medische problemen verkleint. En minstens zo belangrijk: de kans op het vinden en berechten van de dader vergroot. ‘We werkten voorheen per discipline zodat de slachtoffers steeds naar een andere afdeling moesten en telkens weer hun verhaal moesten doen’, vertelt Bicanic. ‘De versnippering van zorg staat herstel in de weg, dat toonde onderzoek aan en dat hoorden we van meisjes. Bij ons was voorheen de forensische discipline gescheiden van de curatieve. In Denemarken gebeurt het verzamelen van sporen en de medische behandeling door één persoon.’

De oprichting van het Rape Centre in Utrecht is een stap voorwaarts in de moeizame geschiedenis van verkrachting. Nijmegen volgde en binnenkort starten er ook centra in Leiden, Leeuwarden en Limburg. Het centrum loopt na een dik jaar goed. De 24-uurslijn wordt frequent gebeld en ze zien uit de regio Utrecht per week twee kersverse gevallen. ‘Toch blijft de drempel hoog, ook uit angst voor wraak. Slechts tien procent doet uiteindelijk aangifte. Dat verandert niet zomaar, het taboe is enorm, vooral als het gaat om een verkrachting door bekenden.’

Iva Bicanic pakt de cijfers erbij. Wat zij zien komt min of meer overeen met de algehele statistieken. ‘Incestgevallen melden zich niet in de acute fase, want die hebben te veel te verliezen’, zegt ze. Maar wel: een slachtoffer van een gefrustreerde ex. Meisjes die in het uitgaansleven tegen de verkeerde jongen aan lopen. Gevallen van misbruik na internetverkeer. Slachtoffers van loverboys. De masseur die te ver gaat. En er komen opvallend veel islamitische meisjes en vrouwen. ‘Ze zijn bang voor verlies van het maagdenvlies, maar ze komen tenminste wél. Meestal alleen, heel triest. En ook jongens, zo’n elf procent. Misbruik van jongens en mannen is helemaal een taboegebied. Ze schamen zich heel diep want ze krijgen vaak wel een erectie, als gevolg van extreme stress.’

De gemiddelde leeftijd ligt tussen de vijftien en 25 jaar. ‘Daarna daalt de kans op verkrachting rap – het uitgaansleven is een vergaarbak van risico’s – want vanaf ongeveer 25 jaar leiden meisjes vaak een wat stabieler leven en weten ze beter welke situaties risicovol zijn.’

Haar werk geeft zeker een aangetast beeld van sekseverhoudingen. Maar nee, zegt ze, vrouwen zijn niet vogelvrij, zoals feministen stellen: ‘Jongens worden ook verkracht, hoewel in aantallen natuurlijk een schijntje vergeleken bij vrouwen. Ik zie verkrachting niet als een genderstrijd maar als een machtsstrijd, met seks als wapen. Er werken hier ook mannen, dat maakt niks uit. Het gaat om de bejegening. En altijd om erkenning.’

Renée Römkens onderstreept dat bij verkrachting van vrouwen wel een gender-bepaalde dimensie meespeelt. De vrouw is vaak de zwakke partij, alleen al vanwege het fysieke verschil. ‘Van Rwanda tot Nederland – geen enkele vrouw is gevrijwaard van het risico op verkrachting, en helemaal niet in een oorlogsgebied en in arme landen waar die verhoudingen onder extreme druk staan. Dan kan elke man iemand kiezen. Vrouwen zijn cultureel gezien vaak een prooi, die toevalt aan de minnaar. In het onderbewuste van heel veel mensen zit dat vrouwen zu haben zijn.’

Maar, zegt ze, we zijn langzamerhand wel iets verder gekomen. De wetten deinen mee met de veranderende opvattingen: ‘In de Haagse Conventie in 1907 had verkrachting nog geen betrekking op de autonomie van het individu maar werd gezien als een schending van de eer van een gezin. De schade voor de familie werd opgevat als groter dan voor de vrouw zelf. Dat veranderde pas formeel vanaf de jaren negentig.’

In het oorlogsrecht zie je een vergelijkbare ontwikkeling, zegt ze: ‘Na de Tweede Wereldoorlog is bij de oorlogstribunalen in Neurenberg en Tokio verkrachting wel benoemd maar niet vastgelegd. Inmiddels, decennia verder, wordt verkrachting tijdens oorlog beschouwd als een misdaad tegen de menselijkheid en als een instrument in de strijd tegen de vijand. Het Joegoslavië Tribunaal is het omslagpunt geweest. Behalve voor berechting zorgt dat voor jurisprudentie. Het werd overgenomen door de Verenigde Naties en daar komen internationaal bindende verdragen uit voort.’

Als onderzoeker houdt Römkens zich structureel bezig met geweld dat vrouwen wordt aangedaan. Krijgt zij enige grip op het fenomeen? ‘Als ik al die verhalen lees of aanhoor, merk ik dat ik het schokkend en heel gewoon – in de zin van banaal – tegelijk vind. Kwaad zit in de mens, ik wil het graag begrijpen. Dat lukt deels door onderzoek, maar de verbijstering blijft. Bij verkrachting zie ik veel ontkenning. Dat is ook een psychologisch overlevingsmechanisme.’

Ook zij wijst op de ontkennende rol van de omgeving: ‘Zelfs als mensen een verkrachting voor hun ogen zien gebeuren wordt nog getwijfeld of het waar is. Er is onderzoek met een geënsceneerde situatie gedaan naar de _bystander-_respons. De situatie zorgt voor ongemak en ook het gevoel “ik mag me er niet mee bemoeien”. Het blijkt dat mensen niet snel ingrijpen. Hetzelfde effect zie je als iemand vertelt over een vreselijke seksuele ervaring – mensen willen het vaak niet horen. Het is een privé-zaak, maar ook is het een vorm van zelfbescherming. Liever niet toelaten.’

Die houding illustreert ze met een recent voorbeeld. In Trouw schreef Asha ten Broeke in een column over een verkrachting en wat het met haar had gedaan. Ze kreeg hoongelach over zich heen. Hoe dom kon ze zijn, ze was er immers zelf bij. ‘Dat geeft precies aan hoe erover wordt gedacht: de vrouw draagt schuld. Die taak ligt er, ook in de opvoeding: we moeten meisjes en jongens leren wat grenzen in het seksuele verkeer zijn. De vraag hardop stellen wat wij wederzijds aanvaardbaar vinden en wat de omgeving ervan vindt.’

En dan komen we weer uit bij dat ingewikkelde grijze gebied tussen een ongewenste tongzoen en een brute copulatie. De Hoge Raad maakte onlangs, op 12 maart, met ‘het tongzoenarrest’ in ieder geval een einde aan één grens: een gedwongen tongzoen geldt niet meer als het ‘seksueel binnendringen van het lichaam’, zoals staat omschreven in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, maar als aanranding. Al jaren bekritiseren advocaten, wetenschappers en rechters deze zeer zware kwalificatie van verkrachting.

‘Dit is goed nieuws’, zegt advocaat Michelle Verger-Maas, die zowel daders als slachtoffers verdedigt. ‘Een ongewenste tongzoen komt vaak voor in jeugdstrafzaken en dan is het stempel van verkrachting wel erg zwaar. Dat betekende een hoge straf en ook dat het stigmatiserende “verkrachting” levenslang op hun strafblad kwam te staan.’

‘Onderschat de kwalificatie “aanranding” niet’, voegt ze eraan toe. ‘Het is een inbreuk op iemands integriteit en blijft hoe dan ook een zedendelict – en dat staat levenslang op je strafblad.’ Als advocaat heeft ze veel grensoverschrijdende gevallen meegemaakt: ‘Altijd lastig: het is tussen twee mensen, meestal zonder getuigen, en de grens van dwang kán arbitrair zijn.’

Ze had een keer een zaak van een jonge student met een one night stand. Het meisje werd de volgende ochtend boos en had het ervaren als dwang. Ze deed aangifte van verkrachting bij de politie. Hij werd na een anderhalf jaar slepend proces vrijgesproken. ‘Je kijkt dan hoe consistent de verklaring van beiden is. Maar ook of omstanders hen in de kroeg hadden gezien, of iemand in huis iets had gehoord, of er letsel of blauwe plekken zijn. Uiteindelijk hoort een rechter dan het voordeel van de twijfel toe te passen, hij moet vrijspraak geven als het bewijs niet overtuigend genoeg is. Een rechter mag in zijn beoordeling meenemen wat hij tijdens de zitting waarneemt. De jongen was in tranen, hij meende het echt. Je kijkt ook of er al een strafblad is, wat niet het geval was bij hem. Je moet je realiseren wat de gevolgen zijn, ook voor zo’n jongen die wordt vervolgd voor verkrachting.’


Cijfers
Twaalf tot vijftien procent van de Nederlandse vrouwen heeft wel eens geslachtsgemeenschap tegen hun wil meegemaakt. Dat cijfer is afkomstig van Rutgers WPF, kenniscentrum seksualiteit, dat in 2009, en in 2012, een grootschalig onderzoek deed naar allerlei aspecten van ‘de seksuele gezondheid’. Het cijfer voor Nederland komt grosso modo overeen met dat voor andere westerse landen. Volgens het Amerikaanse Bureau of Justice Statistics zijn 91 procent van de slachtoffers vrouwen en 9 procent mannen (jongens). De risicoleeftijd ligt tussen 14 en 25 jaar. De daders zijn bijna altijd mannen (99 procent).

Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de aangifte van seksuele misdrijven laag is en zelfs afneemt. In 2005 was het aantal gerapporteerde verkrachtingen 2505, en in 2011 1590. Voor aanranding was dat in 2005 3340 en in 2011 2210. In andere westerse landen gelden ongeveer dezelfde statistieken met eenzelfde gat tussen delicten en rapportage.

In arme landen schieten de verkrachtingspercentages omhoog. Volgens The International Violence Against Women Survey (IVAWS) is het bijvoorbeeld in Costa Rica 41 procent, en op het platteland in Ethiopië 59 procent. Gaat het om oorlogsgebieden, dan liggen de getallen ver daarboven.