Essay: Wat heet Anti-Amerikaans?

Tegen jazz en sequoia’s?

De Amerikaanse retoriek na 11 september 2001 leek aanvankelijk dwaas en arrogant. Inmiddels is gebleken dat zij deel uitmaakt van een uitgekookte campagne om steun te werven voor een gevaarlijke oorlog. Amerika erkent niet dat er buiten haar nog een wereld bestaat.

Degenen die zich kritisch hebben uitgelaten over het optreden van de regering van de VS — en daar hoor ik zelf ook bij — worden «anti-Amerikaans» genoemd. Men is bezig anti-Amerikanisme te verheffen tot een ideologie.

Normaal gesproken wordt de term «anti-Amerikaans» door het Amerikaanse establishment gebruikt om zijn criticasters in diskrediet te brengen en hen niet onjuist maar laten we zeggen onnauwkeurig te etiketteren. Zodra iemand eenmaal als anti-Amerikaans te boek staat, is de kans groot dat men zijn oordeel al klaar heeft voordat men de betreffende persoon goed en wel heeft gehoord, en dat zijn of haar betoog verloren gaat in de woeling van gekwetste nationale trots.

Wat betekent de term «anti-Amerikaans» eigenlijk? Wil het zeggen dat je tegen jazz gekant bent? Of dat je stelling neemt tegen de vrijheid van meningsuiting? Dat je niet weg bent van Toni Morrison of John Updike? Dat je niet van reuzensequoia’s houdt? Betekent het dat je geen bewondering hebt voor de honderdduizenden Amerikaanse burgers die meeliepen in de protestmarsen tegen nucleaire wapens, of voor de duizenden die zich verzetten tegen de oorlog en hun regering dwongen zich uit Vietnam terug te trekken? Wil het zeggen dat je alle Amerikanen haat?

Deze zeer sluwe koppeling tussen de Amerikaanse cultuur, muziek en literatuur, de adembenemende fysieke schoonheid van het land en de alledaagse genoegens van alledaagse mensen enerzijds, en het uitoefenen van kritiek op het buitenlandse beleid van de Amerikaanse regering (waarover de meeste Amerikanen dankzij Amerika’s «vrije pers» helaas maar zeer weinig weten) anderzijds, is een doelbewuste en uiterst effectieve strategie. Het is als een zich terugtrekkend leger dat dekking zoekt in een drukbevolkte stad in de hoop dat het vooruitzicht dat er burgerdoelen geraakt kunnen worden, de vijand ervan zal weerhouden het vuur te openen.

Er zijn veel Amerikanen die diep gekrenkt zouden zijn wanneer ze geassocieerd werden met het beleid van hun regering. De meest erudiete, vernietigende, snijdende en hilarische kritiek op de hypocrisie en tegenstrijdigheden in het beleid van de regering van de VS is afkomstig van Amerikaanse staatsburgers. Wie buiten Amerika wil weten wat de Amerikaanse regering van plan is, wendt zich tot Noam Chomsky, Edward Said, Howard Zinn, Ed Herman, Amy Goodman, Michael Albert, Chalmers Johnson, William Blum en Anthony Arnove.

Iemand anti-Amerikaans te noemen, of zelfs anti-Amerikaans te zijn, getuigt van een gebrek aan voorstellingsvermogen. Het onvermogen de wereld anders te zien dan binnen de door het establishment bepaalde kaders: als je geen Bushie bent, dan ben je een Taliban. Als je niet van ons houdt, dan haat je ons. Als je niet goed bent, dan ben je een schurk. Als je niet aan onze kant staat, dan sta je aan de kant van de terroristen.

Net als vele anderen heb ik vorig jaar de vergissing begaan om deze retoriek uit de dagen na 11 september 2001 niet serieus te nemen en als dwaas en arrogant af te doen. Inmiddels ben ik gaan beseffen dat het helemaal geen dwaasheid is. Het is een zeer uitgekookte campagne om steun te werven voor een verkeerd begrepen, gevaarlijke oorlog. Ik sta elke dag weer versteld hoeveel mensen geloven dat stelling nemen tegen de oorlog in Afghanistan gelijk staat aan het geven van steun aan het terrorisme of aan de Taliban. Nu het aanvankelijke doel van de oorlog — de gevangenneming van Osama bin Laden (dood of levend) — niet meer te verwezenlijken lijkt, is het doel verzet. Men houdt nu vol dat de oorlog geen ander doel had dan het Taliban-regime omver te werpen en de Afghaanse vrouwen van hun burka’s te bevrijden. Men verwacht dat we geloven dat de Amerikaanse mariniers dus eigenlijk een feministische missie aan het vervullen zijn. (Als dat zo is, doen ze hierna dan Saoedi-Arabië aan, Amerika’s militaire bondgenoot?)

Wat iedereen natuurlijk het meest duidelijk voor de geest staat, zijn de gruwelen van wat men in het Engels «9/11» is gaan noemen. Door deze moorddadige terroristische aanslag verloren bijna drieduizend burgers het leven. Het verdriet zit nog diep. De woede tiert nog in alle hevigheid. De tranen zijn nog niet opgedroogd. En over de wereld raast een zonderlinge, dodelijke oorlog. Toch weet iedereen die een geliefde heeft verloren diep in zijn binnenste dat geen enkele oorlog, geen enkele vergeldingsdaad, geen enkele fragmentatiebom die op de geliefden of kinderen van iemand anders wordt neergegooid, ooit de pijn van de eigen wonden zal helen of de eigen geliefde zal terugbrengen. Oorlog kan de doden niet wreken. Oorlog is slechts een brute ontheiliging van hun nagedachtenis.

De bevolking op te hitsen tot nog weer een oorlog — ditmaal tegen Irak — door haar verdriet op een cynische manier te manipuleren, door het te verpakken in tv-specials die worden gespon sord door bedrijven die wasmiddelen of sportschoenen aan de man proberen te brengen, betekent dat men afbreuk doet aan dit verdriet, dat het wordt gedevalueerd, dat het van zijn betekenis wordt beroofd. Wat we momenteel zien is een platvloerse demonstratie van de zakelijke uitbuiting van verdriet, van de commercialisering van verdriet, van de uitholling van de meest intieme menselijke gevoelens voor politieke doeleinden. Het is afschuwelijk, het is keihard, wanneer een staat zijn bevolking dit aandoet.

De elfde september heeft in het Midden-Oosten een tragische bijklank. Op 11 september 1922 werd door de Britse regering — die daarmee volledig voorbijging aan de woede van de Arabieren — in Palestina een mandaat afgekondigd, een vervolg op de Verklaring van Balfour van 1917, die werd uitgevaardigd in naam van het Britse Imperium op het moment dat dat zijn troepen had verzameld voor de poorten van Gaza-stad. De Verklaring van Balfour beloofde Europese zionisten een thuisland voor joden. Twee jaar na de Verklaring zei Lord Balfour, de Britse minister van Buitenlandse Zaken: «Het is niet onze bedoeling om in Palestina de formele procedure te doorlopen om de wens van de huidige bevolking van het land te raadplegen. Het zionisme, of het nu in zijn gelijk staat of niet, of het nu goed is of slecht, is geworteld in eeuwenoude tradities, in behoeften van het heden en in een hoop voor de toekomst die van veel grotere importantie zijn dan de verlangens of vooroordelen van de zevenhonderd duizend Arabieren die momenteel in dit oeroude land wonen.»

Met wat een achteloosheid velde de Britse grootmacht een oordeel over de vraag wiens behoeften van grotere en wiens behoeften van geringere importantie waren. Met wat een onverschilligheid ontleedde zij oeroude beschavingen. Palestina en Kasjmir zijn de etterende, met bloed doordrenkte geschenken van het Britse Imperium aan de moderne wereld. Beide zijn breuk lijnen in de heftige internationale conflicten van vandaag.

In een ander deel van het Midden-Oosten roept 11 september herinneringen op aan een recenter verleden. Op 11 september 1990 hield George W. Bush sr., de toenmalige president van de VS, een lezing voor een voltallige vergadering van het Congres, waarin hij aankondigde dat zijn regering had besloten een oorlog tegen Irak te beginnen.

De regering van de VS stelt dat Saddam Hoessein een oorlogsmisdadiger is, een wreedaardige militaire despoot die genocide heeft gepleegd op zijn eigen volk. Het is een volkomen accurate beschrijving van de man. Hij heeft in 1988 in het noorden van Irak honderden dorpen met de grond gelijk gemaakt en met behulp van chemische wapens en machinegeweren duizenden Koerden vermoord. We weten nu dat de Amerikaanse regering hem datzelfde jaar vijfhonderd miljoen dollar aan subsidies heeft gegeven om Amerikaanse landbouwproducten te kopen. Het jaar erna, toen hij zijn op rassenmoord gerichte campagne met succes had afgerond, verdubbelde de Amerikaanse regering deze subsidies tot een miljard dollar. Tegelijkertijd schonk zij hem een kwalitatief hoogwaardige stam voor de ontwikkeling van de miltvuurbacterie, en daarbij ook nog helikopters en dual use-materialen die konden worden gebruikt voor de productie van chemische en biologische wapens.

Zo blijkt dat de Britse en Amerikaanse regering de naaste bondgenoten van Saddam Hoessein waren in de tijd dat hij zijn gruwelijkste wandaden pleegde. Zelfs tegenwoordig is de regering van Turkije, dat op het gebied van de mensenrechten een van de meest erbarmelijke reputaties ter wereld heeft, een naaste bondgenoot van de Amerikaanse regering. Het feit dat de Turkse regering de Koerdische bevolking jarenlang heeft onderdrukt en vermoord, heeft de regering van de VS er niet van weerhouden het land doorlopend van wapens te voorzien en te overstelpen met ontwikkelingshulp. Het is duidelijk dat de speech die president Bush voor het Congres hield hem niet werd ingegeven door bezorgdheid over het lot van het Koerdische volk.

Wat is er veranderd? In augustus 1990 viel Saddam Hoessein Koeweit binnen. De zonde die hij beging, was niet zozeer dat hij daarmee een oorlogsdaad verrichtte, maar dat hij zelfstandig had gehandeld, zonder bevel van zijn superieuren. Dit vertoon van onafhankelijkheid was voldoende om het machtsevenwicht in het gebied rond de Perzische Golf te verstoren. Daarom werd besloten dat Saddam Hoessein moest worden geëlimineerd, als een huisdier waarvoor het baasje geen genegenheid meer opbrengt.

Ten gevolge van de sancties is ongeveer een half miljoen Irakese kinderen gestorven. In de tijd dat zij VS-ambassadeur bij de Verenigde Naties was, deed Madeleine Albright een beroemde uitspraak over deze kinderen: «Het is zeer moeilijk hiervoor te kiezen, maar wij denken dat het de prijs waard is.» «Morele gelijkwaardigheid» was de term die werd gebruikt om iedereen te hekelen die zich kritisch uitliet over de oorlog tegen Afghanistan. Madeleine Albright kan geen «morele gelijkwaardigheid» verweten worden. Haar uitspraak was gewoon rechtlijnige algebra.

Tien jaar van bombardementen heeft Saddam Hoessein, het «Beest van Bagdad», niet kunnen verdrijven. Nu, bijna twaalf jaar later, heeft president George Bush jr. dezelfde retoriek weer afgerateld. Hij wil Irak de totale oorlog verklaren, een oorlog die niets minder wil bewerkstelligen dan een wisseling van het regime. Andrew H. Card jr., de stafchef van het Witte Huis, beschreef hoe de regering bezig was haar oorlogsplannen voor deze herfst te intensiveren. «Als je het beziet vanuit het oogpunt van marketing», zei hij, «moet je in augustus geen nieuwe producten introduceren.» Ditmaal is het motto waarmee Washington zijn «nieuwe product» aanprijst niet de benarde situatie van de bevolking van Koeweit, maar de stelling dat Irak over massavernietigings wapens beschikt. Vergeet «het doelloze gemoraliseer van de ‹vredeslobby’s›», schreef Richard Perle, voorzitter van de Raad voor het Defensiebeleid. De VS zullen «zelfstandig optreden indien dat noodzakelijk is» en een «preventieve aanval» uitvoeren wanneer zij tot de conclusie komen dat dit in het belang is van de VS.

De rapporten van de wapeninspecteurs spreken elkaar tegen als het gaat om de huidige status van de massavernietigingswapens waarover Irak beschikt. Velen van hen hebben duidelijk verklaard dat het Irakese arsenaal ontmanteld is en dat het land niet over de capaciteit beschikt een dergelijk wapen te bouwen. Er bestaan echter geen onduidelijkheden over de omvang en verscheidenheid van het Amerikaanse arsenaal aan nucleaire en chemische wapens. Zou de regering van de VS wapeninspecteurs verwelkomen? Zou Groot-Brittannië dat doen? Of Israël?

Wat als Irak inderdaad een nucleair wapen bezit? Rechtvaardigt dat een preventieve aanval door de VS? De VS bezitten het grootste arsenaal nucleaire wapens ter wereld. Het is het enige land dat ze ooit werkelijk tegen een burgerbevolking heeft ingezet. Wanneer de VS gerechtigd zijn een preventieve aanval op Irak uit te voeren, dan is elke nucleaire macht gerechtigd een preventieve aanval op elke andere nucleaire macht uit te voeren. India zou Pakistan kunnen aanvallen, of omgekeerd. Wanneer de regering van de VS een hekel krijgt aan de premier van India, kan zij hem dan simpelweg «buiten gevecht stellen» door een preventieve aanval uit te voeren?

Oorlogen worden nooit gestreden om altruïstische redenen. Ze worden meestal uitgevochten om hegemonie te verkrijgen, om zakelijke belangen veilig te stellen. En dan is er natuurlijk nog het oorlogsbedrijf. Het beschermen van de controle over de wereldolievoorraad is een van de grondslagen van het Amerikaanse buitenlandse beleid. De onlangs door de regering van de VS uitgevoerde militaire interventies in de Balkan en in Centraal-Azië houden verband met olie. Hamid Karzai, de door de VS geïnstalleerde marionetpresident van Afghanistan, is naar verluidt een voormalig medewerker van Unocal, de in Amerika gevestigde oliemaatschappij. De reden waarom de regering van de VS zo paranoïde patrouille loopt in het Midden-Oosten hangt samen met het feit dat zich daar tweederde van de wereldoliereserves bevindt. Olie zorgt ervoor dat de Amerikaanse motoren en machines tevreden blijven snorren. Olie maakt dat de vrije markt blijft draaien. Wie de wereldolievoorraden beheerst, beheerst de wereldmarkt. Maar hoe beheers je de olievoorraden?

Niemand heeft dat zo fijntjes verwoord als Thomas Friedman, de columnist van The New York Times. Onder de kop «Waanzin loont de moeite» stelt hij in een van zijn artikelen dat «de VS Irak en de bondgenoten van de VS moeten duidelijk maken dat… Amerika van geweld gebruik zal maken zonder overleg, zonder aarzeling of instemming van de VN». Zijn advies werd goed opgevolgd: in de oorlogen tegen Irak en Afghanistan en ook in de bijna dagelijkse vernederingen die de Amerikaanse regering over de VN uitstort. In zijn boek over mondialisering, The Lexus and the Olive Tree, stelt Friedman: «De verborgen hand van de markt zal nooit werken zonder een verborgen vuist. McDonald’s kan niet floreren zonder McDonnell-Douglas… En de verborgen vuist die over de veiligheid in de wereld waakt, zodat de technologieën van Silicon Valley kunnen floreren, heet US Army, Air Force, Navy en Marine Corps.» Het is mogelijk dat Friedman dit schreef op een moment van zwakte, maar het is werkelijk een van de meest bondige en nauwkeurige omschrijvingen van het concept van neoliberale mondialisering die ik ooit heb gelezen.

Na 11 september 2001 en na de oorlog tegen het terrorisme is het masker weggerukt waarachter de hand en vuist schuilgingen. Momenteel is duidelijk zichtbaar hoe Amerika’s andere wapen — de vrije markt — met een verbeten en vreugdeloze glimlach inbeukt op de ontwikkelingslanden. De nooit eindigende taak is Amerika’s volmaakte oorlog, het volmaakte middel voor de nimmer eindigende expansie van het Amerikaanse imperialisme.

Gedurende de afgelopen tien jaar van onbeteugelde neoliberale mondialisering is het totale wereldinkomen jaarlijks gemiddeld met tweeënhalf procent gestegen. Toch steeg het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft met honderd miljoen. In de top- honderd van de grootste economieën worden 51 plaatsen ingenomen door multinationals en niet door nationale staten. De bovenste één procent van de wereld heeft hetzelfde gezamenlijke inkomen als de onderste 57 procent. En het verschil wordt nog altijd groter. Onder de steeds groeiende paraplu van de oorlog tegen het terrorisme wordt dit proces in allerijl nog verder opgedreven. Er heeft zich van de mannen in pak een onwelvoeglijke haast meester gemaakt. Terwijl de bommen op ons neer regenen en de kruisraketten langs de hemel voortjagen, terwijl men nucleaire wapenvoorraden aanlegt om de wereld veiliger te maken, worden contracten getekend, patenten geregistreerd, oliepijpleidingen aangelegd, natuurlijke hulpbronnen geplunderd, wordt water geprivatiseerd en worden democratieën ondermijnd.

Niet de nationale soevereiniteit wordt door de vrije markt ondermijnd, maar de democratie. Terwijl de kloof tussen arm en rijk groter wordt, weet de verborgen vuist precies wat hem te doen staat. Multinationals die loeren op zeer lucratieve sweetheart deals met ontwikkelingslanden kunnen dergelijke overeenkomsten niet doordrukken en ten uitvoer brengen zonder de actieve medewerking van het staatsapparaat — de politie, de gerechtshoven en soms zelfs het leger. De neoliberale mondialisering heeft momenteel behoefte aan een internationale confederatie van trouwe, corrupte en liefst autoritaire overheden in armere landen om onpopulaire hervormingen door te drijven en opstandigheid de kop in te drukken. Ze heeft behoefte aan een pers die doet alsof zij vrij is. Ze heeft behoefte aan gerechtshoven die voorwenden dat zij gerechtigheid doen geschieden. Zij heeft behoefte aan nucleaire bommen, staande legers, strengere immigratiewetgeving en waakzame kustwachten om erover te waken dat alleen geld, goederen, patenten en diensten geglobaliseerd worden — niet het vrije verkeer van mensen, niet de naleving van de rechten van de mens, niet de internationale verdragen over rassendiscriminatie, chemische en nucleaire wapens, de uitstoot van broeikasgassen, klimaatverandering of — God verhoede — gerechtigheid. Het lijkt alsof de hele operatie tot mislukken gedoemd zou zijn wanneer ook maar het minste gebaar zou worden gemaakt in de richting van internationale aansprakelijkheid.

Bijna een jaar nadat te midden van de ruïnes van Afghanistan officieel het startsein werd gegeven voor de oorlog tegen het terrorisme worden in het ene na het andere land vrijheden beknot in naam van de bescherming van de vrijheid, en worden burgerlijke vrijheden herroepen in naam van de bescherming van de democratie. Wanneer iemand op een of andere manier uit de pas loopt, wordt dit bestempeld als «terrorisme». Er worden wetten aangenomen om hier paal en perk aan te stellen. Osama bin Laden lijkt in de lucht te zijn opgelost. De Taliban mogen dan verdwenen zijn, maar hun geesteshouding en hun stelsel van snelrecht komen op de onwaarschijnlijkste plaatsen aan de oppervlakte. In India, Pakistan, Nigeria, Amerika, en natuurlijk in Afghanistan onder het bewind van de door de VS gesteunde Noordelijke Alliantie.

Donald Rumsfeld zei dat het in de oorlog tegen het terrorisme zijn taak was om de wereld ervan te overtuigen dat de Amerikanen hun manier van leven moeten kunnen voortzetten. Amerika erkent niet dat er buiten haar nog een wereld bestaat. Gelukkig heeft macht een beperkte houdbaarheid. Wanneer het moment daar is, zal dit machtige rijk, net als andere voor hem, mogelijk slachtoffer worden van zijn eigen beleid en imploderen. Het lijkt erop dat de eerste barsten in de constructie al zichtbaar zijn. Terwijl de oorlog tegen het terrorisme zijn net steeds verder uitbreidt, bloedt Amerika’s neoliberale hart dood. Ondanks al het oeverloze gepraat over democratie wordt de wereld momenteel geregeerd door drie van de meest geheimzinnige instellingen ter wereld: het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie. Alledrie staan ze onder controle van de VS. Ze nemen hun beslissingen in het geheim. De mensen die aan het hoofd van deze organisaties staan, worden achter gesloten deuren benoemd. Niemand weet veel van deze mensen af, van hun principes, overtuigingen, bedoelingen. Een wereld die wordt bestuurd door een handjevol inhalige bankiers en chief executive officers die door niemand zijn gekozen, kan geen stand houden.

Het communisme in Sovjet-Unie-stijl is op een mislukking uitgelopen, niet omdat het intrinsiek slecht was, maar omdat het onvolmaakt was: te weinig mensen trokken te veel macht naar zich toe. Het 21ste-eeuwse marktkapitalisme Amerikaanse stijl zal om dezelfde reden op een mislukking uitlopen. Beide zijn bouwwerken die werden opgericht door het menselijk intellect en die door de menselijke natuur te gronde zijn of zullen worden gericht.

Vertaald door Sander Hendriks