Gerrit Komrij, Hercules

Tegen koketterie

Gerrit Komrij

Hercules

De Bezige Bij, 143 blz., € 16,50

Gerrit Komrij laat ons in Hercules flink raden naar waar het hem om ging. De eerste zin is duidelijk genoeg, daar niet van: «Daar loopt Tim, de held van onze allegorie.» Hier is een verteller aan het woord die zijn held introduceert. Maar even verderop is die Tim een «(…) afgezant van de goden. Ik heet Tim, maar mijn echte naam is Hercules.» Dus lijkt het ineens om een ik-verhaal te gaan. En iets daarvoor staat: «Zijn naam is Tim. Gewoon enkelvoud. Hij had ook Tobias kunnen heten of Taco. Tijmen of Tjeerd.» Nu zijn we weer bij een alwetende verteller. Deze afwisseling tussen een ik en een verteller klinkt in het hele boek door en zorgt ervoor dat we steeds afstand kunnen nemen van de antiheld Tim. Dit heeft ook iets te maken met het motief van de «camera» dat door het hele boek speelt; steeds heeft Tim het gevoel dat al zijn handelingen gadegeslagen worden door een niets ontziende camera. Wij, lezers, beginnen meer en meer te vermoeden dat die camera de schrijver Komrij zelf is. Het klinkt allemaal ingewikkelder dan het is, Komrij wilde een held creëren die zich niet boven ons stelt, een alledaagse held, geen god, maar wel een held die net als de held Hercules moet opboksen tegen allerlei dreigende gevaren en die zich, anders dan de klassieke held, op een vaak tamelijk passieve en half mislukkende wijze tegen die gevaren teweerstelt. Zijn pijlen treffen nauwelijks doel, of alleen een lullig vogeltje, zijn pogingen toenemende banaliteit uit te bannen, leiden tot het idee dat hij alleen kan overwinnen «door er niet te zijn, door onzichtbaarheid sterker zijn dan alle kwaadsprekers». Tim wil verdwijnen in het niets, dat is zijn toppunt van verzet, en de camera registreert.

Je kunt deze essayroman wel degelijk lezen als een onmythische en actualiserende hertaling van de klassieke mythe over de twaalf werken van Hercules, maar Komrij heeft zich niet al te zeer bekommerd over een precieze weergave. Het doden van de Nemeïsche leeuw is bijvoorbeeld bij hem een safaritochtje in een officieel wildpark met een stel oude dames die graag bewonderaar willen zijn. Bij dit verhaal gaat het om een kijkje in de halfzachte zielenwereld van Tim, de held op sokken die toeschouwer blijft van zijn eigen onwaarachtige heldhaftigheid en zich voortdurend bewust is van een altijd aanwezige camera. Bij andere verhalen speelt de actualiteit een grotere rol. Tim bestrijdt bijvoorbeeld «stokpaarden», kwaadspreken, vraatzucht en religieus denken. Hij mest een stad uit waar het geweldig stinkt van eigendunk, waar lelijkheid door de straten walmt: «Het waren de gloriedagen van de onbenullen, de kleine talenten, de rancuneuzen en de opportunisten die hun kans roken en riepen: ‹Nu zijn wij aan de beurt!›» Ook hier behaalt Tim een schijnoverwinning. Juist bij de meer actualiserende avonturen van Tim balanceert deze roman op de rand van de meligheid of valt daar in. Er ontbreekt dan scherpte, vooral wanneer Komrij het heeft over de rancuneuzen en de opportunisten; wie bedoelt hij hier precies mee?

In zijn scheldessays van jaren geleden was Komrij het best op dreef wanneer hij «grote» namen en overtuigingen bestreed, niet wanneer hij bescheiden en stille talenten meende te moeten kapittelen, zij dus die zich nooit kunnen en willen verweren. Daarin was hij klein, maar in deze roman lijkt hij hierop terug te willen komen: Tim neemt het ineens juist voor die talenten op, voor «figuren die verdwaald, vertrapt, bezeerd raakten». Hercules is zeker te lezen als een poging het vroegere polemische werk in een nieuw licht te zien. Wat heeft hij ooit precies bestreden, vraagt Komrij zich via deze allegorische geschiedenissen af, welke motieven speelden daarbij een rol, was er geen sprake van verregaand opportunisme en doorgedraaide ijdelheid? Komrij neemt in dit boek afstand van vroeger werk, de held Tim is een bestrijder geworden van alle pretenties die Komrij ooit had en die hij nu met kracht tegen het licht houdt. Vandaar ook het beeld van de niets ontziende camera dat steeds opduikt. «Koketterie» is het woord dat Tim tegen het einde van dit dubbelzinnige boek zichzelf steeds vaker voorhoudt of dat hem wordt voorgehouden, «wees me genadig, koketterie», «koketterie, sta hem bij». Steeds meer krijgt dit boek de toon van een apologie, die bijvoorbeeld uitmondt in de volgende fraaie analyse van Tim: «Altijd bleef hij de miskende deelnemer, de nog onontdekte hoofdrolspeler die zich ooit zou openbaren, als de omstanders het licht maar zouden zien. Altijd was er die zeurderige verongelijktheid, vermengd met eigendunk, altijd die stille stem: kijk naar mij, kijk naar mij.» Dit boek aarzelt tussen essay, apologie en roman, dat geeft het iets dubbelzinnigs en ook tragisch, er kleeft een gevoel van onvoltooidheid aan alsof Komrij zich er niet genoeg toe wist te dwingen werkelijk te kiezen voor een grondige zelfanalyse. Misschien heeft hij er te lang in geloofd de analogie tussen de Herculesmythe en de geschiedenis van de in zichzelf gekeerde Tim aannemelijk te kunnen maken.