Tegendraads leven

De werkelijkheid bestaat niet: een ander perspectief betekent een ander verhaal. Die perspectivische spanning maakt het speelveld voor schrijvers van historische romans groot en de grens tussen fictie en non-fictie mistig. Rindert Kromhout, een gewaardeerd kinderboekenschrijver, heeft dat goed begrepen. Toen hij besloot een verhaal te schrijven over de onconventionele levens van enkele leden van de intellectueel-literaire Bloomsbury Group ten tijde van het Britse interbellum, koos hij bewust voor verbeelding van de historische werkelijkheid. Op Soldaten huilen niet past daarom (gelukkig) geen enkele genreaanduiding. Ja, het is een boek voor adolescenten, vindt de uitgever, Kromhouts eerste overigens. Maar dat is vooral omdat zijn nieuweling over het proces van volwassenwording gaat, over hoe je jeugd door een enkele ingrijpende gebeurtenis in een klap een herinnering kan worden. Verder is Soldaten huilen niet evenzeer fictie als non-fictie, een verhaal waarin Kromhout speelt met geschiedenis en waarheid. Zodanig dat het schrijven zelf een van de thema’s is en het boek leest als een ‘portrait of the artist as a young man’.
De 'artist’ is Quentin Bell, zoon van Vanessa en Clive Bell en neef van Virginia Woolf, die roem verwierf met zijn biografie over zijn tante en zijn boeken over de Bloomsbury Group, waartoe behalve zijn ouders en 'the Woolves’ ook de econoom John Maynard Keynes, de essayist Lytton Stratchey, de kunstschilder Duncan Grant en E.M. Forster, schrijver van A Passage to India, behoorden. In een van die boeken, Bloomsbury Recalled, haalt een oude Quentin Bell (1910 -1996) herinneringen op aan zijn excentrieke vrije opvoeding op Charleston farmhouse, het idyllische buitenverblijf uit zijn jeugd, door zijn moeder en Duncan Grant onder invloed van het postmodernisme zodanig verfraaid dat het een bezienswaardige kunstplek is geworden.
Een enkele kritische noot van politiek-historische aard daargelaten, is Bells beschouwende vertelstem vriendelijk van toon: nergens veroordeelt hij de rij minnaressen van zijn vader (een vooraanstaand kunstcriticus), de homoseksuele vrienden en vrijers van Duncan en het feit dat die behalve zijn moeders 'lover’ en zielsverwant in de schilderkunst ook een permanente huisgenoot was. Nergens ook spreekt hij zich uit over de keus van zijn oudere broer Julian - politiek geëngageerd, maar moreel onbuigzaam - om in de Spaanse Burgeroorlog als vrijwilliger tegen Franco te strijden, een keus die hij in 1937 met de dood moest bekopen. Ook niets zegt hij over het boek van halfzus Angelica Garnett, Deceived with Kindness, waaruit woede en verdriet spreken over de leugen waarmee ze is opgegroeid en waaruit blijkt dat ze haar ouders nooit heeft kunnen vergeven dat ze zo lang verzwegen dat Duncan haar eigenlijke vader is. Quentin Bell vertelt zijn eigen waarheid op zijn eigen rustige manier: vanuit de achterhoede, niet te zwaar op de hand, beseffend dat hij ten opzichte van zijn broer en zus 'the least precious’ was, onder het motto van zijn vader: 'kies je eigen weg, denk zelf na en doe waar je in gelooft’.
Dat maakt hem voor Kromhout, die zich - blijkens zijn nawoord - enorm aangetrokken voelt tot de 'Bloomsbury Childhood’, tot een ideale ik-persoon: hier is een verteller - een schrijver in wording - die geloofwaardig een niet al te vast omlijnd beeld van zijn wereld schetst. 'Ik ben geen prater’, zegt hij zijn leermeester tante Virginia na, 'ik ben een luisteraar. Schrijvers zijn luisteraars. Ze maken verhalen van wat ze horen.’ Zo laat hij de lezer ruimte om tussen de regels door te zoeken naar betekenis en vragen te stellen: over zijn moeder, over wat pacifisme waard is als er gevaar als Hitler dreigt, over het verschil tussen machtsgebruik en machtsmisbruik, over de positie van vrouwen, over trouw en of een (liefdes)leven zonder jaloezie kan, of beeldende kunst esthetisch of - zoals Picasso’s Guernica - ethisch moet zijn en in hoeverre de waarheid in en van verhalen meetbaar is.
Nadeel van Quentins licht afstandelijke, bedachtzame toon is dat Kromhouts verhaal aanvankelijk nogal voortkabbelt: zonder dramatische gebeurtenissen in een prettige terloopse stijl. Uit het perspectief van een onschuldig kind dat niet weet dat de dingen soms anders zijn dan ze zijn, lezen we hoe Quentin - samen met Julian, zijn beste vriend - vanuit zijn boomhut het tegendraadse leven op Charleston neemt zoals het komt. Maar alles gaat voorbij. Ook de idylle van de kindertijd. Om de lezer dat te laten voelen heeft Kromhout gedurfd en effectief de tijd wat opgeschoven. In 1925 - wanneer zijn verhaal begint - is Quentin nog maar zes. Zodat het ingrijpende en ontroerende slot - als Julian in 1937 naar Spanje vertrekt om daar te sterven - mooi dramatisch samenvalt met zijn volwassenwording. Precies een jaar nadat het grote geheim van zijn ouders en Duncan over Angelica’s echte vader is onthuld.
Dat jaar noemt Quentin 'het belangrijkste’ uit zijn leven. Niet vanwege de vroegere leugen die nodig was geweest om te ontdekken dat ook zijn onfeilbare ouders fouten konden maken en dat zijn broer en zus kanten hadden die hij nooit eerder had gezien of had wíllen zien. Maar vanwege het besef dat de waarheid van de een niet die van de ander is en het menselijk tekort groot. Julian, even levensecht neergezet als zijn broer, was ooit een andere weg ingeslagen: 'De fantasiewereld van zelfbedachte verhalen ligt nu eenmaal mijlenver af van de harde werkelijkheid van de politiek.’ En daarmee, weet Quentin, had Julian de deur naar hun wereld van de boomhut definitief dichtgetrokken.

RINDERT KROMHOUT
SOLDATEN HUILEN NIET
Leopold, 265 blz., € 14,95