Tegengeweld

De jury - Barber van de Pol, Marc Reugebrink, Xandra Schutte en Jacq Vogelaar - koos dit keer Ik zat op het dak van Daniil Charms tot Groene-boek van de maand. Op de pagina hiernaast worden de overige drie mededingers besproken.

OP FOTO’S UIT de jaren dertig ziet men een ingekeerde man, met neergeslagen ogen of schuins kijkend maar vooral argwanend. De tekeningen die hij van zichzelf maakte, eerder karikaturen dan portretten, tonen een gepijnigd gezicht; anderen schetsten hem als luiwammes of spotvogel. Uit 1930 dateert een zelfportret van Daniil Charms (1905-1942) dat wellicht beter bij zijn teksten past. De kop met pijp is die van een strenge, gekwelde man die daaronder blijkt te beschikken over een bolle buik en dito hoge kont. Niettemin is het een spichtige figuur, vooral door de kniepantalon - van voor de tijd dat de plusfour er vier inches aan toe zou voegen, uitlopend op de nachtmerrie van de drollenvanger - en de spillebenen onder de malle broek. In de nieuwe Nederlandse verzamelbundel Ik zat op het dak van Charms staat een andere versie van dezelfde tekening die de indruk versterkt als bestaat het gratenpakhuis uit twee mannen op elkaar. Een curieus verschil is dat de bolle buik van de ene tekening op de andere in het midden als een grote mond opensplijt, alsof de bovenste man die zich op z'n pijp verbijt gedragen wordt door een opzichtige buikspreker. Naar analogie ervan zou je kunnen zeggen dat dit boek dan wel niet de hele Charms omvat, het toont hem in elk geval ten voeten uit, in zijn veelzijdigheid én tegenstrijdigheden. MET DEZE uitgave heeft zich inmiddels in Nederland de zesde uitgever over Charms ontfermd sinds Charles B. Timmer in 1978 werk van hem presenteerde in de bundel Bam en ander proza. Een verzameld werk is nagenoeg onmogelijk omdat wat hij heeft nagelaten - dat toevallig, door toedoen van een vriend, bewaard is gebleven - bestaat uit een bonte verzameling van teksten, waarvan veelal de datum en het stadium waarin ze verkeren niet zijn uit te maken. Hoe kan het ook anders gezien het feit dat er bij Charms’ leven bijna niets van zijn proza, poëzie en toneelwerk is gepubliceerd; vanaf 1931 werd hij ettelijke keren gearresteerd en zoals verschillende andere experimentelen zocht Charms zijn toevlucht in de kinderliteratuur. Desondanks - of juist daarom - bezat hij een gezonde weerzin tegen kinderen: ‘Kinderen vergiftigen is wreed. Maar je moet er toch iets mee!’ In de zin daarvoor, in aantekeningen uit 1936, geeft hij trouwens te kennen evenmin veel op te hebben met oude mannen, ou de vrouwen en verstandige oude lieden. Deze bundel mag dan van alle genres die Charms beoefend heeft - verhalen, toneel, poëzie, kindergedichten, dagboek, brieven, filosofie - niet meer dan een, soms ruime selectie geven. Maar na het gehannes met de elkaar overlappende bloemlezingen (om over de luxe van vertalingen die meermalen werden overgedaan maar te zwijgen) is het ook voor de liefhebber prettig een Charms-uitgave te hebben die alle kanten van hem rechtdoet. Zo kan men zien dat Charms voor kinderen nauwelijks anders schrijft dan voor gewone infantiele lezers; hij is in die prozastukken en gedichten hooguit wat minder gewelddadig en z'n gedachtesprongen lijken gemotiveerder omdat hij een verhaal afmaakt. Hij zou dat zelf optisch bedrog hebben genoemd. ONDER DIE TITEL schreef hij een korte tekst die zowel in uitgaven voor kinderen als voor volwassenen figureert. Een man zet zijn bril op en ziet in een denneboom een boer zitten die dreigend zijn vuist heft; als hij zijn bril afzet ziet hij in de boom niemand zitten. Dit welles en nietes wordt enkele malen herhaald, waarna de man besluit dit verschijnsel niet te geloven en het afdoet als 'optisch bedrog’. De grap zit ’m in deze conclusie, maar als je het leest valt het besluit pas nadat Semjon Semjonovitsj z'n bril nog eens drie keer heeft op- en afgezet, dus na vele duizenden keren gecontroleerd te hebben of hij zijn ogen wel of niet kan geloven; en dat in niet meer dan een halve bladzijde. Tja, wat daar nou zo leuk aan is - het is niet uit te leggen, zeker niet door het samen te vatten. Zo zijn er mensen die volstrekt niet de humor inzien van het volgende 'voorval’: 'Er was eens een roodharige man die geen ogen en geen oren had. Hij had ook geen haren, zodat men hem maar bij wijze van spreken roodharig noemde. Spreken kon hij niet, want hij had geen mond. Een neus had hij ook niet. Hij had zelfs geen armen en benen. Hij had ook geen buik, hij had geen ruggengraat, hij had helemaal geen ingewanden. Hij had niets! Zodat het niet uit te maken is over wie het gaat. Laten we het liever niet over hem hebben.’ Om het nog wat korter te maken, heb ik de verdeling in alinea’s weggelaten en zelfs dat is al een te grote ingreep. Zo nauw luistert het in dit soort teksten. Charms laat zelf al zoveel weg, en waarschijnlijk gaat het vooral om die weglatingen: niet om wát hij niet vertelt maar om wat er voor verband ontstaat als het bekende wegvalt; de dingen lijken doorgaans alleen maar vertrouwd doordat de verbanden vanzelfsprekend zijn en daarom door iedereen vanzelf worden ingevuld - aan die spelregel wenst een auteur als Charms zich niet te houden. MET SPELREGELS heeft Charms zich veel beziggehouden, vandaar ook de vele clubs waaraan hij deelnam of die hij zelf oprichtte, met soms maar één lid. Eind jaren twintig was hij betrokken bij de activiteiten van Oberioe, Vereniging voor Reële Kunst - een paar jaar later zouden de deelnemers ervan op beschuldiging van anti-sovjetgezindheid in de gevangenis belanden. In het manifest van Oberioe wordt Charms getypeerd als 'dichter en dramaturg, wiens aandacht zich niet op de statische figuur richt, maar op de botsing van een reeks voorwerpen, op hun onderlinge verbanden’. Zijn verhalen hebben inderdaad iets weg van kettingreacties: een vaak onooglijk voorval sleept een onafzienbare reeks andere voorvallen met zich mee. Achteraf is er maar één logisch verband te bespeuren, dat kleine oorzaken vaak grote gevolgen hebben, of nog simpeler: van het een komt het ander. Een bloemlezing eerste zinnen van Charms zou kunnen dienen voor een les 'literaire kortsluitingen’: 'Peretsjin ging op een punaise zitten, en vanaf dat moment nam zijn leven een totaal andere wending.’ De kortheid van Charms is niet die van de notedop, in zo'n stukje zit niet al een hele roman of een hele reeks verhalen, alleen in potentie: zo'n beginzin geeft een verrassende wending die op slag een aantal nieuwe mogelijkheden opent. En dat 'op slag’ mag je rustig letterlijk nemen, want het is opmerkelijk hoe gewelddadig de teksten van Charms zijn. 'Rehabilitatie’ begint aldus: 'Zonder op te scheppen kan ik zeggen dat toen Volodja me een oorvijg gaf en me in mijn gezicht spuwde, hij zo'n pak slaag van me gekregen heeft dat het hem nog lang zal heugen. Pas daarna heb ik hem met de primus geslagen en met het strijkijzer sloeg ik hem ’s avonds.’ DE VERHALEN hangen, letterlijk, van vallen en slaan aan elkaar. Dat heeft ongetwijfeld met het genre van de groteske te maken, dat het moet hebben van de botsingen. Maar de toename van het geweld door de jaren heen, heeft zeker ook met een andere botsing te maken. In de dagboeken kan men lezen hoe Charms de laatste tien jaar van zijn leven soms finaal aan de grond zat. En juist dan schreef hij erop los - al zei hij zelf dat productiviteit niet met creativiteit verward moest worden; hij was straatarm, monddood en als auteur bestond hij niet. Wij hebben nu een boek van zeshonderd pagina’s in handen; de schrijver alleen 'n pen. De agressie in de teksten is dan ook zeker een vorm van tegengeweld geweest: als schrijver moest hij opboksen tegen het niets van de la.