Tegengif

Rachel Kushner vertelt in Club Mars het verhaal van Romy Hall, die een eeuwigdurende straf uitzit. Daarbij komt Don DeLillo om de hoek kijken. En Dostojevski.

Haar voornaam is veelzeggend en voorspellend. Ze heet Romy, Romy Leslie Hall, en ze groeide op in de jaren tachtig in Sunset, een wijk in San Francisco. Die kwijnende, naar criminaliteit neigende wijk werd toen bevolkt door pas opgedroogde bootvluchtelingen uit Zuid-Oost-Azië en andere maatschappelijke marginalen uit vele windstreken. Dát San Francisco had niets te maken met politiek correcte regenboogvlaggen, beat-poëzie of steil oplopende straten inclusief tram. Wel overheersten daar mist, Ierse kroegen, drankwinkels, crack en versplinterd glas tot aan het verloederde Ocean Beach. San Francisco bleek voor deze Romy Hall een problematische plek want zonder toekomst en vol verleden op de rand van criminaliteit.

Romy is het hoofdpersonage in Rachel Kushners derde roman Club Mars. Haar moeder heeft een Duitse achtergrond en vernoemde haar dochter naar Romy Schneider, de actrice die dan wel een halve eeuw geleden een idyllische Heidi speelde maar later bezweek onder haar tragisch verlopen bestaan. Kushners Romy zit in de grootste vrouwengevangenis van Californië twee keer levenslang plus zes jaar uit. Chowchilla heet die gevangenis in werkelijkheid, Stanville in Club Mars. Zij zit die absurd zware straf uit omdat zij, werkzaam als stripdanseres in San Francisco, voor een stalker op de vlucht sloeg naar de uitgestrekte stadspannenkoek Los Angeles. Daar wist hij haar na een gouden verraderstip weer te vinden, waarna ze in paniek niets anders wist te doen dan erop los slaan, met haar vijfjarige zoontje Jackson in de buurt. Romy had het ongeluk dat haar slachtoffer een alcoholische en traumatische Vietnamveteraan was in een rolstoel. Ze kreeg dubbel levenslang voor het vermoorden van een weerloze oorlogsheld… Bovendien zou ze tijdens haar afrekening met haar stalker haar eigen zoontje in gevaar hebben gebracht: zes jaar extra. Dat hij haar zeer hardnekkig stalkte en zo levensbedreigend werd, speelde in het proces tegen haar geen enkele rol.

Medium gettyimages 903225
Vrouwengevangenis in Californië, Amerika, 2002 © Max Whittaker / Getty Images

De Franse denker Alexis de Tocqueville schreef rond 1840 een nog immer actuele studie over de Amerikaanse democratie: de publieke opinie gevoed door de vrije pers is het fundament van een democratie. Hij bezocht gevangenissen en concludeerde dat de toestand daar de diepgang van de democratie weerspiegelde. Zo bezien kan ik Club Mars lezen als een politieke roman die de vinger op een zeer zwakke plek in de Amerikaanse samenleving legt: Romy Hall is dan eigenlijk W314159, haar gevangenisnummer, een identiteitloze witte gevangene te midden van een meerderheid van zwarte lotgenoten die de scepter zwaaien in een overvolle gevangenis. In de Verenigde Staten zitten momenteel een paar miljoen mensen langdurig vast en een vergelijking met het gevangenisleven in Nederland valt moeiteloos in ons voordeel uit. Dus is het beroerd gesteld met de democratie in Amerika? Rachel Kushner stelt die vraag niet, maar haar verhaal – bewust in flarden verteld en vanuit wisselende perspectieven (daders, slachtoffers, buitenstaanders, betrokkenen) – geeft wel degelijk indirect commentaar op de talloze gewelddadige toestanden in en rond de cellencompartimenten en het sadisme van bewakers. Vernedering is begin- en eindpunt. Wat niet mag in de cel of op de luchtplaats is een eindeloze lijst, een opsomming die Kushner door haar hele roman heen strooit. De straf blijkt eeuwig, de toekomst uitzichtloos. ‘Maar in de gevangenis kun je niet alles kwijtraken, want je bent alles al kwijt.’

Boeiend is de wijze waarop Kushner haar gevangenisroman vertelt: fragmentarisch, a-chronologisch en vanuit scherp contrasterende invalshoeken, buiten en binnen de vrouwengevangenis, die een stil debat reflecteren over hoe mensen straf uitdelen, ondergaan of ertegen in opstand komen. En steeds spelen wraak, sadisme, seksisme, racisme en uiteindelijk wanhoop een onvoorspelbare rol, tot Romy Hall met hulp van buitenaf een bewuste beslissing neemt.

‘Een deel van je zal altijd onschuldig blijven. Dat deel van je is meer waard dan de rest’

Club Mars begint met een bustocht door Central Valley bij Los Angeles. Kushner kan zo een paar personages introduceren met wie de dan 29-jarige Romy, twee jaar daarvoor gearresteerd en nu op weg ‘naar een leven in een betonnen bak’, te maken krijgt. Haar zevenjarig zoontje Jackson woont bij haar kettingrokende moeder, zijn vader was portier van Crazy House, vlak bij Club Mars, en is al lang buiten beeld. Romy overpeinst haar uitzichtloze positie. Plannen? Geen. Spijt? Jazeker! ‘Had ik maar nooit in Club Mars gewerkt. Had ik Kennedy de Griezel maar nooit ontmoet.’ Enzovoort. Zinloze achterafgedachten van een vrouw die zich nog steeds Kennedy’s slachtoffer voelt. Bij haar in de bus zit bijvoorbeeld de bipolaire Laura Lipp, die als kindermoordenares over Medea filosofeert. Zij staat zeer laag in de gevangenishiërarchie, net als de verraders. Een ander personage dat in de Stanville-gevangenis van zich laat horen is Betty LaFrance. Zij vormt zelfs onderdeel van het ragfijne plotje – waar ik verder niets over zeg – en zit in een dodencel. Ze heeft haar man laten vermoorden om zijn levensverzekering te kunnen opstrijken. Ze communiceert op intimiderende wijze via de ventilatieroosters en via de wc – een zeer verrassende manier om de andere veroordeelde vrouwen te bereiken – en vult haar eindige tijd met het naaien van zandzakken.

De twee dubieuze mannelijke personages in Club Mars zijn de gevangenisdocent Gordon Hauser en de corrupte agent Doc. Hauser wordt naar de vrouwengevangenis ‘verbannen’ na een onverkwikkelijke non-affaire met een kapster. Hij woont alleen in de bergen en werkt als onderwijzer in Stanville, waar Romy een vlijtige leerling van hem wordt. Deze gretige lezer heeft doorgeleerd in Thoreau maar zijn dissertatie over hem kwam maar niet af, ‘over Thoreau’s beeld van een spirituele rui, over een nieuwe man, het profetische concept van een Amerikaanse Adam…’ Thoreau trok zich terug in een eenvoudige boshut om, los van maatschappelijke verplichtingen, zelfredzaam te worden in een eenmanscommune. Walden is daar zijn fascinerende verslag van. Gordon Hauser trekt zich dan wel terug uit de bewoonde wereld in een berghut, zijn ongezonde betrokkenheid bij Romy groeit. De pacifistische Thoreau krijgt in Club Mars een wraakzuchtige, gewelddadige tegenhanger in de hutbewoner Kaczynski. Diens dagboekaantekeningen strooit Kushner ogenschijnlijk willekeurig door de vertelling heen. De schurkachtige agent Doc, met wie uiteindelijk in de bak wordt afgerekend, is ook een destructieve aanwezigheid in Club Mars. Zo ontstaat een beeld van het gewelddadige leven buiten én binnen de gevangenis. Daartussen raakt Romy bekneld. Na zeven jaar neemt ze haar lot in eigen hand.

Niet alleen verhaaltechnisch heeft Rachel Kushner veel geleerd van de door haar bewonderde Don DeLillo. Zijn magnum opus Underworld (1997) krijgt een subtiele samenhang dankzij een honkbal die van hand tot hand gaat. DeLillo is ook dichtbij in deze overpeinzing van Romy Hall: ‘Er is veel uit de geschiedenis niet bekend. Er hebben hele werelden bestaan die je niet kunt vinden op internet of in een boek, zelfs jij niet, ook al denk je dat jij alles op kunt zoeken wat ik niet kan vinden, omdat ik geen internet heb.’

En dan is er nog Dostojevski. Aan het slot van De gebroeders Karamazov zegt ex-priesterleerling Aljosja tegen de kinderen die treuren om de dood van een vriendje: ‘Een goede herinnering zal je van een slechte daad kunnen afhouden.’ Kushner maakt van Aljosja’s woorden een credo: positief gedenken is tegengif. ‘Hou de onschuld van het heilzaamste gevoel dat je ooit hebt gehad vast. Een deel van je zal altijd onschuldig blijven. Dat deel van je is meer waard dan de rest.’