Tegenideeen

Aan maakbaarheid doen we niet meer, tegenwoordig moet je denken ‘in meerdere mogelijke toekomsten’. Een rondgang langs futurologen en scenarioschrijvers: ‘Er wordt veel gefantaseerd, maar weinig beslist.’
IN 1893 SCHETSTEN zeventig Amerikaanse wetenschappers en journalisten (‘the best minds of America’) op verzoek van The American Press Association een beeld van Amerika over honderd jaar. De fantasieen, in 1992 opnieuw uitgegeven onder de titel Today Then, geven een mooi beeld van wat de gemoederen in 1893 bezighield: de trein en de Indianen. Voor zover de voorspellingen zijn uitgekomen, gebeurde dat al na vijftien, en niet na honderd jaar. Het is les een van de toekomstkunde: de actualiteit dicteert het denken over de toekomst.

Vorig jaar schreef de Wiardi Beckmanstichting een soortgelijke essaywedstrijd uit. Er is de laatste jaren sprake van een wel erg eenvormig toekomstbeeld, zo vond het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Globalisering en individualisering leiden een geheel eigen leven, alternatieve toekomstbeelden ontbreken. Vandaar het verzoek aan jonge academici om eens vrijuit te filosoferen over ‘Nederland in 2025’. Maar ook de essayschrijvers blijken kinderen van hun tijd. In de essays veel telewerkers, globalisering, milieu en individualisering. Wat honderd jaar geleden de trein was, is nu Internet. En, misschien nog kenmerkender voor de tijdgeest: geen van de auteurs waagt zich aan een utopie, aan een door hem of haar vurig gewenste toekomst. De geschetste toekomstbeelden hebben allemaal hun voors en tegens.
Er wordt te weinig wild gedacht, vinden ook de twee hoogleraren toekomstonderzoek die Nederland rijk is. Jan Schoonenboom, verbonden aan de Wageningse universiteit: 'Een samenleving heeft niet alleen behoefte aan countervailing powers oftewel tegenkrachten, maar ook aan countervailing ideas oftewel tegenideeen. Een democratisch stelsel bestaat bij de gratie van een confrontatie van verhalen. Daar ontbreekt het op het moment nogal aan.’
Zijn collega Paul Rademaker, verbonden aan de universiteit van Twente: 'Veel toekomstverkenningen van de overheid hebben vooral een legitimerend en beleidsconformerend karakter. In een democratische orde moet een dialoog mogelijk zijn over alternatieve opties.’ De vraag of we het an ders willen en of het anders zou kunnen, wordt nauwelijks gesteld.
Dat was pakweg 25 jaar geleden wel anders. Niet dat het toekomstonderzoek zelf toen zoveel ruimte liet voor alternatieve opties. Het toekomstonderzoek bestond nog meer dan nu uit starre voorspellingen, gebaseerd op extrapolaties van actuele ontwikkelingen. Maar die voorspellingen waren vervolgens een belangrijke katalysator voor het streven naar verandering: hoe zorgen we dat het anders gaat? Of, om Bernard Shaw aan te halen: 'Some people think about things that happen and ask “why?” I dream about things that don’t happen and ask “why not?”’
Toen de oliecrisis en de val van de Muur duidelijk maakten dat de toekomst niet te voorspellen is, stapten instituten als het Centraal Planbureau over op toekomstverkenningen met diverse mogelijke scenario’s: het kan vriezen, het kan ook dooien. En met de toekomstvoorspellingen lijken ook de toekomstwensen enigzins teloorgegaan. Dat heeft natuurlijk te maken met de teleurstelling over de iets minder maakbare linkse samenleving. En, deels daarmee verbonden, met het overdonderende besef dat Nederland met handen en voeten gebonden zit aan het buitenland, aan de internationale economie.
Typerend voor het huidige toekomstdenken is de vuistdikke studie die het Centraal Planbureau een paar jaar geleden produceerde, Nederland in drievoud. Het rapport, dat de afgelopen jaren fungeerde als bijbel van het toekomstdenken, gaat uit van een wereldomspannende economische wedren, die allesbepalend is voor de toekomst van Nederland. Er zijn drie scenario’s: Japan en de Aziatische tijgers winnen het, Europa wint het, of er is sprake van balanced growth tussen de Verenigde Staten, Japan en Europa. De boodschap is duidelijk: hoe het precies loopt weten we niet, invloed hebben we er al helemaal niet op, en we moeten vooral zo goed mogelijk aan de wedren meedoen. Het CPB-rapport kan achteraf als belangrijke wegbereider worden beschouwd voor het afhankelijkheidsdenken dat in Nederland de laatste jaren heeft postgevat. Na de voorspellende en de ontwerpende toekomstkunde, hebben we nu de onderwerpende toekomstkunde. Schoonenboom: 'Het was veel interessanter geweest als was onderzocht hoeveel speelruimte Nederland nog heeft in die verschillende situaties. Welke ruimte heb je, en wat is daarvan de prijs. Maar in plaats daarvan was de boodschap: als er internationaal dit gebeurt, staat Nederland er zo voor, punt.’
Als staflid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid onderzocht Schoonenboom begin jaren tachtig in hoeverre idealen zoals die in Nederland leven, als onzinnig moeten worden afgedaan omdat ze geen kans maken binnen de internationale constellatie. Schoonenboom: 'De conclusie was dat geen van die toekomstvisies hoefde te stranden op de internationale constellatie. En waarom? Omdat de verschillende ideeen en wensen die in Nederland leven, internationaal ook leven.’
Andre de Jong, betrokken bij de opstelling van Nederland in drievoud en de gelijktijdig verschenen CPB-studie Scanning the Future: 'De waarheid ligt natuurlijk in het midden. In een vorige studie, in 1985, hebben we de meest fantastische scenario’s bedacht, en pas helemaal op het laatst gekeken of die toekomstbeelden eigenlijk strookten met wat er in de wereld stond te gebeuren. Dat sloeg nergens op, de internationale context beperkt nu eenmaal sterk je mogelijkheden. Maar als ik lezingen geef, zeg ik er altijd expliciet bij dat we binnen de randvoorwaarden natuurlijk moeten proberen onze eigen toekomst te maken.’
Schoonenboom hamert erop dat instituten als de WRR de vrijheid moet hebben en nemen om toekomstvisies te schetsen die niet in de lijn van het regeringsbeleid liggen. 'Dat levert inzichten op die misschien haaks staan op de vanzelfsprekend aangenomen concepten en toekomstverwachtingen. Maar dat lijkt me juist de essentie van de democratie.’ Nee, dat de ambtenarij zich daarmee op het terrein van de politiek begeeft, vindt hij niet erg. Er is nu eenmaal geen strakke rolverdeling meer tussen politiek, wetenschap en beleidsuitvoerders.
Zijn collega Rademaker vindt het vooral een taak van politieke partijen om te zorgen voor countervailing ideas. Omdat partijen en niet ambtelijke apparaten de plek zijn waar over wenselijkheden moet worden nagedacht. Hij heeft er bij de laatste verkiezingen de programma’s op doorgelezen, maar kwam nauwelijks wensen en toekomstbeelden tegen die de komende vier jaar overstijgen.
Maar is het dan niet logisch dat het wensdenken de afgelopen twintig jaar een flinke knauw heeft gekregen? Nee, vindt Schoonenboom. Al was het maar omdat sinds het begin van deze eeuw enorm veel van de politieke wensen zijn gerealiseerd: vrouwenkiesrecht, opheffing van de woningnood, grotere gelijkheid. En was de val van de Muur niet de verwerkelijking van een utopie pur sang? Wat willen we nou nog meer? 'Er wordt vaak smalend over maakbaarheid gedaan, maar uiteindelijk is het hele politieke bestel natuurlijk nog altijd gebaseerd op maakbaarheid: er is een agenda van problemen die men op een bepaalde manier wil oplossen’, stelt hij. 'Een trend is niet onontkoombaar, een trend is de uitkomst van gedrag, van waardenorientaties en van machtsverhoudingen. De toekomst kan gemaakt worden, zonder vanuit een punt - lees de overheid - maakbaar te zijn.’
Hij kan er niet tegen dat de overheid, maar ook de milieubeweging, maar al te graag over de toekomst praat in zekerheden in plaats van in onzekerheden. Schoonenboom was een van de auteurs van de WRR-studie die het begrip 'duurzaamheid’ op de korrel nam. Niet omdat de WRR tegen milieubeleid is, maar omdat de raad vond dat duurzaamheid te technocratisch wordt ingevuld, alsof er maar een wetenschappelijk vast te stellen verantwoord milieubeleid is, terwijl het gaat om politieke afwegingen.
Wie uit het bovenstaande mocht concluderen dat er nauwelijks meer over de toekomst wordt nagedacht, heeft het mis. Er wordt misschien wel meer over gedacht dan ooit, en in ieder geval op meer plaatsen dan ooit. Alleen gebeurt dat op een manier die erg goed past in de tijdgeest.
Rotterdam heeft er vijf. Vijf scenariostudies over de toekomst van de stad, samen goed voor vijftien verschillende 'toekomstscenario’s’. 'Het duizelt onszelf ook een beetje’, zegt ambtenaar Jos Geerling. Maar eigenlijk is het alleen maar mooi, want scenario’s zijn juist bedoeld om 'te leren denken in verschillende mogelijke toekomsten’. Het Havenbedrijf maakte vier scenario’s voor de toekomst van de haven, begin dit jaar zagen vier economische scenario’s het licht, de gesprekken over twee schetsen van Rotterdam in het jaar 2045 zijn inmiddels afgerond, er liggen drie scenario’s voor de ruimtelijke invulling van de regio Rotterdam en gemeenteambtenaren leggen ondertussen de laatste hand aan twee scenario’s voor 2005 (presentatie eind augustus).
Scenario’s zijn begin jaren zeventig 'uitgevonden’ door het bedrijfsleven, met Shell als koploper. Zou het toeval zijn dat het scenariodenken ook bij de overheid z'n intrede doet nu de overheid zichzelf steeds meer als bedrijf opvat? Want niet alleen Rotterdam heeft de scenariomethode ontdekt, ook het ministerie van Verkeer en Waterstaat, het ministerie van Justitie en tientallen gemeenten.
Zijn de scenario’s eenmaal gebouwd, dan verschanst de betreffende organisatie zich een paar dagen op de spreekwoordelijke hei, en gaat in workshops brainstormen over de mogelijke consequenties van pak ’m beet een wereld waarin de calculerende burger hoogtij viert (scenario 'De wilde kust’ van Rijkswaterstaat) of waarin juist 'het werkwoord “hebben” het verliest van het werkwoord “zijn”/’ (scenario 'Kiezen en delen’ van Rijkswaterstaat).
Wie de vraag stelt of er vervolgens ook gekozen wordt voor een van de scenario’s, heeft het helemaal niet begrepen. Het kenmerk van de scenariomethode is nou juist dat er niet gekozen wordt. Het ging immers om 'leren denken in verschillende mogelijke toekomsten’ oftewel 'het strategisch vermogen van de organisatie te versterken’, zegt Peter Struik, hoofd van de strategieafdeling van Rijkswaterstaat. 'Je moet niet verwachten dat er dank zij die scenario- exercitie over een paar jaar heel andere vervoerssystemen in Nederland komen.’ Jammer, het zou zo aardig zijn als de minister wat meer bestookt werd met zeppelins en buizenpost. Struik, voorzichtig: 'Nou, ik hoop wel dat we in de toekomst de politiek beter kunnen voorzien van verschillende alternatieven. Het was denk ik goed geweest als we bijvoorbeeld de Betuwelijn hadden getoetst aan een aantal toekomstscenario’s.’
Misschien is de scenariomode een eerste stap, maar met countervailing ideas bedoelt Schoonenboom toch wat anders. De toekomsthoogleraar: 'Die scenario’s staan vaak zo ver van de werkelijkheid af dat het erg vrijblijvend wordt. Neem die van de Rijksplanologische Dienst. Daar circuleert een scenario waarin we allemaal moderne nomaden geworden zijn, altijd onderweg, mobiel tot het uiterste. En in een ander scenario zitten we juist allemaal telewerkend thuis. Dat is een valkuil van denken over de toekomst: actuele nieuwigheden worden verabsoluteerd.’ Bovendien is er het gevaar dat een bestaand probleem - neem de files - wordt weggefantaseerd: dank zij het telewerken lossen de files vanzelf op.
SCENARIO’S ZIJN nuttig, vindt Schoonenboom, als de inhoud voorop staat en als ze uiteindelijk bedoeld zijn om het eigen handelen bij te sturen. 'Maar scenario’s worden de laatste tijd maar al te vaak gebruikt om mensen heel in het algemeen veranderingsbewust te maken, om hun geesten open te gooien. En dan denk ik: waarom doen jullie geen survival-tocht in de Ardennen, of rook een stickie, dat is een stuk goedkoper.’
Rademaker: 'Er wordt veel gefantaseerd, maar weinig beslist. Neem de scenario’s over de toekomst van de gezondheidszorg. Gaat de thuiszorg een deel van de taak van het ziekenhuis overnemen? Daar kun je leuke scenario’s voor verzinnen, maar dat lijkt me typisch iets waar de Tweede Kamer vervolgens een keuze in moet maken. Niet in de verwachting dat dat hele scenario vervolgens uitkomt, maar wel om te bepalen in welke richting men wil werken, en welke consequenties dat bijvoorbeeld heeft voor de rol van het gezin.’ Voor bedrijven, de oorspronkelijke gebruikers van toekomstscenario’s, is het niet de eerste taak om richting te geven aan de toekomst - maar de politiek en de overheid hebben die taak wel.
Bij het bedrijfsleven is de belangstelling voor toekomstonderzoek de laatste jaren tanende. Rademaker: 'Het idee is nu: als we onze organisatie maar zo flexibel mogelijk maken, zijn we op iedere toekomst voorbereid. Gezien de onvoorspelbaarheid heeft het zelfs weinig zin je in verschillende scenario’s te verdiepen, vindt men.’ Zijn 'toekomstlezingen’ houdt Rademaker de laatste tijd dan ook vooral voor politie, brandweer, bibliotheekmedewerkers. 'Door de privatisering is de verwarring daar groot. Mijn belangrijkste boodschap? Mensen zijn flexibeler dan ze vaak denken.’
DE PVDA HEEFT als eerste politieke partij de scenariomethode ontdekt. De afgelopen maanden brainstormde de partij over de sociale zekerheid aan de hand van vier scenario’s, die stuk voor stuk een van de pijlers van het huidige beleid sterk uitvergroten. Scenario 1: Iedereen heeft werk, dank zij een enorme hoeveelheid Melkert-banen, maar de loonverschillen tussen markt en overheid zijn groot. In een tweede scenario is eigenlijk vooral de terminologie anders: er wordt feestgevierd naar aanleiding van het miljoenste bijstandscontract, maar al die bijstanders moeten wel met de dienst PUT (persoonlijk uitkeringstraject) een contract afsluiten waarin vastgelegd wordt hoe ze hun dagen nuttig doorkomen. En dan is er nog het ministelsel, en een nauwelijks uitgewerkt verhaal waarin heel voorzichtig ruimte is voor een soort basisinkomen. Nee, het is ook hier niet de bedoeling dat er gekozen wordt voor een van de richtingen. Het was slechts een manier om de dilemma’s duidelijk te krijgen en meer mensen bij de discussie te betrekken.
Dat het werken met scenario’s plotseling zo populair is, heeft zeker niet alleen te maken met nieuwsgierigheid naar de toekomst. Scenario’s blijken ook een fantastisch middel om 'de burger weer bij de politiek te betrekken’. Het stoeien met scenario’s is immers heel wat enerverender dan een eenvoudige inspraakavond. De uitkomst van de brainstorm is niet het belangrijkste, het gaat om het proces, om het 'samen bezig zijn’.
In Deventer mocht een zorgvuldig geselecteerde dwarsdoorsnede uit de bevolking meedenken over het milieubeleid. Het gezelschap (mensen met een technische achtergrond, uit maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven, politici, ambtenaren) schetste eerst de ideale duurzame stad in het jaar 2010. Vervolgens werd gekeken welke stappen er gezet moeten worden om dat doel te bereiken, wat de bedreigingen zijn, wat de overheid moet doen, en wat de taak van anderen is. De uitkomsten dienden als input voor het milieubeleidsplan. Waarover de gemeenteraad, na inspraak van de bevolking, beslist. Het is vast geen toeval dat de prioriteiten vooral bestaan uit meer, en niet uit minder. Meer duurzaam bouwen, meer fietspaden, meer natuurontwikkeling. Lisette Boot, die dit alles als ambtenaar begeleidde: 'Die bijeenkomsten gaven me echt een kick, zo goed als er naar elkaar geluisterd werd. Het is misschien niet heel vernieuwend wat er uit kwam, maar zo'n proces vergroot wel de kans dat het ook werkelijk wordt uitgevoerd.’
Trouwens, is het eigenlijk waar dat de wereld 'dynamischer en ongekender is dan ooit’, zoals wij zo graag roepen? Onzin, zegt Schoonenboom. 'Dat denken mensen altijd van hun eigen tijd, dat is al zo sinds de Verlichting. Vergelijk de huidige veranderingen eens met die rond de vorige eeuwwisseling. Toen deden de telefoon, de auto en elektriciteit hun intrede. Dat was natuurlijk veel ingrijpender dan de informatica.’ Of zoals de Guardian eens stelde: het is natuurlijk best grappig dat we straks onze boodschappen per computer kunnen bestellen, maar boodschappen bestellen kon al enkele decennia: even een telefoontje naar de kruidenier.