Mijn gemengde huwelijk(en)

Tegenpolen op één kussen

Bij de halte bij mijn oude huis huilde eens een Indonesische vrouw omdat ze weer zwanger was. Ze miste haar zus en haar land enorm, vertelde ze. Haar man werkte de hele dag en ze voelde zich depressief. Zo huilde ik jaren geleden zelf ook…

Medium femke

Tijdens LovingDay in Amsterdam, een festival over gemengde relaties, vooroordelen en discriminatie, sta ik in een kraampje mijn boeken te verkopen. Net mijn eerste klant ervan overtuigd dat mijn Nederlandse debuutroman een boek ‘over gemengde huwelijken’ is. In feite is dat ook zo, het is een boek over de scheiding van twee mensen uit een gemengd huwelijk. Verkocht. De vrouw wil pinnen, maar het pinapparaat doet het niet. Ze heeft een beetje haast, nou, ik ook, maar zij meer dan ik. Ik begrijp het wanneer een man binnenkomt, direct naar mijn kraam loopt

en zonder haar aan te kijken – uit het niets – kortaf zegt: ‘Mag niet.’ Haar man, begrijp ik.

Mijn verkopersinstinct zegt dat ik hem moet negeren, maar mijn koopster begint te aarzelen. Zij is Nederlands, hij Turks. Ik richt me tot hem en hij wordt ietsje duidelijker: ‘Mag niet. Haar huis zit vol boeken.’ De vrouw geneert zich. Ik niet. ‘U kunt haar niet verbieden om een boek te kopen’, zegt niet de verkoper in mij, hardop, maar de feministe. De man maakt een vaag gebaar met zijn hand, maar toch duidelijk genoeg. Het gebaar van iemand die zulke ‘verhalen’ zat is. Toch wil hij ons gesprek een kans geven. ‘Waar gaat je boek over?’ ‘Over Liefde’, schreeuw ik bijna. ‘Over gemengde stellen, zoals jullie.’ ‘Liefde?’ roept hij terug. ‘Liefde bestaat niet.’ Hij draait zich om en loopt weg, nadat hij eerst nog een keer het gebaar van het-zat-zijn heeft gemaakt. Als een geïrriteerde verkoper roep ik hem nog wat na, maar enfin, zijn boodschap is duidelijk. Net als het feit dat zijn algemene conclusie op zijn ervaring is gebaseerd.

Hetzelfde idee hoorde ik een paar maanden geleden ook. Toen ging het ongeveer over mij. In een Roemeense krant die de vertaling van mijn jongste Nederlandse boek recenseerde, was ook kort mijn levensloop beschreven: dat ik als Roemeense naar Nederland was geëmigreerd, voor de liefde. Een van de commentaren onder de online versie van het artikel viel me op. Ik citeer: ‘Gemengde huwelijken kunnen immers niet gelukkig zijn. Ik kan wedden dat ze in Nederland niet gelukkig is. Wat kan haar Nederlandse man van haar weten?’ Onaardig, maar hij had wel een punt, namelijk dat gemengde huwelijken moeilijk zijn.

Herkenbaar, veel meer dan al die verhalen over ‘liefde zonder grenzen’, over hoe een ‘zij’ haar land tienduizend kilometer achter zich heeft gelaten, evenals haar grote, warme familie, in tranen, om met een ‘hem’ gelukkig te zijn! Hoe vaak ben ik immers in de eerste vijf jaar in Nederland niet naar Schiphol gegaan, met mijn kind in de kinderwagen, klaar om terug te keren naar Roemenië? Toch ben ik elke keer gebleven. Lange tijd ben ik in de war geweest, omdat ik geen identiteit meer had en mezelf niet meer herkende. De Mira die ik in Roemenië was, heb ik hier niet meer teruggevonden. Ik ben nu iemand anders, procentueel voor een groot deel Roemeens, maar Roemeens op een passieve wijze, in het dagelijkse leven. En misschien is het percentage dat ik Nederlands ben dan kleiner, maar wel actief. Roemeens passief, Nederlands actief. Door mijn werk, door de nieuwe taal. Door de nieuwe werkelijkheid.

De eerste vijf jaar in Nederland deed ik alles in het Roemeens. En de weinige Roemeense tradities die ik respecteerde, werden daardoor, zonder dat ik het besefte, heilig. Mijn Nederlandse man kon moeilijk omgaan met al die plotselinge heiligheid: met Pasen moesten de dingen zus en zo, met Kerst idem dito. En dat lukte niet, er was altijd commotie. En ongelukkigheid. Ik herinner me dat we met Pasen bij de Roemeens-orthodoxe kerk in Schiedam waren en mijn man niet mee naar binnen wilde gaan en ook niet langer wilde blijven. We maakten ruzie in de auto en op een gegeven moment zei hij geïrriteerd – niet uit het niets: ‘Noem jij dan eens iets wat de Roemenen in de wereld zo geweldig hebben gedaan!’

Ik was zo stom om erop in te gaan en huilend zat ik daar de hele Roemeense geschiedenis op te halen. Ik was nog maar net uit mijn eigen land weggerukt en de opvattingen van veel Nederlanders over Roemenië maakten me erg ongelukkig. Ik wist toen nog niet dat dat deel van een proces was: plek maken voor de werkelijkheid in mijn nieuwe leven. Met andere woorden: je vaderland verlaten.

Tegenwoordig, na elf jaar in Nederland, vieren we thuis het Nederlandse Pasen. Minder heiligheid, minder ruzie. Hij is uit de kerk gestapt. Ik, Roemeens-orthodox, ga af en toe naar de katholieke kerk. De nachtelijke discussies over onze religies waren te lang en leidden nergens toe. En op scholen, bij lezingen, vertel ik over Erasmus, paus Adrianus en de Mammoetwet uit 1963/68, als ik duidelijk wil maken hoe belangrijk onderwijs in het leven is. Ik begin niet met mijn Roemeense verhaal, dat veel Nederlanders doet schrikken. Ik heb geleerd om mijn ‘Roemeense’ identiteit naar het Nederlands te vertalen.

Bij LovingDay in Amsterdam vroeg iemand me, nadat ik een stuk uit mijn eerste boek had voorgelezen, hoe mijn relatie met mijn schoonmoeder was. Ze komt altijd naar voren, mijn Nederlandse schoonmoeder. Voor haar was ik de vertaling van wat Sartre zei: ‘L’enfer c’est les autres.’ Nu, na zoveel jaren, weet ik dat het niet anders kon. Ik was degene die met mijn komst ‘de orde’ verstoorde, die een bedreiging voor de orde vormde. Háár zoon had ‘het verlangen naar het onbekende’, niet zíj. Háár zoon had misschien ‘ongenoegen met eigen afkomst’. Niet zíj. Ze zag mij niet, ze zag alleen ‘de duivel op het kussen’. Zeven jaar na onze eerste kennismaking was ik nog steeds bezig met ‘ja, ik ben christen hoor, ja, ik heb de bijbel gelezen’. Maar mijn antwoorden deden er eigenlijk niet toe. De vragen maakten haar punt. Vernederd, je voelt hoe onbelangrijk je bent, je kunt je niet uiten. En je doet zo netjes, zo netjes als maar kan.

Toen ik dat vertelde knikte een Nederlandse vrouw met tranen in haar ogen: ‘Zo is mijn Marokkaanse schoonmoeder ook.’

Maar er zijn ergere dingen in de wereld dan schoonmoeders.

Drie maanden geleden pleegde Roshanak, een Iraanse die in Nederland woonde, zelfmoord. Nadat ze eerst haar kind had verdronken. Een Medea van onze tijd, denk je. En je denkt ook: wat voor moeder is dat, die haar eigen kind doodt? Roshanak was door een Nederlander hierheen gehaald, ze hadden samen een kind, maar de Nederlander had een nieuwe vriendin gekregen en Roshanak was met haar kind ergens anders gaan wonen. Ze had werk gevonden bij een kippenbedrijf en was erg ongelukkig en in de war. Ze wilde terug naar haar land. De vader van het kind betaalde geen alimentatie. Maakte hij zich geen zorgen om zijn verwarde vrouw, schakelde hij geen instantie in, deed hij geen beroep op hulpverlening? En had zij geen vriendinnen, zag niemand wat er met haar gebeurde? We weten het niet, maar Roshanak was een van ons, degenen die ons best doen om ons aan te passen binnen de nieuwe cultuur en om geaccepteerd te worden.

‘Ik kan wedden dat ze in Nederland niet gelukkig is. Wat kan haar Nederlandse man van haar weten?’

Ja, soms eindigt een gemengd huwelijk in een scheiding. Soms gaat de buitenlander terug naar zijn of haar vaderland. En neemt hij of zij de kinderen mee, zonder toestemming van de andere ouder. Kinderontvoering, er zijn heel wat true stories in dit verband.

Een Roemeense vriendin van mij, schrijfster, liet op een gegeven moment haar hele leven in Boekarest achter, ze huwde een Fransman en emigreerde naar zijn dorp, in het zuiden van Frankrijk. Na vijf jaar vluchtte ze terug naar Roemenië, waar ze nu weer boeken schrijft, waarin ze de beulen van de communistische, politieke gevangenissen ontmaskert.

Een Chinese dame vertelde mij een keer dat alle Chinese vrouwen die zij kent en die met Nederlandse mannen waren getrouwd intussen gescheiden zijn. Maar ik ken ook gemengde huwelijken die wel gelukkig lijken en niet stranden. Er zijn ook heel wat boeken geschreven over de mooie verhalen, maar aanzienlijk minder of bijna niet over hoe moeilijk het in een gemengd huwelijk wel niet is. En naar de huwelijksstabiliteit bij gemengde stellen is opmerkelijk weinig onderzoek gedaan.

Omdat ik het zelf ook doorgemaakt heb, herken ik in de ogen van sommige buitenlandse vrouwen soms gewoon het verdriet van het niet kunnen delen, het niet bestaan. Bij de halte vlak bij mijn oude huis huilde eens een Indonesische vrouw, omdat ze weer zwanger was. Ze miste haar zus en haar land enorm, vertelde ze. Haar man werkte de hele dag en ze voelde zich depressief. Zo huilde ik jaren geleden zelf ook en ik meldde me aan bij PsyQ, waar ik… pillen kreeg, die me suf maakten. En het snelle advies om te scheiden van mijn man. Kort daarop vlogen we terug naar Boekarest, waar ik twee weken in een ziekenhuis lag. De dokter die mijn hart beluisterde, smakte ontevreden: ‘Wat zoeken jullie ook allemaal in het buitenland?’

We keerden terug naar Nederland en al snel kwam er een moment dat ik voor altijd moest kiezen. Ik was met mijn dochtertje in het parkje naast ons huis aan het wandelen, toen ze me vroeg om een kastanje op te rapen. Ik kan het niet, dacht ik, ik ben niet in staat die kastanje voor haar te pakken. Dat was het moment dat er iets met mij gebeurde, misschien nam de moeder in mij het over. En hoe raar het ook klinkt: ik stopte met de pillen en begon met hardlopen. Rondjes in het park, zoveel kilometers als nodig waren om terug naar Boekarest te lopen. Mijn voeten maakten de afstand, ik zelf niet. Ik bleef bij mijn kind, in Nederland.

‘Als ik opnieuw ga trouwen’, nam een Nederlander mij eens in vertrouwen, ‘trouw ik weer met een buitenlandse!’

Ik las ooit dat gemengde huwelijken in het Indië van de zeventiende eeuw niet alleen getolereerd werden, maar zelfs aangemoedigd door de autoriteiten. Omdat ze zorgden voor stabiliteit in de kolonie. De autoriteiten moedigden huwelijken tussen Hollandse kolonisten en Indische vrouwen aan, omdat Hollandse vrouwen alleen maar klaagden, snel rijk wilden worden en terug naar Holland wilden, terwijl Indische vrouwen minder veeleisend waren en meer – en ook gezondere – kinderen konden krijgen. De kolonisten hadden dus juist zo’n Indische vrouw nodig.

Roemeense mannen trouwen naar mijn weten niet vaak met buitenlandse vrouwen. ‘Bientôt ils vont coucher avec nos femmes!’ waarschuwde Le Pen de Fransmannen tegen de… barbaren. En een Roemeense krant schreef eens over mij: ‘Er kwam een Nederlander en die heeft haar van ons afgenomen.’

Maar na een paar jaar en veel ruzie met de Nederlander besloten we om: nooit meer samen naar een voetbalwedstrijd Roemenië-Nederland te kijken; nooit meer naar het songfestival te kijken. De ‘deux points pour la Roumanie’ haalden we namelijk nooit.

In de loop der jaren leerden we ook met zulke stomme dingen om te gaan. Maar pas nadat we eerst gingen scheiden. Zeven jaar waren we getrouwd geweest, twee in Roemenië, vijf in Nederland. Ik ging toen ergens anders wonen, met onze dochter. En mijn man kocht het huis naast dat van ons. En ja, na een paar jaar als samenwonende buren te hebben geleefd, zijn we drie jaar geleden weer in één huis gaan wonen. En sinds maart dit jaar ook weer getrouwd. De gemeente noemde het ‘een reparatie’ en zo voelt het voelt precies.

Misschien had ik al lang opgegeven als ik een andere geschiedenis had gehad. Of misschien was alles zo moeilijk, juist omdat ik mijn eigen geschiedenis had.

Tijdens lezingen zeg ik soms dat ik in Nederland ben gebleven omdat ik niet wilde dat mijn dochter, zoals ik, ooit op verkeerde knieën zou gaan

Ik kreeg de vraag van een wat oudere Nederlandse man of ik soms een Oost-Europese postorderbruid was

zitten als ze naar een nieuwe vader op zoek zou zijn gegaan. Omdat haar vader hier is en een duidelijke identiteit heeft. (Zelf zat ik vanaf mijn dertiende in een internaat in Roemenië.) Iedereen knikt dan met begrip.

Gemengde huwelijken hebben een grotere kans op echtscheiding, meldt Wikipedia. Moeten we dat voor waar nemen? Soms dacht ik dat het tegendeel waar is, dat de buitenlandse vrouwen die ik ken, getrouwd met een Nederlander, niet snel opgeven. ‘Een Nederlandse vrouw had dat nooit van haar man gepikt’, heb ik in de afgelopen elf jaar in Nederland regelmatig gehoord. Heeft een Nederlandse vrouw strakkere grenzen? Zijn buitenlandse vrouwen toleranter? De statistieken zeggen immers dat het meestal de vrouw is die een scheiding aanvraagt. Ik neem ook aan dat je sneller steun krijgt van je familie die twee straten verderop woont (of ergens anders in Nederland), dan van je verwanten op duizenden kilometers afstand. En als je steun bij je familie zoekt, heb je dan wel het geld om een vliegticket naar je

vaderland te kopen, of zit je zonder baan bij het roc de nieuwe taal te leren en krijg je af en toe geld voor een panty? Misschien zit je buitenlandse familie wel helemaal niet meer op je te wachten, zonder jou immers een zorg minder! In al deze gevallen heb je dus geen alternatief en probeer je ‘harder te werken aan je huwelijk’.

Wat mij tijdens onze scheiding opviel, was hoe graag mensen me ‘een betere man’ toewensten. De Roemeense uitdrukking ‘een man, stom of niet, is toch jouw man’ paste niet meer in de nieuwe werkelijkheid. Mijn Nederlandse omgeving gunde me dan ook geen tijd om te ‘rouwen’, ik moest een ‘nieuwe man, een betere’ vinden. Die druk ervoer ik als enorm. Mannelijke collega’s vroegen me direct (nog voordat de scheiding officieel was) of ik nu open stond voor dates. Met hen, uiteraard, dat was zonneklaar. Ze leken er allemaal vanuit te gaan dat zij de ‘betere’ versie van mijn man waren. Alsof ‘betere’ mannen simpelweg bij de Mediamarkt te koop waren of zo. Maar niet in de cultuur waaruit ik afkomstig ben.

Of een andere reactie: een Nederlandse vriendin stelde dat Nederlandse mannen die in het buitenland een vrouw zoeken, mannen zijn die in Nederland ‘geen vrouw kunnen krijgen’. Tijdens mijn huwelijk had ik de andere versie gehoord: dat Nederlandse mannen geen ‘geëmancipeerde’ vrouw willen, een vrouw die geen vrouw meer is en alleen maar ‘eisen’ stelt. Alsof alle vrouwen uit het buitenland wel vrouwelijk en niet geëmancipeerd zijn… Zelf kreeg ik nog niet eens zo lang geleden de vraag van een wat oudere Nederlandse man, of ik soms een Oost-Europese postorderbruid was.

En elf jaar geleden, toen we met de auto naar Nederland kwamen, boog de Roemeense grensbeambte zich door het raampje van zijn loket, noemde de voornaam uit mijn paspoort en vroeg me in het Roemeens (denkend dat de Nederlander naast me het niet zou verstaan): ‘En nu heb je geld, hè?’ De aan mij geadresseerde grofheid van een onbekende liet me blozen en heeft me nooit meer losgelaten. Roemenen dachten allemaal dat ‘mijn’ Nederlander wel stinkend rijk moest zijn, terwijl Nederlanders er meer dan zeker van waren dat ik straatarm was. Opvallend genoeg dacht niemand aan liefde.

Een kennis vroeg me of mijn man en ik een voorgesprek met de priester hadden gehad voordat we gingen trouwen. Een gesprek waarin je adviezen krijgt over wat je in het huwelijk te wachten staat. Hij zei dat zij (hij en zijn vrouw, allebei Nederlands) veel baat hadden gehad bij een dergelijk gesprek, dat ze een soort huwelijksplan hadden gemaakt. Nee, we zijn niet in de kerk getrouwd, de eerste keer niet en de tweede keer zeker niet. En ik vraag me af wat een priester me had kunnen vertellen. Ik denk dat mijn schoonmoeder de essentie al in een vaak herhaalde zin gezegd heeft: ‘Alles is duur in Nederland.’ En had de priester mijn man ook iets over mij weten te vertellen?

Dat de vrouw een bepaalde status van de man krijgt, maar niet andersom, begreep ik in Roemenië. Mijn man was als Nederlander meer dan welkom. De Roemeense gastvrijheid à la carte. Maar eenmaal getrouwd ervoer ik een zekere mate van dubbelzinnigheid die ik niet kon uitleggen en die ik hem heb bespaard. ‘Intellectuele’ grappen, kleine allusies die niets hadden moeten betekenen en die zeker minder schokkend waren dan het ‘ga terug naar je land’ dat ik in Nederland vaak te horen kreeg. Bovendien waren de woordspelingen aan mij geadresseerd, niet aan hem. Subtiel, maar effectief. Ook verklaarbaar, misschien, als je de statistieken leest. Vier jaar geleden hield Eurostat in dertig Europese landen een enquête over hoeveel gemengde huwelijken er in Europa zijn. Volgens de resultaten staat Roemenië op de onderste plek, met minder dan een procent. In hetzelfde klassement staat Nederland elfde.

Ik ben ervan overtuigd dat ons eerste huwelijk geen kans van slagen had. Nu, bij ons tweede, heb ik het gevoel dat ik gelijke kansen heb gekregen om mezelf te zijn en te worden. Na elf jaar in Nederland ben ik weer mezelf, weliswaar een andere ik, met een nieuwe identiteit, maar waarin ik mezelf herken. Over onze relatie heb ik ook het meeste geleerd tijdens onze scheiding; tot niet zo lang geleden zei ik regelmatig dat onze scheiding ons huwelijk heeft gered.

Soms denk ik ook dat ik mijn Roemenië en mijn verleden een plekje heb kunnen geven. In mijn boeken.

We zijn nog steeds heel erg verschillend en we hebben geen duidelijk plan of zo. Maar we hebben nog altijd dat verwarde plan van de liefde, die, nog net als in het begin van onze relatie, werkt als een drug.

We zijn en blijven tegenpolen. Maar in de loop van de tijd heb ik gemerkt dat er een plek is waar het feit dat we zo verschillend zijn juist heel goed werkt: bij de opvoeding van onze dochter. Zo weet ik dat als ik – met mijn communistische, competitieve opvoeding – in mijn obsessie voor studeren overdrijf, mijn trekjes onze dochter niet kunnen beschadigen, omdat ze worden geneutraliseerd door de relaxtere, Nederlandse manier van mijn man: ‘Het komt wel goed.’

Ik hoop het.


Mira Feticu is een Roemeens-Nederlandse schrijfster. Ze publiceerde de romans Lief kind van mij (2012), De ziekte van Kortjakje (2013) en Tascha: De roof uit de Kunsthal (2015). Ze schreef deze in het Nederlands