Tegenspel

Het kabinet sloot akkoord na akkoord, maar heeft nog steeds steun nodig van andere partijen. Iedere oppositiepartij moet nu bepalen of een tegenstem geloofwaardig is. Waar ligt de grens tussen geloofwaardigheid en opportunisme?

Interessante tijden voor politicologen. Op het Binnenhof wordt parlementaire geschiedenis geschreven en dat gaat gepaard met veel gespeculeer en getheoretiseer. Het relletje vorige week over de vraag of Alexander Pechtold nu wel of niet was gevraagd om met zijn D66 toe te treden tot de regeringscoalitie geeft goed aan waar het allemaal om draait. Hoe kan een kabinet dat wel een meerderheid heeft in de Tweede Kamer maar niet in de Eerste toch effectief regeren?

De Nederlandse politiek heeft niet veel ervaring met een dergelijke situatie. In 2010 was het voor het eerst sinds 1918 dat een kabinet niet in beide Kamers een meerderheid had. Voor die tijd was het weliswaar gebruikelijker, maar dat is niet alleen al bijna een eeuw geleden, het was ook onder heel andere omstandigheden. Van regeerakkoorden was nog geen sprake, de rijksbegroting was klein in omvang, inkomsten en uitgaven van de staat waren nog met elkaar in evenwicht en de verzorgingsstaat met de daaraan gekoppelde bemoeienis van de overheid met haar inwoners bestond nog niet.

Minister-president Mark Rutte sprak begin vorige week tijdens de H.J. Schoo-lezing de verwachting uit dat de nieuwe politieke situatie zich zou gaan zetten. Hij gaat daarbij uit van wisselende meerderheden: de ene keer krijgt het kabinet steun van deze, dan van die oppositiepartijen. Daarvoor moet de politiek volgens hem wel veranderen: politieke partijen moeten elkaar over grenzen heen de hand gaan reiken. Mooie woorden, die niet alleen de vraag oproepen of de hand ook echt wordt uitgestoken, maar ook of de andere kant die hand gaat aanpakken.

Mocht Rutte’s wens uitkomen, dan zou deze manier van regeren een regeerakkoord tussen coalitiepartijen veel minder star kunnen maken. Dat zou de macht van het parlement tijdens de duur van een kabinetsperiode vergroten. Dat is een wens die veel politieke partijen koesteren als ze in de oppositie zitten, maar die ze loslaten als ze eenmaal regeren. Misschien is dat iets voor politici om over na te denken nu de kans groot is dat het ontbreken van een meerderheid in de Senaat niet tijdelijk is.

Veelal ligt de focus op het geworstel van het huidige kabinet met het ontberen van een meerderheid in de Senaat. Maar het relletje rondom D66 maakt duidelijk dat ook de oppositiepartijen worstelen. Ze hebben nu dan wel macht, maar tot hoe ver gaat die? Waar ligt de grens? Wanneer overvragen ze? Dat aftasten is nu al bijna een jaar gaande. Met de toetreding van D66 tot het kabinet zou daar overigens geen einde aan zijn gekomen, want D66 heeft te weinig zetels in de Senaat om het kabinet daar aan een meerderheid te helpen. Hoe dat geworstel uitpakt zal de komende tijd blijken. Volgende week dient het kabinet zijn eerste eigen begroting in, ook volgen nog ingrijpende wetswijzigingen. Oppositiepartijen zullen met de billen bloot moeten.

Aan een tegenstem kleven risico’s. Het kabinet kan concessies doen aan andere oppositiefracties, waardoor een oppositiepartij met lege handen komt te staan. Mocht geen enkele oppositiepartij de kabinetshand aanpakken, dan haalt een wetsvoorstel het misschien helemaal niet waardoor alles bij het oude blijft; dat vindt deze of gene oppositiepartij mogelijk erger dan de gevolgen van het kabinetsbeleid.

Ook zal iedere oppositiepartij moeten afwegen of een tegenstem geloofwaardig is gezien de eigen uitgangspunten en verkiezingsbeloftes. Het kan een risico zijn om de grens tussen geloofwaardigheid en opportunisme over te gaan. Daar zijn partijen eigen baas over, maar ze kunnen bij het overschrijden van die grens het vertrouwen in de politiek als geheel beschadigen. Daar moeten politici ook over nadenken, en niet naderhand krokodillentranen huilen over het gebrek aan vertrouwen bij burgers.

Oppositiepartijen zullen zich ook moeten afvragen of een tegenstem die als inzet nieuwe verkiezingen heeft wel in hun eigen belang is. Dat is dan nog afgezien van de vraag of een nieuwe stembusgang in het landsbelang is gezien de crisis en de vele verkiezingen die we het afgelopen decennium hebben gehad. Ook dat mag je van politici vragen mee te wegen.

Bovendien is het niet gezegd dat nieuwe verkiezingen het probleem van het gebrek aan een meerderheid in zowel Tweede Kamer als Senaat oplossen. Een politieke partij die nu geen duimbreed toegeeft, kan zomaar in dezelfde positie terechtkomen als regeringspartijen vvd en pvda nu. Dan wordt ze zelf ineens de vragende partij: wilt u alstublieft mijn uitgestoken hand aanpakken?

In de Haagse wandelgangen is al duidelijk hoe het kabinet de oppositiepartijen zal proberen te overreden. Wie je ook spreekt van de regeringspartijen, ze hebben allemaal het lesje uit hun hoofd geleerd. De nieuwe mantra is: kijk eens naar alle akkoorden die wij hebben gesloten, wij hebben draagvlak gecreëerd voor ons beleid in de samenleving.

De akkoorden buitelen inderdaad over elkaar heen: Sociaal Akkoord, Zorgakkoord, Onderwijsakkoord, Energieakkoord, Pensioenakkoord. Allemaal afspraken die het kabinet heeft gemaakt met vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en vaak ook nog andere betrokken partijen uit het veld. Dat creëert inderdaad draagvlak buiten het parlement, althans bij de organisaties die hebben meegepraat. Maar mag de politiek er dan niks meer over zeggen?

Uiteraard heeft de politiek het laatste woord. De oppositiepartijen zullen zich alleen moeten afvragen wat die akkoorden hun waard zijn. Ook hier geldt dat ze zelf na volgende verkiezingen de partij kunnen zijn die om steun en maatschappelijke rust komt vragen bij diezelfde organisaties. Staan die dan nog te trappelen?

Tegenstemmen lijkt misschien makkelijk, de gevolgen kunnen groot zijn, groter dan vroeger toen de oppositie geen macht had. Maar er wordt dan ook parlementaire geschiedenis geschreven.