Onze democratie is toch de beste

Tegenstanders in plaats van vijanden

Een representatieve democratie als de Nederlandse organiseert de kunst van het samenleven beter dan andere kiessystemen. Kiezers en gekozenen kunnen niet anders dan inschikken. Zo krijgt de onredelijkheid geen kans.

Medium hh 70328252
Portland, Oregon. 10 september 2017. Een confrontatie tussen de rechtse groepering Patriot Prayer en tegenstanders waaronder leden van de antifascistische groep Antifa © Mark Peterson / Redux / HH

Dit zal een van de meest genoteerde klachten over politici zijn: ‘Ze doen toch niet wat ze beloven.’ Ook de overtreffende trap van dat bezwaar hoor je soms: ‘Ze doen toch niet wat ik wil.’ Uit wrok doen sommigen afstand van het hoogste recht dat zij in een democratie hebben: het stemrecht. Je kunt dat ook als een verwijt formuleren: ze treden bewust buiten de democratie en dragen daarmee bij aan haar ontmanteling. De democratie is betrekkelijk weerloos tegen verwachtingen die zij wekt, zeker tegen valse hoop. Hoe hoger de verwachtingen zijn gespannen, hoe groter de teleurstelling zal zijn als ze niet worden waargemaakt.

De democratie is dus een inherent kwetsbaar systeem. Om valse hoop te voorkomen kun je de democratie maar beter niet idealiseren. Een stem op een partij is verre van een garantie dat wat jij wilt ook in de politiek tot uitdrukking zal komen, laat staan doel van het beleid worden. Het misverstand is al geboren op het moment dat kiezers een verkiezingsprogramma opvatten als een opsomming van ‘beloftes’ die een partij aan hen doet. Sommige partijen presenteren het wellicht zo, maar dat is het échte kiezersbedrog.

Bij nadere beschouwing is ‘programma’ dan ook een misleidend woord, dat de belofte in zich bergt van beleid dat de komende regeerperiode zal worden uitgevoerd. In een pluralistisch systeem als een democratie kan een verkiezingsprogramma nooit meer zijn dan een overzicht van de beleidswensen die een partij inbrengt in het politieke debat met de andere partijen, die weer hun eigen specifieke voorkeuren hebben. De mentale houding die democratie vergt, van zowel de kiezers als de gekozenen, is dus niet een verabsolutering van de eigen wil, maar de bereidheid om in te schikken, in het besef dat de eigen wil er een uit vele is.

‘Iedere werkelijk belangrijke keuze impliceert offers. Ook de keuze in een democratische samenleving’, zei rechtsgeleerde Huib Drion. Hij vervolgde: ‘Het grootste gevaar dat de democratie bedreigt is dat men die offers niet wil zien, dat men de democratie idealiseert. Door de zwakheden van de democratie te negeren maakt men zich blind voor de gevaren die haar altijd bedreigen en zullen blijven bedreigen.’

Afhankelijk van waar hij staat, zal ieder op zijn eigen manier die zwakheden van de democratie ondervinden, betoogde Drion. Voor de conservatief heeft de democratie het bezwaar dat zij niet voldoet aan zijn behoefte aan continuïteit: verkiezingen zijn altijd breukmomenten. Voor de bestuurder zal het lastig zijn dat hij zich door de democratische eisen van overleg en verantwoording telkens gehinderd voelt in zijn bewegingsvrijheid. Voor de intellectueel zal de rommeligheid van de democratie, dat gebrek aan een doordacht en logisch systeem, de schaduwzijde zijn.

Volgens Drion is dat laatste bezwaar, het ontbreken van een ‘architectonische orde’, onvermijdelijk omdat de democratie nu eenmaal van compromissen aan elkaar hangt. ‘Zorgvuldige wanordelijkheid’ is haar methode. Ook als het compromis zorgvuldig tot stand is gekomen en alle belangen eerlijk zijn afgewogen, houdt dat proces iets wanordelijks, want hoe zorgvuldig de procedure ook is geweest, de uitkomst wordt evenzeer bepaald door toevallige factoren als de politieke krachtsverhoudingen van dat moment of de doortastendheid van de ene onderhandelaar en het gebrek aan tactisch vernuft van de andere. Vandaar, aldus Drion, dat van de democratie niet veel meer mag worden verwacht dan dat ‘de grote onredelijkheid’ er geen kans krijgt. Met de ‘kleine onredelijkheden’ – en die zijn er in overvloed – zal men moeten leren leven.

Drion: ‘Men kan de democratie karakteriseren als een volwassen vorm van samenleven voor volwassenen. Met de logge behoedzaamheid van de man die weet dat hij zich zal moeten verantwoorden beweegt zij zich voort.’ Veel drama zit daar niet in, erkende Drion, althans: zolang de democratie niet in onveiligheid verkeert. Met milde ironie voegde hij dit doordenkertje eraan toe: ‘Haar besluitvorming mist de charme van de onvolwassenheid.’

***

De democratie is ‘de georganiseerde kunst van het samenleven’, een geformaliseerde manier om fatsoenlijk, redelijk met elkaar om te gaan. Als methode om macht te delegeren, meerderheden te vormen en bindende besluiten mogelijk te maken is de democratie een praktische procedure. Als samenlevingsvorm toont zij haar morele kant. Zij veronderstelt een sociaal bewustzijn, het besef dat je met andersdenkenden een en dezelfde maatschappelijke ruimte deelt en daarom zelden volledig je zin zult krijgen. Je moet, zoals gezegd, inschikken, maar zonder jezelf weg te cijferen. Dat laatste doe je in een democratie alleen als je geen gebruik maakt van je kiesrecht.

In deze morele betekenis is de democratie een vorm van beschaving, die van mensen behalve dat sociale bewustzijn ook een sociale mentaliteit vergt. ‘Men moet erkennen dat men de waarheid niet in pacht heeft en dat niemand de waarheid in pacht heeft’, schreef Jacques de Kadt over de ‘geesteshouding’ van de democraat. De democratie is daarom de institutie bij uitstek die mensen in staat stelt om niet redeloos tegenover elkaar te staan. Zij helpt hen de ambiguïteit van het dagelijks leven te verdragen, al die complexe verhoudingen en onzekerheden van de moderne tijd. Het democratische gehalte van een natie is af te lezen aan de mate waarin je ‘anders’ kunt zijn zonder dat anderen jou als een bedreiging gaan zien.

Het Amerikaanse presidentschap is een wispelturig vehikel voor het bevorderen van deel­belangen, Trumps belang in het bijzonder

Een democratie die fungeert als georganiseerde kunst van het samenleven, kan ook zelf een civiliserend effect bewerkstelligen: zij leert rekening te houden met anderen. Of de democratie de beschaving daadwerkelijk verder helpt hangt onder meer af van de politieke opvatting die dominant is. Het maakt nogal wat uit of politici hun bezigheid zien als een oorlog met andere middelen of als een vorm van vrede stichten.

In de Verenigde Staten is te zien wat er gebeurt als de eerste visie de verhoudingen stempelt en de politiek in de greep komt van agressie tegen de ander. Sinds midden jaren negentig zijn de Republikeinen en de Democraten elkaar steeds meer als vijanden gaan bejegenen. Vooral de Republikeinen radicaliseerden. Newt Gingrich, de toenmalige Republikeinse leider in het Huis van Afgevaardigden, was een van de gangmakers van dat proces. Politiek was volgens hem ‘oorlogvoering’. Het vocabulaire van zijn partij moest daarop zijn afgestemd. Als je je tegenstander maar consequent zag als een subject tegen wie je oorlog voerde, kwamen de haatdragende woorden vanzelf, hield hij zijn geestverwanten voor.

In het Huis voegde hij de daad bij het woord. Gingrich’s taalgebruik was doortrokken van woede en zijn retoriek met opzet over de top. Hij bestempelde de Democraten als ‘corrupt en ziek’ en beschuldigde hen ervan uit te zijn op de ‘vernietiging’ van Amerika. Het eerste slachtoffer in een oorlog is de waarheid, weten we. De Tea Party, een pressiegroep van Republikeinse geestverwanten van Gingrich, maakte later Barack Obama verdacht, door onbekommerd te beweren dat hij een moslim was en geen christen, dat hij niet in de VS was geboren en dat hij daarom geen president mocht zijn. ‘In het Witte Huis zit een socialist-communist die doet alsof hij Amerikaan is’, zei Tea Party-activist Laurie Roth. Donald Trump zou deze mythe later keer op keer herhalen, als eerste etappe op weg naar de macht.

Naderhand werd duidelijk dat Gingrich een nieuwe golf van polarisatie in de Amerikaanse politiek had opgewekt, venijniger dan ooit sinds de Tweede Wereldoorlog. Die golf ebde niet meer weg: klaarblijkelijk werd hij gevoed door een krachtige onderstroom in de Amerikaanse politiek. Sindsdien zet de idee dat politiek een vorm van oorlog met andere middelen is de toon in het Congres, vooral bij de geradicaliseerde Republikeinen, maar ook bij de Democraten, die in agressie soms niet voor hun concurrenten onderdoen.

Gingrich typeerde de beweging die hij mede in gang had gezet bij voorkeur als de Republican Revolution, om de breuk met de consensuspolitiek van voorheen te onderstrepen. In de Amerikaanse politiek is een einde gekomen aan de traditie van inhoudelijke bondgenootschappen over partijgrenzen heen. De matigende krachten zijn verzwakt. De Republikeinse partij heeft Trump niet kunnen weerhouden van zijn gooi naar het hoogste ambt en nadien niet van zijn dwangmatige neiging het presidentschap in te zetten in een niet-aflatende campagne om verdeeldheid te zaaien. Trump verkeert in een voortdurende staat van oorlog met politieke tegenstanders, met rechters, met kritische journalisten. Het Amerikaanse presidentschap is niet meer een eenheid scheppende kracht of een kalmerende stem in turbulente tijden. Het is een wispelturig vehikel voor het bevorderen van deelbelangen, Trumps eigen belang in het bijzonder, ook al moet hij daarvoor de morele autoriteit van het presidentschap te grabbel gooien, zich opladen tot een permanente staat van woede en voortdurend een loopje met de waarheid nemen.

In zo’n oorlogszuchtige sfeer wordt het sluiten van compromissen, voorzover de wil daartoe er is, een onmogelijk taak. Vandaar dat Francis Fukuyama spreekt van de dreigende ‘vetocratie’ in de Amerikaanse politiek. Republikeinen en Democraten ontlenen hun politieke identiteit steeds meer aan het vijandbeeld dat ze van de ander hebben, veeleer dan aan een gezamenlijk geloof in democratische principes. Dat wantrouwen in de andere partij sijpelt naar beneden door en doordringt het electoraat, blijkt uit langjarige enquêtes van het onderzoekscentrum Pew. In 1994, het jaar dat de Republikeinen onder Gingrich’s leiding de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden veroverden, had niet meer dan zestien procent van het electoraat van de Democraten een ‘zeer ongunstig’ beeld van de andere partij. Bij de Republikeinse kiezers zei zeventien procent dat over de Democraten. Nu zijn die percentages respectievelijk 38 en 43. Door Pew gevraagd naar kwalificaties van de ander gebruiken de kiezers van beide partijen dezelfde woorden: ‘bekrompen’, ‘oneerlijk’, ‘immoreel’, ‘lui’, ‘dom’.

***

De Amerikaanse praktijk bevestigt opnieuw dat het voorbeeld dat elkaar vijandige, onverzoenlijke politici geven ook in de samenleving achterdocht in de hand werkt jegens degene die niet tot jouw politieke en sociale wereld behoort. Er is een samenhang tussen verbale agressie tegen de ander in de politiek en maatschappelijke polarisatie. Ook bezien vanuit dit oogpunt is het verstandig de xenofobie in het extreem-rechtse populisme niet te onderschatten. Dat transformeert een politiek probleem in een bedreiging die van ‘kwaadwillende, agressieve elementen’ (Thierry Baudet) uitgaat. Het tekort aan bestaanszekerheid is zo’n reëel politiek probleem, veroorzaakt door dertig jaar dominantie van het neoliberalisme in het beleid. Met de xenofobie van extreem-rechts verdwijnt dat uit de aandacht, om plaats te maken voor zondebokpolitiek.

‘Om te voorkomen dat mensen elkaar te lijf gaan hebben ze politici de opdracht gegeven dat te doen’

Welk signaal krijgt de buitenwereld van politici die niet meer over hun verschillen heen kunnen reiken? Dat het hun niet meer lukt in het politieke domein de kunst van het samenleven te organiseren. Dat is een brevet van onvermogen. Het politieke debat wordt van zijn essentie ontdaan als politici het enkel en alleen gebruiken om oorlog tegen hun opponenten te voeren en zij constructieve acties achterwege laten.

In een goed functionerende democratie vervult het debat een sleutelrol, als een soort schouwtoneel van uiteenlopende politieke opvattingen over problemen in de samenleving. Ook de samenleving zelf is daarmee gediend, voorzover de discussies in het parlement haar helpen alert te zijn op mogelijk escalerende maatschappelijke conflicten of breuklijnen. Zij krijgt dankzij het debat als het ware een spiegel voorgehouden. Dat debat kan op het scherp van de snede worden gevoerd, maar wel op voorwaarde dat de opponenten hun tegenstellingen niet verwarren met vijandschap.

Medium hh 72577189
Dokkum, 18 november 2017. Actiegroep Kick Out Zwarte Piet wordt op de A7 bij Joure tegengehouden door tegenstanders © Joris van Gennip / HH

Volgens de politicologe Chantal Mouffe is het kenmerk van zo’n goed functionerende democratie dat ze van politieke vijanden tegenstanders maakt. Dat resulteert in een vruchtbare politieke verhouding. Een vijand bestrijd je met alle middelen, met een tegenstander ga je in debat. Met hem kun je hartgrondig van mening verschillen, dankzij het besef dat hij en jij deel uitmaken van een gemeenschappelijke democratische ruimte waarin iedereen op gelijke voet verkeert. Spiegelbeeldig geredeneerd is waakzaamheid geboden als politici het platform van de democratie juist gebruiken om conflicten op te poken en vijandbeelden te creëren, bijvoorbeeld door die gemeenschappelijke democratische ruimte smalend af te doen als een ‘nepparlement’.

***

In zijn sleutelartikel ‘De smalle marge van democratische politiek’ trok de sociaal-democraat Joop den Uyl in 1970 de volgende conclusie over de mentale houding die zijn partij, de pvda, in acht moest nemen: ‘De pvda is er niet op uit de tegenstander in de vernieling te jagen. Het doel is niet het conflict, maar de overbrugging van het conflict.’ Hij wilde daarmee geenszins zeggen dat politici in het debat hun tweedracht moesten verdoezelen, integendeel, maar dan om maatschappelijke spanningen te dempen, niet om ze te vergroten. Openlijke politieke strijd in het parlement kon naar zijn idee een soort ontsnappingsventiel zijn voor de druk die maatschappelijke tegenstellingen op de samenleving leggen. Elke keer dat Herman Tjeenk Willink zegt: ‘Politiseren is maatschappelijk depolariseren’, laat hij dan ook niet na de eer te gunnen aan Den Uyl.

De pvda’er Marcel van Dam, een verbale meester in de politiek, zei het nog treffender: ‘Uiteindelijk zijn politici er om conflicten uit te vechten die in de samenleving spelen. Om te voorkomen dat mensen elkaar te lijf gaan hebben ze politici de opdracht gegeven dat te doen.’ In het politieke debat kan aan de polarisatie de ruimte worden gegeven, in de wetenschap dat aan het einde onherroepelijk een besluit moet vallen. Dat is de essentie van het politieke proces en tevens zijn specifieke kwaliteit. Anders dan in maatschappelijke discussies, waarin de noodzaak van een afronding ontbreekt, moet een debat in de politiek een vervolg krijgen in de bemiddeling en beslechting van het geschil. In die eindfase zijn de opponenten getransformeerd in onderhandelaars, als zij althans op het te nemen besluit invloed willen uitoefenen en niet aan de zijlijn blijven. Ze moeten een compromis zien te smeden waarmee een meerderheid in het parlement kan leven.

In dat licht is de bereidheid over de verschillen heen te reiken en een compromis te zoeken een lakmoesproef voor de democratische gezindheid van een politicus. Ook het tegengestelde is waar: de politicus die elk compromis afwijst doet afbreuk aan zijn pacificerende rol. De politiek wordt dan inderdaad een oorlog met andere middelen in plaats van een vorm van vrede stichten.

De noodzaak om tegelijkertijd te politiseren en te pacificeren maakt politiek moeilijk. Door die tweevoudige verantwoordelijkheid kan een politicus zichzelf danig in de weg zitten. Het politiseren van maatschappelijke vraagstukken komt voort uit de rol die hij als vertegenwoordiger van de kiezers heeft, het pacificeren uit de medeverantwoordelijkheid die hij voor het bestuur draagt. De ene functie vergt een handelwijze in woord en daad die tegengesteld is aan de eisen die de andere aan hem stelt: in zijn politiserende functie komt hij overtuigender over als hij op uitgesproken wijze stelling neemt, in zijn pacificerende functie wordt van hem terughoudendheid verlangd.

De evenwichtskunst die dat vergt is niet iedere politicus gegeven. De ontwikkeling van die vaardigheid veronderstelt bovenal dat hij zich van zijn binaire hoedanigheid bewust is. Het zal, zonder namen te noemen, niemand veel moeite kosten het beeld op te roepen van een politicus die zichzelf louter ziet als de vertolker van wat onder de mensen leeft, of die juist meent dat zijn vak neerkomt op het beheersen van bestuurlijke processen. Op zoek naar bronnen van onvrede over de democratie kom je al gauw uit op de spanningen die de januskop van de politiek in het bestel opwekt.

In een metafoor uitgedrukt: in zijn politiserende rol is de volksvertegenwoordiger een theatermaker. Om zijn zaak helder over het voetlicht te krijgen, moet hij zich een beetje gedragen als de acteurs die in een van de afleveringen van Monty Python’s Flying Circus zijn opgenomen in The Royal Hospital for Overacting: dramatiseren, overdrijven, in bloemrijke taal spreken, de controverse met zijn tegenspelers zoeken. Voorop staat de noodzaak dat de toeschouwers zich met hem kunnen identificeren. Daarom let hij er goed op dat wat hij zegt voldoet aan de verwachtingen van het publiek dat hij wil trekken. Politiek handelen is in dit geval retorisch handelen. Volgens rechtsfilosoof Willem Witteveen, kenner van de politieke retorica, moet de politicus in zijn vertegenwoordigende rol Gorgias zijn, een klassieke Atheense redenaar, die zich erop beroemde dat hij beter dan de arts een patiënt kon overtuigen van de noodzaak een bitter medicijn te drinken: om kiezers voor zijn zaak te winnen moet de politicus zelfs de expert overtroeven in overtuigingskracht.

In de rol van bestuurder is de politicus als een regisseur. Weliswaar wordt van hem slagvaardigheid verlangd, maar die kan hij alleen ontplooien als hij zich behoedzaam gedraagt, bescheiden en niet te uitgesproken is in zijn woordkeuze, de confrontatie vermijdt, tegenstellingen toedekt, anderen meer geeft dan dat hij van hen neemt. Dat is het tegendeel van de attitude die een politicus in zijn vertegenwoordigende hoedanigheid moet aannemen.

‘De zegen die onwetendheid heet wordt bedorven door de verwachting dat we overal over kunnen meepraten’

In een bestel als het Nederlandse geeft een verkiezingsjaar een gecomprimeerd beeld van de kenmerkende, tegengestelde eigenschappen van de beide functies representatie en bestuur. In de campagne spreekt vooral de volksvertegenwoordiger. Zo veel mogelijk potentiële kiezers moeten zich met hem en zijn boodschap kunnen vereenzelvigen. Hij beklemtoont dus hoeveel beter dan zijn tegenstanders hij is ingewijd in de dagelijkse zorgen van mensen. Wat hier telt is wat hem onderscheidt van de politieke concurrenten. In de kabinetsformatie, direct na de verkiezingen, wordt de bestuurder in hem aangesproken. In plaats van de schijnwerpers moet hij de binnenkamer opzoeken: achter gesloten deuren is het gemakkelijker tegenstellingen te overbruggen, meningsverschillen weg te masseren, de eigen strijdpunten te relativeren en compromissen te sluiten. Wat nu telt is wat hem verbindt met de politieke concurrenten.

Dit is de ingebakken zwakte in het Nederlandse bestel: dat de kiezer in korte tijd beide kanten van de januskop te zien krijgt. Dit is de inherent sterke kant: het doet een beroep op politici om rekening te houden met de eventualiteit dat zij van de ene dag op de andere van rol moeten wisselen. De crux van een bestel gebaseerd op evenredige vertegenwoordiging, waarin de krachtsverhoudingen in het parlement de verscheidenheid in de maatschappij weerspiegelen, is dat geen partij van haar levensdagen ooit in haar eentje de meerderheid zal hebben. Een gegarandeerd recht op de macht bestaat dus voor geen enkele groepering. Coalitievorming is altijd geboden. In de keuze van hun woorden en hun daden moeten politici daarom altijd in het achterhoofd houden dat hun politieke tegenstander eens een onderhandelingspartner over een coalitie kan zijn.

Het systeem van evenredige vertegenwoordiging brengt de verschillen in de samenleving politiek zo precies mogelijk tot uitdrukking, maar noopt politici tegelijkertijd over die verschillen heen te kijken naar mogelijkheden van samenwerking. Anders gezegd: het tempert verbale oorlogszucht en voert de politiek eerder in de richting van vrede stichten. Stelliger gezegd: uit het oogpunt van de georganiseerde kunst van het samenleven is een beter stelsel moeilijk denkbaar.

Vergelijk het eens met kiessystemen die erop zijn ingericht om op kunstmatige wijze de zeggenschap over het bestuur in handen van één partij te spelen. Het Britse of Amerikaanse kiessysteem wordt wel eens als alternatief aangeprezen omdat het de duidelijkheid en doortastendheid zou bevorderen, maar dat is dan wel de geforceerde duidelijkheid en doortastendheid die het doordrukken van de wil van de meerderheid biedt. Dat zal weinig vredige gevoelens wekken bij de minderheid die daarbij wordt genegeerd. Denk aan de bijna 66 miljoen Amerikanen (65.844.610) die op Hillary Clinton stemden en die met Trumps regering beleid kregen dat zij verafschuwen, denk aan de Britten (49 procent) die het Brexit-referendum verloren en nu door hun regering tegen hun zin worden weggetrokken uit Europa.

***

De conclusie is dat het representatieve systeem en het partijstelsel dat erbij hoort moeten worden gekoesterd. De Britse schrijver Edward Morgan Forster had in 1951 terecht twee hoeraatjes voor de democratie over, geen drie, want geen stelsel is perfect, maar alles afwegende is het representatieve boven andere te verkiezen vanwege zijn betekenis voor de georganiseerde kunst van het samenleven.

Welke argumenten kunnen daarvoor nog meer worden aangevoerd? In de eerste plaats dat het representatieve bestel als vanzelf enige afstand schept tussen kiezers en gekozenen, mede dankzij de rol die politieke partijen als intermediair vervullen. Partijen selecteren hun kandidaten op deskundigheid en politieke kwaliteiten, opdat kiezers in vertrouwen het oordeel over publieke kwesties aan hen kunnen overlaten. In het dagelijks bestaan doe je dat zo vaak, vertrouwen op het beoordelingsvermogen van experts omdat je zelf de benodigde kennis mist, dus waarom niet als het om de publieke zaak gaat? De logica achter het bestel is, anders geformuleerd, dat je je stem kunt uitbrengen op mensen van wie je mag verwachten dat ze meer verstand dan anderen hebben van de weerbarstige maatschappelijke problemen, om daarover de beslissingen te nemen waarvoor jou de tijd en kennis ontbreken.

Ik beschrijf hier de ideale situatie. De voorbeelden zijn legio van partijen die bij de opstelling van de kieslijst meer letten op een leuk imago en een pakkende tv-persoonlijkheid van de kandidaten dan op hun deskundigheid en politieke kwaliteiten, maar dat is een verwijt dat je die partijen moet maken, niet het representatieve systeem. Het misverstand dat schuilgaat achter vormen van directe democratie, zoals het populistische alternatief van het referendum, is dat iedereen van alles verstand heeft en erover kan oordelen. ‘De zegen die onwetendheid heet wordt bedorven door de verwachting dat we overal over kunnen meepraten’, schreef columnist Rob Schouten beeldend in Trouw.

Zo bezien is directe democratie een democratie die nog niet af is. Een kwestie wordt als afgedaan beschouwd zodra de kiezers hebben gesproken. Wat ontbreekt is het politieke vervolg, oftewel het debat waarin politici die geacht worden deskundig te zijn – noem hen een elite – standpunten uitwisselen, argumenten en belangen wegen, praktische consequenties bezien, wettelijke haalbaarheid beoordelen en mogelijke strijdigheid met rechtsstatelijke principes signaleren, om tot slot een poging te doen het geheel uit te werken in compromiswetgeving.

Nog een argument waarom de representatieve democratie de voorkeur verdient boven meerderheidsstelsels als het Amerikaanse en het Britse is dat zij gewicht geeft aan de stem van minderheden. Zij voldoet daarmee aan de eis dat een democratie minderheden moet beschermen, veeleer dan een meerderheid vormen. Dat laatste is een praktische noodzaak voor het nemen van beslissingen, het eerste een moreel doel dat verantwoordelijkheidszin voor het geheel van de samenleving stimuleert.

In een representatieve democratie komt het in de argumentatie bovendien aan op de kracht van de overreding, om voldoende steun voor een standpunt te winnen. Dat is vruchtbare grond voor discussie in de vorm van een gedachtewisseling, anders dan in meerderheidsstelsels, waarin het debat beperkt kan blijven tot een uitwisseling van nagelvaste standpunten. Daarmee voldoet het vertegenwoordigende stelsel beter aan de eis dat de democratie een lerend systeem moet zijn. Tot slot oefent dat stelsel een middelpuntzoekende kracht op partijen uit, in tegenstelling tot meerderheidssystemen, die eerder een middelpuntvliedende uitwerking hebben. De gematigdheid, een onmisbare deugd in de democratie, vaart daar wel bij.

Er wordt veel gezucht en gesteund over de representatieve democratie, het partijstelsel en de evenredige vertegenwoordiging, maar met zijn ingebouwde dwang tot matiging, zijn lerende eigenschappen, het gewicht dat het aan de stem van minderheden geeft en de kritische afstand die het creëert tussen kiezers en gekozenen, organiseert dit stelsel de kunst van het samenleven beter dan andere kiessystemen. De conclusie moet zijn: perfect is zij niet, maar van alle democratieën is de ‘onze’ de beste.


Dit is een bewerkte en ingekorte versie van het slothoofdstuk van Marcel ten Hoovens boek De ontmanteling van de democratie: Hoe de kunst van het samenleven verstoord raakt – en wat eraan te doen (De Arbeiderspers, 255 blz., € 19,90) dat deze week verschijnt