Terrorisme in Marokko

Tegenstrijdige verklaringen

De aanslagen in Casablanca werden onmiddellijk toegeschreven aan al-Qaeda. Maar voor banden van de daders met die beweging zijn geen concrete aanwijzingen. Terroristen kopiëren wel vaker elkaars methoden, met dodelijk effect.

Eenenveertig doden, meer dan honderd gewonden en zware schade aan een restaurant, een hotel, een Spaans en een joods cultureel centrum en een joodse begraafplaats. De balans van de vijf zelfmoordaanslagen op 16 mei in Casablanca kan voorzichtig worden opgemaakt, al kan het dodental nog stijgen omdat sommige slachtoffers in levensgevaar verkeren. De financiële gevolgen voor Casablanca, het economische en toeristische centrum van Marokko, zijn waarschijnlijk negatief, al zal de omvang van de gederfde inkomsten pas in het komende jaar duidelijk worden.

De politieke balans is een stuk minder overzichtelijk. Dat blijkt al uit de tegenstrijdige verklaringen die van officiële zijde werden gegeven. «Het internationale terrorisme heeft vanavond in Casablanca toegeslagen», verklaarde minister van Binnenlandse Zaken Moestafa Sahel binnen enkele uren op de Marokkaanse tv-zender 2M. «Het doel van de terroristen is een einde te maken aan het democratische proces in Marokko en aan zijn politieke pluralisme.»

Een woordvoerder van koning Mohammed VI verklaarde namens deze dat de aanslagen «het werk zijn van een internationaal netwerk». Volgens André Azoulay, politiek adviseur van de koning, stoorden de terroristen zich aan «de openheid en vrijheid van onze samenleving, omdat Marokko het enige Arabische land is dat zich officieel ten doel stelt te werken aan een democratische, pluralistische en multireligieuze maatschappij».

Korte tijd later werd bekend dat de veertien vermoedelijke daders allen uit Marokko kwamen, waarschijnlijk zelfs allen uit Sidi Moemin, de grote sloppenwijk van Casablanca. Ondanks de aanvankelijke verdenking van buitenlandse financiering en logistieke steun, moesten de autoriteiten al gauw erkennen dat het hier ging om terroristen van eigen bodem. Een duidelijke Saoedische of Algerijnse connectie ontbrak en ook de aanwijzingen voor hulp uit Europa, onder meer in de vorm van een handboek voor explosieven dat de daders vanuit Nederland zou zijn bezorgd, zijn mager.

De gebruikte explosieven waren volgens de politie zo rudimentair dat het recept evengoed van internet geplukt had kunnen zijn. De Marokkaanse justitie heeft dan ook geen speciaal verzoek om medewerking gedaan aan Nederland; wel aan de VS, Frankrijk, Spanje en België (omdat het getroffen restaurant naast het Belgische consulaat lag).

Ook de Amerikaanse en Franse inlichtingendiensten lieten via de pers doorschemeren dat de aanslagen het werk van al-Qaeda waren. Hoewel elke concrete aanwijzing tot nu toe ontbreekt, is het verleidelijk dit verband te leggen. Op een aan Osama bin Laden toegeschreven geluidscassette van februari van dit jaar noemt de leider van al-Qaeda onder meer Marokko als een «ketters» land dat «bevrijd» moet worden. Een Franse inlichtingenman stelde in Newsweek dat de «internationale jihad prioriteit geeft aan islamitische landen» om twee vliegen in één klap te slaan: de aanslagen treffen westerse doelen (toeristen, westerse compounds) en treffen tegelijk islamitische regeringen die van het rechte pad zijn afgeweken.

Een derde, niet genoemde overweging is wellicht dat aanslagen in islamitische landen een soort aanschouwelijk onderricht zijn voor kwetsbare groepen die er omheen wonen (zoals de bewoners van Sidi Moemin) en die zich in toenemende mate laten inspireren door islamistische groeperingen.

Maar de tegenstrijdige verklaringen blijven elkaar opvolgen. Op maandag 19 mei verklaarde minister Sahel dat het verhoor van de twee overlevende daders «opmerkelijke resultaten» had afgeworpen en dat «onze veronderstellingen over een verband met het internationale terrorisme zijn bevestigd». Diezelfde avond zei minister Nabil Benab dalla van Communicatie, de officiële woordvoerder van de regering, dat het voorbarig was te concluderen dat de daders verbonden waren aan Bin Laden. Kortom, de Marokkaanse autoriteiten zijn er zelf nog niet uit.

De genoemde Franse en Amerikaanse inlichtingenbronnen beroepen zich vooral op de overeenkomsten tussen de Marokkaanse daders en de plegers van aanslagen elders zoals op Bali, in Saoedi-Arabië en op 11 september 2001 in New York en Washington.

De veertien Marokkanen waren tussen de 18 en 24 jaar oud en kwamen schijnbaar «uit het niets». Voorzover bekend hadden ze geen veelbewogen religieus leven achter de rug, maar bekeerden zich korte tijd voordat ze tot hun actie overgingen tot het salafisme, een radicale stroming die vooral populair is onder Algerijnse islamistische jongeren. De laatste tijd kleden ze zich westers en scheren hun lichaamshaar af. Hun handelwijze is enigszins verwant aan de rituele voorbereidingen van de twintig kapers van 11 september in de VS, die weer voor een deel geïnspireerd waren door oude religieuze voorschriften uit de bergen van Kasjmir en Afghanistan, waar het dolende legioen van Osama bin Laden in de loop van de jaren tachtig ontstond.

Niet alleen laagopgeleide jongens zoals de veertien uit Sidi Moemin, ook jonge intellec tuelen zonder perspectief op een waardig, vrij en productief bestaan voelen zich erdoor aangetrokken. Dat ze hun inspiratie zoeken in de godsdienst is ook al geen wonder. Het Marokkaanse «pluralisme» is namelijk nog lang geen realiteit, al wordt er door sommige partijen hard aan gewerkt. Op de dag dat Azoulay de loftrompet stak over de Marokkaanse «openheid» werd Ali Lamrabet, satirisch journalist en hoofdredacteur van de bladen Demain Magazine en Doumane, tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens majesteitsschennis. Volgens zijn advocaten is het de eerste gevangenisstraf voor een journalist in dertig jaar. Sinds vorig jaar geldt in Marokko een draconische perswet die de «heilige waarden» van het land moet beschermen.

Marokko waande zich lange tijd immuun voor de religieuze conflicten die het buurland Algerije en zoveel andere islamitische landen verscheurden, omdat de koning tegelijk staatshoofd en godsdienstig leider is. Als «aanvoerder der gelovigen» gaat Mohammed VI zijn volk voor bij religieuze feestelijkheden, rituelen en gebeden. Aldus staat hij, althans in de officiële versie, persoonlijk garant voor de wereldlijke en religieuze orde in het land, voor de triomf van de consensus en voor de onontbeerlijke samenwerking tussen alle sociale en etnische bevolkingsgroepen.

In veel opzichten is de huidige regering even fundamentalistisch als de radicale islamitische beweging van sjeik Jassin, die van regeringswege zwaar wordt tegengewerkt en waar mogelijk geweerd van de kieslijsten. Zijn partij Recht en Liefdadigheid is verboden en Jassin heeft huisarrest. Zoals de groeiende populariteit van Jassins ideeëngoed bewijst, is de godsdienstige consensus allang verbroken, niet in de laatste plaats omdat de koning zelf een proces van modernisering in gang heeft gezet waardoor zijn positie op den duur wordt aangetast.

Wie zoals Mohammed VI de godsdienst gebruikt om zowel zijn persoonlijke macht als zijn politieke programma te rechtvaardigen, moet niet raar opkijken als zijn tegenstanders hetzelfde doen.

De overeenkomsten tussen de Marokkaanse daders en andere gewelddadige islamitische groepen is een bekend fenomeen uit alle grote onderzoeken naar terrorisme in heden en verleden. Dit wordt het copycat-verschijnsel genoemd. Alle grote aanslagen worden gevolgd door een reeks van meestal kleinere aanslagen of zelfs nep-aanslagen van dezelfde aard. Bovendien kopiëren terreurbewegingen elkaars organisatievormen en methoden en nemen ze zelfs elkaars politieke gedachtegoed over als dat zo uitkomt.

Als Osama bin Laden de hand heeft gehad in de Marokkaanse aanslagen is dat geen toeval, aldus de Marokkaanse politicoloog Mohammed Darif, werkzaam aan de Universiteit van Mohammedia in een buitenwijk van Casablanca. «Hij is erin geslaagd de ‹Afghaanse Marokkanen› (Marokkanen die met Bin Laden meevochten tegen de sovjetbezetting — ab) te verenigen met de jonge Marokkaanse islamisten. De Marokkaanse overheid heeft hen een handje geholpen door de Verenigde Staten onvoorwaardelijk te steunen bij hun militaire campagne tegen het terrorisme.» In juni 2002 werden honderden jonge Marokkanen zonder toestemming van Justitie opgepakt, verhoord en gemarteld op grond van de loutere verdenking dat ze islamisten waren. «De Marokkanen zijn ervan overtuigd dat de Verenigde Staten erachter zaten en dat de namen van de verdachten afkomstig waren van Amerikaanse lijsten», aldus Darif.

Volgens het weekblad Time groeit in Amerikaanse inlichtingenkringen de twijfel over de huidige antiterreurcampagne, die vooral is gericht op het oppakken van kopstukken van al-Qaeda en aanverwante bewegingen en regimes. Is die campagne in Marokko contraproductief geweest, zoals Darif suggereert? In elk geval is hij niet voldoende productief, zoals ook de Amerikanen langzamerhand moeten vaststellen. Ze hebben in anderhalf jaar tientallen vooraanstaande leden van al-Qaeda opgepakt en ook het regime van Saddam Hoessein werd onlangs opgerold met als reden dat de Iraakse president een voornaam sponsor van het internationale terrorisme was.

Niettemin gaan de bomaanslagen en zelfmoordacties in naam van de islamitische jihad gewoon door: op 12 mei in de Saoedische hoofdstad Riad (34 doden) en in de Tsjetsjeense stad Znamenskoje (60 doden), op 14 mei in het Tsjetsjeense Ilisjkanjoert (18 doden) en twee dagen later in Casablanca. «Ze blijven al-Qaeda maar vergelijken met een slang», zegt een anonieme inlichtingenman in Newsweek, «maar het heeft meer weg van een dodelijke gietvorm.»