Buitenland

Tegenverhaal

2016 was het jaar waarin de Britten en de Amerikanen de cockpit van het naoorlogse Westen verlieten. Deze keuzes vormden het voorlopige sluitstuk van een verwijdering die al langer gaande was, maar een beslissende impuls kreeg door de financieel-economische crisis sinds 2008, die het Westen, zijn organisaties en zijn samenlevingen rigoureus uiteen speelde.

Door die crisis bleek het onmogelijke mogelijk. Banken bleken staten. Bedrijven bleken overheden, vooral in de VS. Op de interne markt en in de eurozone bleken markten formidabele tegenstanders van eenheid. Het was een démasqué van Europa, van het Westen. En dat op meer dan één manier, en tegen een achtergrond van afnemende orde in de wereld.

In 2017 zal duidelijk worden of Europa een Europese variant zal ontwikkelen van het Angelsaksische voorbeeld of kiest voor een alternatieve weg van behoud (en de verwijdering binnen het Westen een extra dimensie zal geven). In dat laatste scenario zal de door Brexit en Trump beloofde bevrijding en vooruitgang beantwoord moeten worden met een op het verleden geïnspireerd tegenverhaal. Misschien is dat te veel gevraagd. Het vraagt in elk geval politieke moed: het verdedigen van afspraken die in almaar schrillere tonen worden afgeschilderd als het failliete ancien regime van het naoorlogse Westen.

Dat Westen werd gebouwd op fundamenten van multilaterale samenwerking. Op allerlei manieren en op allerlei terreinen: van de Bretton Woods-instellingen tot de Navo en van de Europese integratie tot de WTO. In een onvoorzien samenspel produceerden deze internationale organisaties collectieve goederen als stabiliteit, voorspelbaarheid, sociale samenhang en vooruitgang. De naoorlogse natiestaten van het Westen en hun samenlevingen ontwikkelden zich ingebed in deze samenwerking, die op haar beurt weer ingebed was in democratische verzorgingsstaten. Wat ook duidelijk is: dit samenspel gaf het naoorlogse Westen een ziel. Het lijdzame surrealisme van Atlantis verdween achter een eclips van universele waarden, sociaal beleid en de hoopvolle taakstellingen die daarbij pasten.

Hoe radicaal de Britse en Amerikaanse terugtocht uit de wereld van het naoorlogse Westen zal zijn, valt nog niet te zeggen. Hoe gehavend de instituties van de westerse multilaterale orde achter zullen blijven evenmin. Deze instituties zitten vol met gebreken, successen, enghartige belangen, hooggestemde idealen, achterstallig onderhoud en historische prestigeprojecten. Deze innerlijke tegenstrijdigheden en hun onafheid gaven hun lang kracht. Ze bleven dragers van beloftes; en geloofwaardig. Want beloftes werden regelmatig ingelost: waardevolle collectieve goederen werden echt geproduceerd. En als zodanig gevierd door politiek en maatschappij.

Dit samenspel gaf het naoorlogse Westen een ziel

De afspraken waaruit deze instituties zijn opgetrokken, sloten steeds opnieuw aan bij de tijdgeest en wat gevraagd werd. De westerse orde kon zo elke keer voldoende bezield worden om politiek geloofwaardig te blijven. Dat is voorbij. Nu wordt belofte schuld. Dat heeft gevolgen. Afspraken nakomen staat steeds minder voor de loutering van zelfbinding en overleg, en steeds meer voor een wereldvreemde bureaucratie met tirannieke trekken. Iets wat bestreden moet worden. De afspraken van ooit worden afspraken die er zijn om gebroken te worden.

In de machinekamer van de Europese samenwerking leidt dit al tot enorme problemen. De afspraken over begrotingsdiscipline, over rechtsstaat en democratie, over mensenrechten, blijken er nu te zijn om gebroken te worden. Voor een samenwerkingsverband dat wortelt in rechtsstatelijkheid betekent dit een existentiële crisis. De stand van zaken ontlokte Commissie-voorzitter Juncker tijdens de viering van 25 jaar Verdrag van Maastricht de uitspraak dat de EU niet langer een ‘rules-based union’ is. Ook hiervoor geldt dat dit eigenlijk onmogelijk is, maar toch waar blijkt.

Het geeft aan hoe ver voorbij de naoorlogse – en door trauma’s gefixeerde – verbeelding de huidige toekomstscenario’s reiken. Heel ver. Ook al omdat à l’impossible nul n’est tenu. Dat is beangstigend, wanneer men zich realiseert hoeveel die ‘binding’ aan samenwerkingsafspraken oplevert in de valuta van collectieve goederen. Tegelijkertijd kan de huidige stand van zaken een stimulans zijn voor nieuwe creativiteit ten bate van behoud van collectieve goederen als veiligheid en sociale cohesie.

Dit voorjaar blijkt of er nog tijd gegund wordt aan het naoorlogse experiment met kapitalisme en democratie in natiestaten die samenwerken binnen de institutionele omlijsting van Europese integratie. De Nederlandse verkiezingen, 15 maart, zijn de eerste graadmeter. Daarna volgen de Franse presidentsverkiezingen en deelstaatsverkiezingen in Noordrijn-Westfalen. Voor de zomer zullen de Europeanen l’impossible nader karakteriseren. We leven op een historisch moment.


Mathieu Segers is deken en hoogleraar Europese geschiedenis en integratie aan University College Maastricht