Tegenwind

Er staat een man op de kade die zijn riem poogt open te krijgen. Ik zie hem vanaf de overkant van het water, waar ik bij een bankje ben gestopt omdat ik iets moet noteren, een zinnetje van niks dat zich evenzogoed in me vastzet. Tegen anderen zeg ik graag, met gespeelde goedmoedigheid: de meeste zinnen schrijf je volstrekt vergeefs. Er duikt een gedachte op waarvan je denkt dat er een gedicht in zit, terwijl er meestal niets in zit wat er door een ander niet veel eerder en veel vakkundiger is uitgehaald – maar bij poëzie draait het niet om zo’n gedachte maar om de hoop op zo’n gedachte, zoals het niet draait om het gedicht maar om de belofte van het gedicht.

De man aan de overkant, die de werking van de gesp inmiddels lijkt te doorgronden, deint lichtjes heen en weer, alsof hij niet op de kade maar op de boeg van een schip staat. Op zijn T-shirt staat de kop van een leeuw. Hij draagt een plastic opblaaskroon op zijn hoofd, die een beetje scheef is gezakt. Achter hem staan andere mannen, met vergelijkbare hoofddeksels, bier te drinken. Iemand heeft statafels neergezet. Opzwepende muziek schalt uit de speakers. Op een grote barbecue wordt vlees gegrild. De wind jaagt de rookwolken tussen de feestvierders door.

Dingen waar altijd weer mijn blik op valt, tegen mijn eigen weerzin in; een doodgereden duif die over het asfalt ligt uitgesmeerd, halfopen vuilniszakken waar luiers uitpuilen, glanzende klodders spuug op een perron, oranjekleurige braakselplakkaten, dode vliegen in etalages. Zulk kijken-tegen-de-zin moet iets instinctiefs zijn, waarbij de walging gepasseerd wordt ten gunste van een diepere, dierlijker behoefte. Waarom kijk ik telkens opnieuw naar dronken mannen die, zonder zich om passanten of omstanders te bekommeren, hun geslacht tevoorschijn halen om ergens tegenaan te pissen? Je wil het niet zien maar het moet. Het is alsof de ogen, op last van de hersenen, om redenen die iets met de evolutieleer en overlevingsmechanismen van doen hebben, volautomatisch draaien naar de plek waar het risico zit. Ze blijven het vuil registreren, de sterfelijkheid, ongedierte, ziektekiemen, afbraak, dreiging.

De man aan de overzijde deint niet langer maar slingert nu zelfs. De wind krijgt vat op zijn kroon, die hij met zijn linkerhand vasthoudt, terwijl hij zijn heupen voorwaarts duwt. Hij wankelt, lijkt even te vallen, maar corrigeert zich door een pas in de richting van het water te zetten. Dan haalt hij, na wat gegraai, met zijn rechterhand zijn piemel uit zijn broek. Heel even lijkt hij, wijdbeens klaterend, het water te gaan raken. Dan dwingt een windvlaag de straal retour, in de richting van zijn bovenbenen, schoenen, de kademuur. Zelfs vanaf mijn plek is te zien hoe zijn lichtblauwe spijkerbroek op bepaalde plaatsen donker kleurt. Hij reageert er niet op. Hij blijft staan, heen en weer wiegend, zichzelf bepissend op de kade. Eén hand op zijn kroon, één hand in zijn kruis. Koning voor een dag, alles overziend, verheven boven iedere schaamte.

Bijna te mooi

het hoeft niet voor de wind te gaan
de dag is niet alleen omringd door mooie
woorden en daden soms is er geen houvast

maar van het ene op het andere moment kan
een dag anders zijn de straten eenzaam noch kil
wisselen vandaag zelfs niet van trottoir als er een voet-
ganger voorbijgaat benadrukken zijn menselijkheid
door te groeten

laten ons voor de show even op de grond vallen
stappen op een betonnen flat af een vuilniszak vliegt
van zeer hoog naar de aarde en mist ons net dat het
bijna te mooi is om waar te zijn

wat een dag

Fred Papenhove
Uit: Het liegend konijn, editie 1, 2021