Tekens van het beest

DE ANTWERPSE boekenbeurs, twee weken geleden. Walter van den Broeck signeert zijn roman Verdwaalde post en maakt een praatje met beursdirecteur Ivo Michiels. Opeens zien ze een troepje veiligheidsmensen met in hun midden kroonprins Filip naderen. Michiels grist een exemplaar van Brief aan Boudewijn van de stapel en zegt: ‘Walter, signeren!’ Van den Broeck signeert en Filip neemt aangenaam verrast het boek in ontvangst. Dan volgt een surrealistische scène, James Ensor waardig. Terwijl de kroonprins het omslag monstert, vraagt hij zonder een zweem van ironie: ‘Oewaar gaat het over?’

Uitgerekend Van den Broeck klaagt al jaren dat schrijvers in België worden beschouwd als kleine kinderen die maar wat aanrommelen in de letterbak. Zijn Brief aan Boudewijn (1980), een van de belangrijkste romans van de laatste decennia, is nota bene gericht aan wijlen Filips oom. Niettemin heeft de aanstaande koning er nog nooit van gehoord. Maar kinderen en dwazen spreken de waarheid. In zijn onnozelheid stelde Filip net die ene vraag waarop geen enkele Belgische schrijver het antwoord weet: waar gaat het in dit land eigenlijk over?
Op het eerste gezicht gaat het in België tegenwoordig alleen nog over Dutroux, op het tweede gezicht gaat het echter over alles behalve Dutroux. De zedenmisdadiger uit Sars-la-Buissière staat allang niet meer op zichzelf. Hij wordt in verband gebracht met allerlei netwerken, politieke schandalen, katholicisme, ontkerkelijking, mediagekte, kapitalisme en de schier endemische corruptie van België en Europa in het algemeen. Als een semantische magneet trekt hij betekenissen, metaforen en verhalen naar zich toe. Het is domweg onvermijdelijk om over hem te schrijven.Maar hoe doe je dat? Hoe schrijf je over misdaad, seksualiteit en politieke macht in een land waar het woord geen soortelijk gewicht heeft?
TOM LANOYE, Walter van den Broeck, Peter Verhelst, Monika van Paemel en andere schrijvers spraken zich op het toneel, via de media of in hun boeken nadrukkelijk uit over de affaire en de politieke implicaties. Maar ook boeken waarin Dutroux niet voorkomt, zoals De geruchten (1996) van Hugo Claus, bleken plotseling processen-verbaal in zijn dossier te zijn. Auteurs die dat willen vermijden, zien zich door de actualiteit de mond gesnoerd. Stefan Hertmans liet een manuscript in de la liggen omdat er een advocaat in voorkwam die seks had met een minderjarig meisje. En toen het graven naar lijken in Jumet begon, wilde Peter Verhelst uit zijn manuscript De kleurenvanger (1996) nog gauw een zin schrappen over meisjeslichamen die ‘gistten en opbloeiden in de Europese grond’. Helaas was de tekst al gezet, zodat het boek nu zijns ondanks naar Dutroux verwijst. 'Van schrik heb ik toen de domste zin van mijn leven gesproken’, zegt Verhelst. 'Ik zei dat ik “absoluut niet geëngageerd” wilde zijn. Alsof je daaraan kunt ontkomen.’
Lanoye aarzelde geen moment toen Dutroux hem in augustus 1996 bij het bewerken van Shakespeares Richard III onderbrak. Lanoye: 'Het land leek politiek open te barsten. Iedereen wist al hoe verrot België was, maar dan is er een zaak-Dutroux, die gaat over de zuiverheid van het kind. Dat blijkt het ultieme te zijn, net als bij Shakespeare. De grootste misdaad van Richard is dat hij zijn beide neefjes vermoordt. Wij waren juist aan de eerste lezing begonnen. Het was bizar: op de dag dat Julie en Melissa werden gevonden, vermoordde Richard zijn neefjes en at ze op.’ Zijn conclusie: 'Dutroux is het ijkpunt voor alles wat in België gebeurt.’
Vervolgens ontketende Lanoye een herfstoffensief zoals de Vlaamse literaire wereld nog nooit had gezien. Vrijwel tegelijk verschenen zijn acht Shakespeare-bewerkingen onder de titel Ten oorlog, zijn roman Het goddelijke monster en zijn theatermonoloog Gespleten en bescheten.
LANOYE was woedend dat 'alles weer fout liep en werd toegedekt’, en schreef Het goddelijke monster. Het boek is een satire over een oude Vlaamse familie van 'betere’ komaf. De structuur is die van een soap, want hij zei geen andere manier te weten om over het België van Dutroux te schrijven. Binnen enkele weken waren er veertigduizend exemplaren van verkocht. In Gespleten en bescheten spuwde hij nog eens zijn woordengal uit over de hopeloze toestand van zijn land, aarzelend tussen de slotzin van Boons Kleine oorlog - 'Schop de mensen tot zij een geweten krijgen’ - en 'Wat heeft het voor zin?’ Begin dit jaar overwoog hij zelfs even in de politiek te stappen. Lanoye: 'Moet je je in dit land als kunstenaar rechtstreeks met politiek bemoeien? Die vraag is in Nederland academisch. Voor mij, zeker als homo, is het een zeer concrete vraag.’
Door sommige schrijvers en politici werd Lanoye geprezen om zijn engagement, anderen noemden hem een opgewonden standje dat zich met zijn gejammer aan de zijlijn plaatst. Maar terwijl Lanoye de theaters vulde, voerden de politici hun eigen farce op, die van een 'Nieuwe Politieke Cultuur’ die alles bij het oude liet. Had Lanoye de macht van het woord overschat? Zijn Risjaar Modderfokker den Derden is uitgeraasd, zijn Monster is in schoonheid gestorven, en zijn overrompelende theatermonoloog eindigde in woordeloosheid terwijl de dichter dodelijk vermoeid met zijn broek op zijn enkels voor het publiek stond: 'Weet je wat nog het ergste is? Dat de sterkste literatuur ontstaat als de woorden wegvallen. Luister maar… luister… Allez… Wat gaan we nu doen…?’
Het bleef doodstil in de zaal.
DE MACHT van het woord is het thema van Verdwaalde post. 'Ik werkte er al geruime tijd aan toen Dutroux mij dwong er een Dutroux-boek van te maken’, zegt Walter van den Broeck. Zijn twee hoofdpersonen trachten alle woorden te ordenen op een denkbeeldige woordschaal. In het midden van de schaal staat het 'nulwoord’ uit het woordenboek, het 'woord zonder bijbetekenissen’. Aan weerszijden van dit nulwoord plaatsen ze in de loop van het boek alle werkzame woorden, van het gebed tot de stakingsoproep. Alleen het dodelijke woord ontbreekt nog. Tenslotte gebruikt een van de personages zonder het te beseffen een dodelijke woordcombinatie zodat iedereen die haar tekst leest, sterft. Het is een naargeestige parabel over engagement: niet het kritische maar het dodelijke woord blijkt werkzaam. En het treft als een epidemie zowel schuldigen als onschuldigen.
Toch neemt Van den Broeck uitdrukkelijk stelling. In Verdwaalde post figureert een inspecteur Veldeman, die Dutroux verklaart als symptoom van het wildgeworden kapitalisme na de val van de Berlijnse Muur. Zijn uitspraken zijn eigenlijk verkapte pamfletten van de schrijver. Hoe viel dat te rijmen? Van den Broeck: 'Dat thema van het dodelijke woord dateert al van 1974, toen ik er een notitie over maakte in een schriftje. Ik heb talloze van die schriftjes. Soms begint er eentje te roepen: “Ik wil geschreven worden”, en daar heb ik niks tegenin te brengen. Op dezelfde manier dringt de actualiteit zich aan mijn boeken op terwijl ik schrijf. Ik was honderdvijftig pagina’s gevorderd toen Dutroux de krant haalde. Ik schreef juist over twee rechercheurs die met elkaar spraken. Ik kon me niet voorstellen dat die twee het niet over Dutroux zouden hebben en dus over de hele politieke context.
Die context is de val van de Muur en de explosie van criminaliteit, illegale migratie en andere uitwassen van een ontketend kapitalisme. Op televisie zei een psychiater dat Dutroux een psychopaat was omdat hij mensen als objecten behandelde. In diezelfde tijd schrapte een zekere meneer Schweitzer, directeur van Renault, op afstand zomaar drieduizend banen in Vlaanderen. Zoek het verschil. Ik ben niet zo pessimistisch als Veldeman, die bang is dat we terugkeren naar een negentiende-eeuws roofkapitalisme, maar ik vrees dat de markt de Dutroux in ieder van ons opwekt. Onder welke woordsoort zou ik mijn boek rangschikken? Het “verontrustende woord”, denk ik.’
Herman Brusselmans is in het geheel niet verontrust. In Nog drie keer slapen en ik word wakker (1998) laat hij zich door de aartsluie, alcoholistische, homofobe en onophoudelijk vloekende en tierende boekhandelaar Louis Tinner door diens universum sleuren. De actualiteit kan Tinner niet verdommen: 'Een paar kinderen die gedood werden? Gesjoemel, maffiapraktijken en voltijdse aanfluiting van de democratie? Dat noem ik alleszins geen nieuws.’
Stelt Dutroux in Brusselmans’ ogen dan niets voor? Brusselmans: 'Hij heeft een paar meisjes vermoord. In de geschiedenis betekent dat niks. Vanuit mijn standpunt - niks stelt iets voor - kan ik niet eens een politiek geëngageerd schrijver zijn. Alle respect voor Tom Lanoye, die een vriend van me is en een goed schrijver, maar politiek is voor de krant, niet voor scheppend proza. De machthebbers luisteren toch niet. Weet je wie invloed hebben? Helmut fucking Lotti of Marco Borsato! Een goede schrijver is een klootzak van wie je niet weet of hij meent wat hij zegt. De literaire top trapt niet de open deuren van het engagement in.’
AAN GENE ZIJDE van de taalgrens is het intussen opmerkelijk stil. Waalse journalisten en intellectuelen roeren zich luidruchtig, maar de schrijvers niet. Dat is vreemd, te meer omdat zij zich vanouds richten naar Parijs waar de intellectueel als maatschappelijke bemoeial zo ongeveer is uitgevonden. Die oriëntatie blijkt echter een handicap. Om verkocht te worden moeten Waalse schrijvers in de smaak vallen bij de Parijse critici en die hebben een hekel aan 'provincialen’. Dus situeren ze hun verhalen in alle uithoeken van de wereld, desnoods op denkbeeldige locaties, maar niet in België. Pierre Mertens liet pas in zijn derde roman doorschemeren dat hij Belg is. En hoe! In Une paix royale (1995) gaf hij zo'n ontluisterende beschrijving van de koninklijke familie dat prinses Liliane twee smaadprocessen tegen hem aanspande. Maar zelfs een progressieve instelling blijkt in Wallonië een handicap. Net als de meeste Waalse intellectuelen voelen de schrijvers zich verbonden met de Parti Socialiste (PS), die hun deelstaat veertig jaar heeft geregeerd. Ook al erkennen zij binnenskamers dat het moeras van corruptie waaruit 'hun’ Dutroux is opgerezen mede te danken is aan de PS, de vuile was hangen ze niet buiten.
Jacques de Decker ging het verst in Le ventre de la baleine (1996), een sleutelroman over de onopgeloste moord op de Luikse socialistenleider André Cools. Ook hier staat de val van de Muur centraal. Het boek opent met een nachtmerrie waarin negentiende-eeuwse burgers vanuit de buik van een gemechaniseerde walvis naar buiten kijken. De speelse vissen in hun blikveld maken allengs plaats voor agressieve haaien en tenslotte voor een reusachtige octopus die het vaartuig dreigt te verslinden, een verwijzing naar het roofkapitalisme van honderd jaar geleden en tegelijk naar de alomtegenwoordige maffia. Het Cools-personage wordt uiteindelijk vermoord door Siciliaanse maffiosi die zich hebben genesteld in het kabinet van een rivaliserende PS-leider.
De Deckers walvis is echter meer dan een stijlfiguur. De Decker: 'Ik heb die nachtmerrie werkelijk gehad, in het vliegtuig, op de dag dat Cools werd vermoord. Ik vrees dat de walvis over twintig jaar een metafoor is voor heel Europa, voor de sociale afbraak waarvan deze moord een symptoom is. Wij zitten allemaal in zijn buik, ook Dutroux. Zelfs de chronologie van zijn dossier weerspiegelt de omslag. In de jaren tachtig is hij veroordeeld wegens het verkrachten van meisjes. Nadat hij in 1992 vervroegd was vrijgelaten, ging hij handelen in meisjes.’
TOCH BLIJFT de tegenwerping van Brusselmans relevant. Lanoye, De Decker en Van den Broeck geven het beest een naam, maar worden hun boeken er beter van? Moet een schrijver iets willen bewijzen en zelfs antwoorden aandragen?
De belangrijkste tekst over Dutroux - daarover zijn de meeste critici en collega-schrijvers het eens - is De geruchten, een boek waarin je tevergeefs naar antwoorden zoekt. Het speelt in de jaren zestig en beschrijft de terugkeer van René Catrijsse, een deserteur uit het Belgische koloniale leger, naar zijn geboortedorp Alegem. Catrijsse heeft een tropische ziekte onder de leden, waarmee hij diverse dorpelingen dodelijk besmet. Uiteindelijk wordt hij door zijn voormalige commandant opgespoord en als een dolle hond afgemaakt. Daarmee lijkt het kwaad bezworen, maar in De geruchten is niets zoals het lijkt. Het verhaal is opgebouwd uit roddels die de dorpelingen elkaar vertellen in café De Doofpot. Ieder van hen heeft zelf iets te verbergen: diefstal, incest, collaboratie, verraad. Het kwaad dat aan Catrijsse wordt toegeschreven, is bij nader inzien diffuus. Het verschuilt zich achter dezelfde stemmen die het aan de kaak stellen.
'De waarheid is zelden een helder motief’, zei Claus bij de verschijning van het boek: 'De meeste dingen die wij gewaarworden komen via geruchten tot ons. Zo gaan wij door het leven. Om de waarheid te achterhalen, moet je door al die geruchten heenploeteren.’ Maar wie zelf besmet is, draagt maar al te graag bij aan de geruchten. Bestaan er dan helemaal geen onschuldige voorbijgangers? Nee, die bestaan niet in de wereld van Claus. In Onvoltooid verleden (1998), dat twintig jaar na De geruchten speelt, laat hij de oud-politieman Blaute door een eindeloze stroom geruchten heenploeteren, maar ook hij kan de waarheid niet achterhalen. Blaute verhoort Noël Catrijsse, de zwakbegaafde broer van René, die vastzit op verdenking van moord. Naarmate het verhoor vordert, raakt de lezer alweer verstrikt in een lied van schijn en wezen. Hij krijgt het gevoel steeds dichter bij de waarheid te komen, maar zelfs Noëls vrijwillige bekentenis op het eind van het boek blijft in het luchtledige hangen. Blaute zou evengoed de moordenaar kunnen zijn geweest.
VANWEGE de aanvankelijk lauwe ontvangst van De geruchten laat Claus zich nog ongaarne uit over het boek. Claus: 'Sommige critici suggereren dat ik De geruchten snel op aandringen van mijn uitgever heb gemaakt, als een smerig boekje om geld te slaan uit de actualiteit. Maar ik had het manuscript al maanden vóór de affaire voltooid en het staat te bezien of het over Dutroux gaat. Ik acht mijzelf in het geheel niet capabel om het boek te interpreteren. Dat laat ik aan de lezers over. De geruchten speelt weliswaar in België, maar ik zou niet eens met zekerheid kunnen zeggen of het over België gaat. Daar woon ik namelijk niet. Misschien dat ik om drie uur ’s nachts in het café wel eens iets roep over België, maar dat is niet relevant voor mijn romans. Ik woon in mijn eigen land, in Clausland.’
'Natuurlijk gaat De geruchten over Dutroux’, zegt De Decker, behalve schrijver en journalist ook de bekendste Waalse vertaler en kenner van Claus. 'Hij was de eerste Vlaming die schreef dat België het meest corrupte land van Europa is. Hij heeft het thema praktisch ontdekt, maar door journalistieke amnesie wordt hem die eer niet gegund. Zijn stuk Interieur uit 1971 gaat al over het klimaat van politieke ontaarding en zedenproblemen waar we nu middenin zitten. De geruchten toont hoe Dutroux tot een affaire kon uitgroeien, hoe het kwaad zich dankzij speculaties en verdachtmakingen epidemisch kan verspreiden. Alegem is België op microniveau. Alleen al de titel is een trouvaille. Dit land leeft momenteel op geruchten, elk drama wordt gemythologiseerd tot niemand er meer vat op heeft.’
'HET IS BELACHELIJK dat Claus zich terugtrekt achter zijn boeken’, zegt Verhelst. 'Iemand met zijn uitzonderlijke status, die zo precies de vinger legt op allerlei misstanden, kan er vervolgens niet het zwijgen toe doen. De diepgewortelde achterdocht in De geruchten is misschien universeel, maar tegelijk typisch Vlaams. Ik woon zelf in zo'n dorp. Op de ochtend dat Dutroux ontsnapte, riep de buurvrouw dat ik mijn kinderen binnen moest halen want “hij” was weer los. Dutroux is tot monster verklaard, maar hij is gewoon een Belg. Zo simpel is dat. Wij zijn allemaal kleine belastingontduikers, gluurders en scharrelaars. Veel trekken van Dutroux zitten in ons. We zijn allemaal besmet. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik overtuigd raak dat wij allemaal bloedbeesten zijn. De vraag is hoe je ertegen kunt vechten. Dat doe je in elk geval niet door concreet te schrijven over Dutroux en zijn kelders. De werkelijkheid komt vanzelf wel in je boeken terecht. Zodra je dingen wilt verklaren of oplossingen aandragen, zoals Lanoye in zijn Goddelijke monster, ben je onschadelijk. De mensen die je wilt bereiken lezen geen boeken, en de mensen die je wel bereikt zijn het al met je eens. Dat vind ik geen literatuur. Nee, een boek moet verontrusten, de hoofden aan het wemelen brengen. Literatuur is toch per definitie een leugen? Dat onontwarbaar kluwen van verhalen en verdachtmakingen is literair veel interessanter.’
Verhelsts boeken zijn 'niet duidelijk geëngageerd maar toch subversief’ (Lanoye) omdat ze zijn opgebouwd als een pentagram, een vijfhoek die kan worden opgedeeld in zes vlakken. Zijn de zes vlakken gevuld met de steeds terugkerende thema’s decapitatie, castratie, transformatie, tauromachie (stierengevecht), reflectie en religie, dan volgt als zevende thema onveranderlijk het zichzelf vernietigende geheel. Die structuur is ook van toepassing op zijn gedichten: zes bundels, gevolgd door een zevende die er op gericht was alle poëzie kapot te maken.
Verhelst: 'Het pentagram is een labiele structuur die van iedere zin gespeend is, maar je maakt er als lezer een samenhangend verhaal van. Dat is de kern van alle paranoia. Niet iedereen kan ertegen. Controle-freaks gooien mijn boeken na tien bladzijden weg, anderen noemen ze racistisch. Dat is inderdaad een mogelijke uitleg die ik zelf heb gewild. Ook mijn volgende roman, die komend voorjaar uitkomt, is weer volkomen paranoïde. Nee, ik onttrek mij niet aan mijn verantwoordelijkheid zoals Claus. Mijn meerduidigheid is niet vrijblijvend.’ Lachend: 'Ik sta achter alle mogelijkheden.’
IN NOVEMBER vorig jaar ensceneerde Verhelst samen met zijn aanstormende collega’s Jeroen Olyslaegers en Paul Mennes de multimediavoorstelling De gebeurtenissen. In die 'mini-opera’ trachtten zij alle duivels van het voorbije jaar uit te drijven, waarna het publiek door een dance party kon bewijzen dat het zich niet langer van de wijs liet brengen. Olyslaegers en Verhelst zetten uiteen dat het schrijven voor hen bijna toegepaste filosofie is geworden. In hun discussies met vrienden, collega’s en filosofen ('We deconstrueren elkaar aan de keukentafel’) is de kracht van het ’D-woord’ pas goed duidelijk geworden.
Olyslaegers: 'De affaire-Dutroux betekent een complete omwenteling in het denken. Hij heeft een soort zwart gat geslagen in de verhouding tot de pers, de politieke instellingen. Er bestaat geen waarheid meer, geen directe toegang tot de werkelijkheid. Alles wordt gemedieerd en gemediatiseerd. Iedereen heeft zijn eigen versie van de feiten en zodra iemand met zogenaamd nieuwe gegevens aankomt, wordt hij door anderen verdacht gemaakt. Het resultaat is een totale politieke inertie, waarvoor ik geen oplossing zou weten. Maar om dat te laten zien, moet je juist gedetailleerd over Dutroux schrijven. In mijn komende roman Open gelijk een mond zijn alle personages over zijn zaak aan het schrijven. Allemaal mediëren ze zichzelf en elkaar. En ze beschouwen zich allemaal als geëngageerd, terwijl hun engagement door anderen weer wordt doorgeprikt.
Dat is de toestand waarin we momenteel leven in België. Iedereen is besmeurd. Regina Louf, alias “getuige X1”, beweert dat zij door een netwerk rond Dutroux is misbruikt en diverse moorden heeft gezien. Zij wordt door de ene krant verdedigd en door de andere krant als fantaste afgedaan, waarbij die kranten elkaar weer van manipulatie beschuldigen. Zij heeft een autobiografie geschreven, Zwijgen is voor daders, een in potentie explosief boek, maar nu wordt haar aangewreven dat zij als kind zelf seks wilde, hetgeen betekent dat zij eigenlijk niet is misbruikt en dat het hele boek dus wel gelogen zal zijn. En dat wordt allemaal weer vervormd door de media. Het roddelblad Dag Allemaal publiceerde jeugdfoto’s van haar onder de kop “Toen was geluk nog heel gewoon”. Behoud daar eens je volle verstand bij. We lijden aan MPS, het Meervoudig-Persoonlijkheids-Syndroom.
Om het evenwicht te bewaren had ik een personage nodig dat het hele boek lang vergeefs probeert de waarheid te vertellen. Dat is “DJ Zebra” geworden, een vrouw die niet wordt geloofd omdat iedereen zegt dat ze te veel Stephen King of achttiende-eeuwse erotische literatuur heeft gelezen. Dat is letterlijk over Louf beweerd. BRT-journalist Leo Stoops laadde zijn auto vol Stephen King-boeken en riep dat hij wel even zou bewijzen dat ze alles had overgeschreven. Je ging aan het bestaan van Dutroux zelf twijfelen. Daarom was ik blij toen hij ontsnapte, alsof hij wilde zeggen: “Koekoek, ik ben er nog!” Ik heb een paar vrienden uitgenodigd en een fles champagne opengetrokken, want ik had de epiloog voor mijn boek: Dutroux vlucht het bos in en schrijft daar een brief aan zijn zoon. Het beest medieert zichzelf. Welkom in België, het meest postmoderne land van de wereld.’
TERWIJL Olyslaegers praat, draait achter zijn rug de carrousel vrolijk door. Het 'grootste verkoopsucces’ op de Antwerpse boekenbeurs, zo blijkt uit een binnenrollend persbericht, is het boek van Regina Louf geweest. Onder het signeren liet 'getuige X1’ zich ontvallen dat ze altijd al schrijfster had willen worden.