Fotografie - De pionier Talbot

Tekenstift der natuur

William Henry Fox Talbot ontwikkelde het eerste fotoboek uit de geschiedenis, om zijn gelijk te halen. Hij wilde die verduivelde Fransman Daguerre aftroeven.

Medium the 20english 20vine 20 bryonia 20dioica  2c 20probably 201839 2c 20whftalbot 20 c2 a9 20nmem 20sspl

Het klinkt als een foutje. Het boek Rijks: Masters of the Golden Age is in de aanbieding van 6500 voor 6150 euro. Maar er is geen komma verkeerd gezet, het is de prijs. In sommige winkels kun je het boek inkijken, met witte handschoentjes. De 2500 exemplaren van deze gelimiteerde editie wegen 35 kilo per stuk en bevatten kleurenreproducties van veertig meesterwerken uit de collectie van het Rijksmuseum, aangevuld met detailfoto’s en gekalligrafeerde teksten over de kunstwerken. Marcel Wanders is de ontwerper van het boek en lichtte zijn project toe aan tafel bij De wereld draait door: ‘De Eregalerij is het beste wat ons land heeft voortgebracht. Daar moet je niet zomaar een boekje van maken, we hebben gekozen voor de allerbeste craftpeople die we konden vinden.’ In de _making of-_video van de uitgever komen verschillende ambachtelijke stadia van het maakproces aan bod: kalligrafie, drukken, binden, het maken en verzilveren van het omslag en ten slotte het klaarmaken voor verzending. Vreemd genoeg is Wanders het belangrijkste onderdeel vergeten: de reproducties zelf. Blijkbaar gaat hij ervan uit dat het één op één fotograferen van kunstwerken een onfeilbare methode is, die geen bijzonder ambacht meer vereist.

Over de ontwikkeling van de fotografische techniek is iets meer dan 175 jaar geleden wél het een en ander te doen geweest: Franse en Britse wetenschappers betwistten elkaar over wie de eerste foto had gemaakt. Een van de hoofdrolspelers van die strijd, William Henry Fox Talbot (1800-1877), maakte het allereerste fotoboek om zijn gelijk te bewijzen. The Pencil of Nature, dat tussen 1844 en 1846 in zes afleveringen verscheen, bevat foto’s die volgens het door de Engelsman uitgevonden procedé waren gemaakt, aangevuld met teksten. Hoewel het op het eerste gezicht een vrij willekeurige verzameling foto’s met commentaar is, was dit eerste fotoboek meteen een catalogus van de mogelijkheden van het nieuwe medium. In het Londense Science Museum zijn de foto’s en experimenten van Talbot deze zomer te zien. The Pencil of Nature hangt er compleet, in het centrum van de tentoonstelling, als een bijzondere gids in de vroege geschiedenis van de fotografie. Een niet geheel onpartijdige gids over onzekerheden, verblekende afdrukken en bewogen personages, gemaakt door iemand die koste wat kost erkenning wilde.

In 1833 was Talbot op vakantie aan het Comomeer toen hij erachter kwam dat zijn tekenkwaliteiten te wensen overlieten, zo schrijft hij in het eerste hoofdstuk van zijn boek, een ‘Brief Historical Sketch of the Invention of the Art’. Om het landschap te vereeuwigen en als aandenken voor thuis gebruikte hij, zoals veel van zijn tijdgenoten, een camera lucida: een instrument waarmee je dankzij een lens tegelijkertijd de verte ziet en het tekenpapier op de tafel voor je. In principe kun je zo het uitzicht overtrekken, maar ook daar heb je wel enig tekentalent voor nodig. ‘Hoe charming zou het zijn als je ervoor kon zorgen dat deze afbeeldingen zichzélf op het papier konden drukken, en daar zouden blijven!’ verzuchtte de Engelsman.

Talbot was, als de meeste Britse welgestelde academici uit zijn tijd, geïnteresseerd in alle takken van wetenschap: hij studeerde wiskunde en sterrenkunde, maar was ook expert in egyptologie en plantkunde – in de tentoonstelling liggen zijn handgeweven zakjes voor plantenzaad uitgestald. Niet verwonderlijk dus dat hij, eenmaal thuis in Engeland, zijn idee serieus ging onderzoeken. Hij ging aan de slag met papier, chemicaliën, gebruikte ‘platte objecten’ zoals bladeren en stukjes kant om een afdruk te krijgen, en die vervolgens te fixeren. Hij kwam tot wisselende resultaten, soms lukte het hem zelfs om met behulp van een camera obscura een ‘uitzicht’ vast te leggen, maar hij vond het, zo schrijft hij in 1844, niet voldoende om te publiceren.

En toen was daar opeens, in januari 1839, de aankondiging dat in Parijs een nieuwe kunst was uitgevonden. De uitvinding van Louis Daguerre, de daguerreotypie, zou volgens zijn pleitbezorger, de wetenschapper François Arago, een revolutie in de kunsten betekenen. Op een koperen plaat kon, zo had Arago gezien, de ‘afbeelding van een boulevard’ tot in de kleinste details worden vastgelegd, alleen de bewegende dingen, zoals de mensen en de karren, kon je er niet op zien.

Het publiek moest nog enige tijd zijn nieuwsgierigheid bedwingen, want Daguerre wilde niets van zijn procedé prijsgeven – zijn methode moest worden aangescherpt. Talbot noemt het in zijn boek een splendid discovery, maar wist niet hoe snel hij moest reageren. Nog diezelfde maand wist hij aan de Royal Institution in Londen aan een publiek van driehonderd mensen zijn ‘photogenic drawings’ te tonen, met de afdrukken van het stukje kant, de vleugel van een insect en ook opnamen van architectuur, die Talbot naar eigen zeggen al in de zomer van 1835 had gemaakt met behulp van een camera obscura.

Talbot had een troef in handen: zijn afdrukken konden eindeloos worden gereproduceerd

De techniek van Daguerre, die uiteindelijk in augustus van dat jaar geopenbaard zou worden, was volkomen anders: de daguerreotypie bestaat uit een koperen plaat, waarop door de werking van chemicaliën een haarscherpe afdruk is te zien, mits je de plaat in de juiste positie houdt. De techniek werd wel vergeleken met een ‘spiegel die alle indrukken onthoudt’. De afbeelding was haarscherp, maar er bestond maar één exemplaar van. Het was Daguerre’s zwakke plek, en Talbot besefte dat.

De foto’s van de Engelsman vervaagden nog vaak na verloop van tijd, maar hij had een grote troef in handen: de gemaakte afbeeldingen waren negatief: op de plek waar licht kwam, werd het papier donker. Door het belichte en gefixeerde papier vervolgens doorzichtig te maken met behulp van was, en een nieuw lichtgevoelig papier eronder te plaatsen en in de zon te leggen, ontstond een positief beeld. Een afdruk die eindeloos kon worden gereproduceerd – en zo dus in oplage, in een boek kon worden gedrukt.

Na de historische schets, die Talbot besluit met de conclusie dat hijzelf de fotografie in 1839 heeft ontdekt, volgen de platen zelf, 24 in totaal. Het zijn bruin getinte afbeeldingen, waarop de korrel van het papier ze een beetje op een schets doet lijken. De keuze voor de afbeeldingen is op het eerste gezicht willekeurig: een deel van Queen’s College in Oxford, planken met Chinees porselein, een blad van een plant. Toch wordt, zeker in combinatie met Talbots tekst, langzaam duidelijk dat er wel degelijk een programma achter de keuze van de afbeeldingen zat.

Neem de tweede foto, View of the Boulevards at Paris. Gemaakt, zoals Talbot schrijft, vanuit een van de ramen van het Hôtel de Douvres, op de hoek van de Rue de la Paix, in de middag. Het weer is ‘warm en stoffig’, de straat is nat gemaakt en vanwege een reparatie aan de weg moesten de machines waarmee dat gebeurde, omrijden – het is allemaal te zien op de foto. Wat Talbot niet opschrijft, maar wat de kenners wisten, was dat Daguerre in 1839 ook verscheidene opnamen had gemaakt van een Parijse boulevard, de Boulevard du Temple. Zijn studio keek erop uit, het was een makkelijk doelwit, en Arago had het in januari van dat jaar al genoemd in zijn aankondiging. Daguerre stuurde een exemplaar naar Ludwig I, de koning van Beieren, om zijn uitvinding te propageren. In mei 1843 was Talbot in Parijs om zijn procedé met de negatieven, de talbotypie of calotypie, in Frankrijk gepatenteerd te krijgen (in Engeland was hem dat in 1841 gelukt). De kamer in het Hôtel de Douvres had hij niet toevallig: ‘Ik koos het om het uitzicht’, schreef hij in een brief aan zijn moeder. En maakte een foto die wel erg veel lijkt op die van Daguerre.

Een volgende foto toont een collectie porselein – ‘allemaal tegelijk gefotografeerd, in maar iets meer tijd dan het zou duren om een geschreven inventaris te maken’. The Open Door, met een rieten bezem nonchalant in de deuropening, is een van de bekendste foto’s van Talbot. Zelf ziet hij die enscenering als een manier om het alledaagse vast te leggen, in navolging van de Hollandse schilderkunst. Kunst! Een hele serie foto’s toont reproducties: een foto van een lithografie (Parijse karikaturen – weer een steekje naar de Fransen), een Fac-simile of an Old Printed Page op ware grootte, een foto van een tekening van Hagar in de woestijn.

‘De nevel, die over de beginselen van de fotografie ligt, is niet zo dicht als die die zich over het begin van de boekdrukkunst uitstrekt’, begon Walter Benjamin zijn artikel Kleine Geschichte der Photographie in 1931 opgewekt. Juist de foto’s uit die eerste jaren van de fotogeschiedenis hadden volgens Benjamin de meeste waarde; de industrie had toen nog geen vat gekregen op de techniek, het was een kwestie van lang stil zitten voor de geportretteerde en van vakmanschap bij de fotograaf. En juist met het productieproces van The Pencil of Nature zat het Talbot niet mee. Hij zette samen met de Nederlander Nicolaas Henneman in 1843 een fotografische drukkerij op in Reading om zijn boek in oplage te drukken. Vanwege de slechte zomer ging het afdrukken veel langzamer dan gehoopt. In het tijdschrift Athenaeum werd daarover geklaagd en vooral over dat andere aspect: de prijs, die vele malen hoger was vergeleken met gravures en lithografie. ‘Dit alles toont aan’, zo besloot de bespreking, ‘dat het veel te veel moeite kost om een foto te maken, en dat de fotografie nooit een algemeen gebruikte manier van boekillustratie zal worden.’ Ook in de pers wordt wel eens een foutje gemaakt.


William Henry Fox Talbot: Dawn of the Photograph, tot 11 september in het Science Museum in Londen. Meer Talbot en andere fotografie in Londen: Painting with Light: Art and Photography from the Pre-Raphaelites to the Modern Age, tot 25 september in Tate Britain

Beeld: The English Vine (Bryonia Dioica), waarschijnlijk 1839 (Nmem SSPL); (2) The Latticed Window (with the Camera Obscura) augustus 1835 (Nmem SSPL)