THEATER

Teksten kotsen

Hamlet

Een aan toneel verslaafde toeschouwer die lang leeft en van toneel blijft houden, loopt een gerede kans om niet alleen verscheidene keren Hamlet te zien, maar ook verscheidene keren mee te maken dat dit stuk wandelt langs scheurlijnen in zijn of haar (persoonlijke) geschiedenis. Mijn eerste was in 1966 met Eric Schneider (1934), die in deze ‘provo-Hamlet’ een leren broek droeg en een zwarte slobbertrui en die zijn teksten (vertaling Bert Voeten) over de kale speelvloer zwiepte alsof ze hem in aanvallen van woede en verdriet ter plekke invielen. Die Hamlet werd in het geheugen geëtst. Maar… het was mijn eerste, ik was achttien en wist nauwelijks van toneel en al helemaal niks van Shakespeare. Toen ik een jaar of tien later - Eric Schneider was aan zijn tweede Hamlet begonnen - de geluidsopname van die eerste terughoorde, werd me de vergankelijkheid van toneel gewaar.

Twintig jaar later regisseerde Gerardjan Rijnders, als opmaat voor 'zijn’ Toneelgroep Amsterdam, een Hamlet die tegen de tochtgaten van de tijd aan schuurde. Een wereldvreemde prins die te lang tussen de studieboeken van Wittenberg opgesloten zat en die de nieuwe krachtsverhoudingen aan het Deense hof pas begon te begrijpen toen het te laat was. Opnieuw een schuin oplopende kale vloer, maar nu van tegels met betonrot, gevat in sober clair-obscur. De kostuums en pruiken zaten vol verwijzingen naar de Elisabethaanse nadagen waarin het stuk ontstond. Het zag er weird uit en behoorlijk eng ook. Neem dat hoge voorhoofd van Petra Laseur als Gertrude, die per bedrijf een andere jurk aantrok, op cothurnen wankelde en teksten kotste. De nieuwe vertaling was van Gerrit Komrij, die Pierre Bokma 'Er zijn of er niet zijn, is het probleem’ liet zeggen.

De oude en de nieuwe toneeltijden liepen qua bezetting dwars door elkaar heen en NRC-criticus Jac Heijer schreef: 'Voor het eerst in de geschiedenis van het Leidseplein ontbreken de beruchte toneeltoontjes omdat er denkend wordt geacteerd.’ Vijftien jaar verder, vers in de nieuwe eeuw, maakten de toneelspelers van ’t Barre Land met toneelmaker Jan Ritsema ('Ze hebben mij niet als kompas maar als monteur van hun principes nodig’) een geheel andere Hamlet. Een oefening in hardop nadenken over schijn en zijn, een Hamlet die de tijdgeest te slim af wilde zijn, een rationalist met beargumenteerde betogen. Ieder personage had drie vertolkers, elke regel tekst werd gespeeld, geproefd, gereciteerd, in de metrische vertaling van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, die niks gewieksts had, dicht bij de argumentatie-brille van Shakespeare’s origineel probeerde te blijven. Dit najaar maakt Marcus Azzini met het complete ensemble van Toneelgroep Oostpool en enkele gasten een nieuwe Hamlet. Sanne den Hartogh zal de titelrol spelen. De enscenering zal opnieuw benadrukken dat Hamlet ook over toneelspelen gaat, dat de Deense prins een van de eerste toneelkarakters is dat een wig drijft tussen zichzelf en de theaterwerkelijkheid. 'Seems, madam? Nay, it is. I know not “seems”.’ 'Schijnt zegt u? Nee, het ís. Ik ken geen schijnt./ Dat wat ik in mij heb duldt geen pose.’


William Shakespeare, Hamlet, vertaling Frank Albers, bewerking Joeri Vos, Toneelgroep Oostpool, regie Marcus Azzini, scenografie Teun Mosk, première 16 oktober, tournee tot 12 december