Telefoneren met god

René Huigen, Tegen de vlakte. Uitg. L.J. Veen, 175 blz., 329,90
RENE HUIGEN, uit 1962, is altijd een opvallend schrijver geweest, in zekere zin vrij uniek zelfs. Hij kreeg enige faam doordat hij deel uitmaakte van de Maximalen. In die tijd debuteerde Huigen met de roman De meter van Napoleon, een opvallend onmodieus boek over vijf dertigers en hun onderlinge problemen. De dichtbundels Paleis der Ingewanden en Terra incognita volgden, plus de roman Dood is ook een leven, een cross-over tussen een thriller en een psychologische roman. Met de verhalenbundel Hartsoeker toonde hij aan een schrijver te zijn met zeer opvallende en scherpzinnige ideeën, die, gekoppeld aan een warme belangstelling voor de moderne bèta-wetenschappen, altijd verrassende verhalen voortbrachten die de wereld op zijn kop zetten en speelden met (literaire) zekerheden.

Tot nu toe is René Huigen nog niet serieus ‘doorgebroken’. Als dichter noch als romancier heeft hij de belofte ingelost die hij toch zeker heeft gewekt. Huigens poëzie is alleen al opvallend omdat die grappig is, witty, en bij vlagen een subtiele, speelse mengvorm tussen wetenschappelijke rariteiten en literaire doordenkerij. Woordspelletjes en omkeringen van wetten, feiten en formules geven de gedichten van Huigen altijd een zeer herkenbaar karakter.
Zijn proza is altijd wat stroever geweest dan zijn poëzie. Huigen is een man van ideeën, eerder dan van de lange uitwerking daarvan. Daardoor zijn zijn verhalen ook sterker dan zijn romans.
Zijn derde roman, Tegen de vlakte, zou het boek moeten zijn dat dan eindelijk de doorbraak van Huigen als prozaïst bewerkstelligt. Maar helaas, ook dit boek overtuigt niet helemaal.
Tegen de vlakte vertelt het verhaal van de schrijver Jasper Eland, die zijn buik vol heeft van het hectische leven in de grote stad, in dit geval de hoofdstad, en zich terugtrekt in een leegstaand klooster in Bergen, Noord-Holland. Hij huurt een cel in het enorme pand om in stilte aan een nieuw boek te kunnen werken. Hij verlangt naar afzondering, rust en vrijheid. Eenzaamheid ook, die hem niet vergund is geweest in Amsterdam.
Het klooster heeft een bijzondere structuur: het is gebouwd in de vorm van een lichaam, een lichaam dat het Corpus Christi verbeeldt. De kapel van het Rafaëlhuis, want zo heet het, vertegenwoordigt Jezus’ hoofd. Jasper verblijft in de linkerarm, berekent hij, 'op de tweede etage, ter hoogte van de elleboog, nabij het telefoonknobbeltje, dat plekje dat als je het stoot een akelige scheut door de arm laat schieten’.
En Huigen zou Huigen niet zijn als hij dan niet direct opmerkte: 'Hij haalde zich zijn cel voor de geest - het kamertje waar broeder Franciscus biddend contact met het Andere had gezocht. “Bidden is zoiets als telefoneren met God”, herinnerde Jasper hem te hebben horen zeggen.’
Telefoneren met God is ook wat Jasper Eland tijdens zijn verblijf in het Rafaëlhuis doet, maar dan niet met de christelijke God. Hij is ook op zoek naar contact met het Andere, dat niet in eerste instantie iets metafysisch is maar vooral betekenis. Schrijver Jasper Eland is geen zelfzoeker, maar een man op zoek naar de dingen achter de woorden, de beelden en de ideeën.
DE EERSTE aanleiding voor Jasper Eland om te mijmeren over de waarde en betekenis van zijn leven en werk vormt de aankomst van zijn vriend Thomas, die uit de kofferbak van zijn auto een typemachine en een stapeltje boeken laadt. 'Hij keek naar de typemachine en de stapeltjes boeken die, in het portaal van het klooster, beschenen door een rembrandtiek licht, iets van een goddelijke glans kregen. Alsof in de schaduw van een groot verlangen de voorzienigheid dit eigenaardige stilleven, dit toevallige beeld op zijn netvlies brandde. (…) Als het stilleven hem iets openbaarde dan was het dat schrijven vooral uit wachten bestond, op een zegen van boven, op een goddelijke influistering of zoiets. En op dat moment besefte Jasper ook dat hij zonder ambities wellicht beter af was geweest.’
WACHTEN OP een zegen van boven, wachten op inspiratie - Jasper Eland wacht tot hij wordt gegrepen door de muze en daadwerkelijk aan het schrijven slaat. Hij heeft wel een plan voor zijn nieuwe boek: dat gaat Het Rafaëlhuis heten, jawel. We maken mee dat Jasper flarden uit die roman op papier krijgt, flarden die we kennen uit het eerste, inleidende gedeelte van Tegen de vlakte, waardoor we begrijpen dat we niet de roman lazen over Jasper Eland, maar die van Jasper Eland, over zijn jongste jaren. Typisch Huigen om te spelen met die literaire mogelijkheden. Jammer alleen dat de verrassing ontbreekt.
Jasper Eland is een denker, met speciale belangstelling voor de filosofie. Met zijn vriend Thomas voert hij lange gesprekken over wijsgerige onderwerpen, waarbij ze telkens weer uitkomen bij, zoals Jasper het formuleert, 'de veranderde mentaliteit die volgens hem werd gekenmerkt door een radicale breuk met het zoeken naar een goddelijke rationele zin van mens en wereld.’ De mens bevindt zich niet in het centrum van een speciaal voor hem geschapen universum, maar op een miezerige planeet in een uithoek van het heelal, waar uit een schimmelproces het leven moet zijn ontstaan, dat tenslotte puur bij toeval de mens heeft opgeleverd. 'Nee, ons rationele bewustzijn was geen goddelijke vonk, geen goddelijke macht, maar krachteloos en secundair, een lamme ziende man op de schouders van een sterke blinde: de onbewuste levenswil.’
Om die stelling te onderstrepen voert René Huigen een aantal personages en verwikkelingen op die de mens moeten tonen als een 'krachteloos’ wezen, voortgedreven door die onbewuste levenswil. Rust is Jasper niet gegund. Vanaf dag één wordt hij lastiggevallen door bezoek, flirtende vrouwen en semi-criminele Bergense patsertjes. Van schrijven komt niet veel, en echt socialiseren zit hem ook niet in het bloed, zodat hij blijft zwemmen tussen twee werelden: die van de afzondering en die van de gemeenschap.
ELAND ZELF is niet zozeer een man van de onbewuste levenswil, maar vooral van de ratio, de gedachte (een hoofdstuk wordt voorafgegaan door een Kierkegaard-motto: 'Geestelijk gesproken moeten de gedachten van een man het bouwwerk zijn waarin hij woont - anders zit hij fout’), een man derhalve die voornamelijk aan de binnenkant van zijn hoofd woont, zoals de kapel van het klooster in het hoofd van Christus zat.
Zat, want plotseling wordt, onder het adagium van Lao Tse, 'Architectuur is wat je overhoudt als je de muren weglaat’, het Rafaëlhuis gesloopt. Het gaat tegen de vlakte. En daarmee wordt, volgens Jasper Eland, niet alleen een bouwwerk neergehaald, maar tegelijk een tijdperk uitgewist: 'Ik bedoel, ieder goed gebouw vertelt een verhaal, over de opvattingen van de gebruikers en over een tijdperk. En bovenal vertolkt het innerlijk van een gebouw een opvatting over de beleving van de ruimte. Of niet?’
In Tegen de vlakte, overigens een ijzersterke titel, wil René Huigen veel. Misschien wel te veel. Hij pakt de filosofie, de schilderkunst, de architectuur, de literatuur en de religie erbij, plus het schrijven en een schopenhaueriaanse wereldbeschouwing, alsmede een enigszins geconstrueerde vertelstructuur, die zich spiegelt aan de plattegrond van het klooster. Hij vertelt ook nog een verhaal met een 'spannende’ plot, die hier niet verteld mag worden.
Maar nog steeds is hij er niet in geslaagd dat boek te schrijven dat zijn doorbraak betekent. Dat is erg jammer, want er zijn maar weinig schrijvers die zoveel geestigheid koppelen aan intelligentie als René Huigen. Het resultaat zou alleen iets beter opgeschreven moeten worden.