Telemoord op hiroshima

De naam Hiroshima werd al gauw meer symbool dan werkelijkheid: een datum in de geschiedenis van de mensheid, een point of no return in de mogelijkheid van mondiale zelfvernietiging. De Weense filosoof Gunther Anders stelde in zijn verslag van een bezoek in 1958 als lid van de Westeuropese Ban-de-Bomdelegatie voor om voor deze oorlog die geen oorlog meer was maar een verdelging van mensen die zich niet konden verdedigen, de term ‘telemoord ’ te gebruiken. De slachtoffers van de bom die drie dagen later op Nagasaki viel, noemde Anders ‘manoeuvredoden’: ‘een bloedbad als dreigement tegen derden’. Als er sindsdien over aantallen slachtoffers werd gesproken, dan als bewijs van de geladenheid van het symbool Hiroshima - de slachtoffers zelf waren nauwelijks van belang.

De eerste roman over Hiroshima waarvan nu een herdruk van de vertaling verschijnt, werd pas in 1965 geschreven, door Masuji Ibuse (1898-1993), in de vorm van een - overigens fictief - dagboek. Dank zij die vorm kon Ibusi van dag tot dag laten zien wat de getroffenen overkwam, wat ze zagen, meenden te zien en, vooral, wat ze niet zagen en (nog) niet wisten.
Wat voor bom was er ’s ochtends om half negen uit die B-29 bommenwerper gevallen, een geweldig flitslicht gevolgd door een gebulder, waarna zich een paddestoel boven de stad breed maakte waarvan de stam een regen met grote zwarte druppels bleek te zijn die op de huid kleefden?
Een benzinebom, dacht men, gifgas, een chemisch wapen, maar de brandwonden zagen er anders uit dan die veroorzaakt door heet water of vuur. Pas op 13 augustus horen de slachtoffers voor het eerst het woord ‘atoombom’ en heeft men het over 'penetrerende stralen ’. Tot dan toe had men de gewonden als infectiezieken behandeld, pas langzamerhand drong het besef door wat het nieuwe aan deze bom was.
Wie nu de roman leest, heeft met vier tijden te maken. De roman 'speelt’ in mei 1950. Een echtpaar biedt al jaren onderdak aan een nicht. Ze wonen nu in een dorp op honderdvijftig kilometer van Hiroshima. De man, Shigematsu, bevond zich toen de bom viel in een station twee kilometer van het centrum van Hiroshima, zijn halve gezicht werd verbrand. Zijn vrouw was thuis en bleef ongedeerd; zo ook de nicht die zich tien kilometer buiten de stad bevond en terug zou gaan om het tweetal te zoeken. Over haar gaat het gerucht dat zij aan stralingsziekte lijdt, zodat degene die misschien met haar wil trouwen inlichtingen over haar gezondheid laat inwinnen. Over dit merkwaardige gedrag geeft Jacques Westerhoven in zijn nawoord de informatie die de roman zelf maar ten dele bevat: de overlevenden die aan stralingsziekte leden, de hibakusha, werden door de Shinto-godsdienst als onrein beschouwd. Dat was zo in 1950, maar kennelijk ook nog in 1965, anders had Ibuse daaraan niet zijn hele roman opgehangen. De oom krijgt van de nicht haar dagboek van de dagen na 6 augustus 1945 en hij schrijft zijn eigen dagboek van die dagen over om als bewijsmateriaal te dienen voor de huwelijkskandidaat. Het meisje was werkelijk gezond, zij het dat nu opeens de gevreesde ziekte alsnog bij haar uitbreekt. Daarover schrijft de tante weer een dagboek, die al eerder een aanvulling schreef met een notitie over het eten in de oorlog. Al die details maken het belang uit van het boek.
De vierde tijd is die van deze lezer: van een symbool verandert Hiroshima terug in een verwoeste stad bevolkt door lijken en gewonden. Te midden van de dood gedijen de vliegen en floreren bomen en planten. En niemand weet wat hier is gebeurd en overziet de gevolgen, dat is het verbijsterende aan het boek. De buitenwereld bestaat niet, tot de radiouitzending op 15 augustus waarin de capitulatie bekend wordt gemaakt. Of die zonder de twee bommen er niet zo snel was gekomen? Over politiek en ethiek rept de roman niet die laat alleen zien wat al het gepraat over politiek en ethiek heeft verduisterd: wie dat waren, de duizenden mensen die via telemoord werden verdelgd.