Televisie

Dat Xandra Schutte niet meer onder ons is, heeft maar één voordeel: ik kan zonder schuldgevoel van Voskuil genieten. Was er bij deel 5 van Het Bureau voor het eerst het gevoel dat zijn greep op de vorm verloren raakte, deel 6, ‘Afgang’, is 'meesterlijk’ vanwege geraffineerde opbouw – op het eerste gezicht slechts resultaat van chronologie. En ontroerend, vanwege 'en ook weemoedigheid’ (ondertitel van het voorgaande deel). Bijna had ik beweerd dat Het Bureau zo 'herkenbaar’ is, maar die term is in dit verband niet alleen de meest gebruikte maar, vrees ik, ook de meest misbruikte. Als ontelbare lezers melden dat het op hun werk net zo toegaat als op het A.P. Beerta Instituut en dat ze in Voskuil eindelijk de Paul van Buitenen vinden die hun kritiek – en dan ook nog es literair – verwoordt, dan vermoed ik dat het merendeel van hen zich geheel ten onrechte Maarten Koning waant. Alleen al statistisch moet het onder Voskuils fans barsten van de Asjes, Balken, Elshouts, Mullers, Rentjes en Velden. Had ik op het Meertens Instituut gewerkt, gezien leeftijd en opleiding niet helemaal ondenkbaar, ik had met angst en beven het verschijnen van elk deel afgewacht. Die gedachte lijkt bij veel bewonderaars niet eens op te komen, held als ze zijn in eigen leven en werken. En als ik mezelf door deze vernedering nou toch verhef, dan durf ik ook de bewering aan dat een deel van zijn bewonderaars weinig oog heeft voor het feit dat Maarten Koning weliswaar Voskuils zelfrechtvaardiging vormt, maar dat hij die minstens zo genadeloos fileert als partner, collegae en vrienden: een zelfkweller die niet alleen lijdt aan sociale contacten maar die het zijn medemens mede daardoor buitengewoon moeilijk kan maken. En wiens gevoel van miskenning door ondergeschikten zowel oprecht als pijnlijk is. Het kleinste blijk van solidariteit en erkenning ontroert hem: veelzeggend. Het Bureau mag als therapie geschreven zijn, de overstijging daarvan ligt in literaire kwaliteit. Verrassend in 'Afgang’ is een toevallig actuele passage. Rond Konings jubileum wordt Nicolien gebeld met de vraag of hij prijs zou stellen op een lintje. Verbluft is hij wanneer blijkt dat ze die suggestie niet meteen verontwaardigd van de hand heeft gewezen. Even verbluft als de lezer die, Nicolien kennende, weet dat zij lintjes iets voor 'rotzakken’ moet vinden. Echo daarvan klonk in Jan Mulders recente column, waaruit bleek dat mevrouw Mu dezelfde slag om de arm had gehouden. Hij had 'het verschrikkelijke gevoel dat we veertig jaar voor niets in één bed hebben gelegen’. Zou mevrouw Ca dezelfde fout hebben gemaakt? Nee, wie deugt wil geen lintje. Prijzen, dat is iets anders. De Nipkowschijf gaat naar een waardige winnaar: Kees de Groot van Embden voor zijn onthullende Brent Spar-documentaire. Voor mij had hij ook naar De Daltons (eervolle vermelding) of Michiel van Erp mogen gaan.