Televisie

Televisie

Het vakantiehuis bleek fraai, maar lag aan een helling waar vele auto’s schakelden. We wilden weg maar waren te moe. Bovendien: «Es ist bezahlt, es soll herunter». Waardoor we daags erna tot het verbluffende besef kwamen dat we de herrie niet meer hoorden: voortaan wonen aan de A10 en recreëren in de berm. Desondanks een zegen toen het tweede huis in een gehucht bleek te liggen. Het weinige verkeer werd dagenlang ook nog geweerd vanwege voorbereiding op het jaarfeest vanaf zaterdag, en slechts koe en mus waren te horen. We verheugden ons op de klanken van het aangekondigde bal, dat we, gevormd door ervaringen van lang geleden, inschatten op musette, chanson, Vogeltjesdans.

Na weken natuur op beschaving uit reed ik die zaterdag naar Le Cateau Cambrésis, geboorteplaats van Matisse, voor diens museum. De VVV in dat morsige oord was virtueel open maar reëel op slot. Hoogseizoen! «Museum?» antwoordde het meisje van de bakker op mijn vraag. Het begon te regenen, de jongeren voor de gokautomatenhal keken bloeddorstig. Ik bereikte een groot complex van gebouwen waarvan er één «meisjesschool» als opschrift had. Poort dicht. Nergens een indicatie van wat dit was. «Jawel, het Matisse-museum», zei een mevrouw desgevraagd, «ingang om de hoek.» Daar zat een potdichte dienstingang. Gluurwerk wees prachtige lege zalen uit. Ik liep naar het aangrenzende parkje, blijkens een bord aangelegd door de vermaarde Lenôtre, waar bruiloftsgasten bij de ingang wachtten tot het gelukkige stel voldoende vereeuwigd was. Het ging hozen en ik hoorde mezelf lachen: honderd kilometer rijden voor een parkwandeling in een desolaat oord.

Klokke tien begon het feest en verdween elke «Jour de fête»-droom door weerzinwekkende Frans-Amerikaanse klereherriemuziek van de botsautootjes. Het duurde tot 04.00 uur en was dorpen ver te horen. Het duurde bovendien vier nachten. De laatste avond overwon ik de weerzin en ging kijken: achter de botsautogeluidswal bleek wel degelijk Frans bal. In een tent speelden accordeon en sax en werd gezongen over «les cocu’s». De dansers, soms drie, soms tien stellen, waren gemiddeld zeventig, klein van stuk, bloed ernstig en sjofel. De mannen verplaatsten de vrouwen kundig, maar alsof ze aan het harken waren. Het was prachtig. De tussengeneratie keek toe, de jongeren hingen zoenend bij de autootjes. Hoe lang zal dit bal nog bestaan? Die nacht werd ik om vier uur wakker en moest lachen: niet slapen van de stilte.