Televisie

Televisie

Niet dat het volk bestaat, tenzij vanuit het perspectief van Beatrix, maar het was zijn jaar ook al niet. «We» waren er immers niet bij. Waren we dat wel geweest, dan hadden we een waarlijk collectieve ervaring gehad. De enige plek waar het volk één is, is vóór de televisie bij oranjekleurige halve en hele finales. In mindere mate bij het NOS-Journaal tijdens calamiteiten; en bij André van Duin. Het was het jaar van het Zuid-Koreaanse volk en ik verbaasde me over de vertedering die de hysterie aldaar opriep en die ik zelf ook kort voelde.

Desondanks was het ook weer wél het volksjaar — of liever het volksvoorjaar, want in dat getijde vonden opmars, moord en rouw plaats. Op 6 mei werd Harmen Siezen bode in de tragedie (televisie brengt wonderbaarlijke eenheid van tijd, plaats en handeling). Spontaan oproer deed zich «live» voor dankzij Ado Den Haag-supporters, wijlen CP’86 en een bekakte vrouw die dansend met Pim-poster als ware bacchante riep dat nu «die klootzak» (Melkert) aan de beurt was. Voorproeve van wat er aan begrijpelijke verontwaardiging, rioolopinies en onvatbaar klaagvrouwgedrag te wachten stond. In die publieke rouw waren WAO’er en miljonair, jong en oud, poot en potenrammer even vereend. (Het beste dat Boudewijn Büch sinds tijden produceerde was een gesproken column waarin hij zijn afschuw uitsprak over dit uiterlijk vertoon — en dan lappen «vrienden» hem een slap aftreksel daarvan.) Overigens zou «het volk» bij de verkiezingen voor het eerst écht gesproken hebben, wat betekent dat «het volk» uit zeventien procent van het volk bestaat.

Rijk geworden delen van het volk treft men op de miljonairsbeurs (waar «oud geld» niet dood gevonden wil worden). Op de televisie bewoont het het Big Brother-huis en zit op vele tribunes. Maar het indringendst ontmoeten we het volk bij Michiel van Erp. Diens Lang leve herbegon in een Roosendaalse sloopwijk. Weer had de productie fantastisch werk gedaan bij het vinden van locatie, thematiek en hoofdrolspelers. Weer voerde Van Erp zijn gesprekken met stille verbazing en empathie. Weer vond hij veelzeggende beelden die de interviews verbonden. En weer rechtvaardigde hij zijn en des kijkers voyeurisme. Door mededogen, door een tragikomisch levensgevoel, door het bewaken van de waardigheid van zijn dramatis personae en door het besef dat hun getob anders toont maar in wezen verwant is aan dat van maker en kijker: sloebers die er wat van proberen te maken.