Van de schoonheid en de ergernis

Televisie


Van de schoonheid en de troost is een van Wim Kayzers megalomane ondernemingen. Ik zie ze altijd en geheel omdat zijn collectie geleerden, dichters en denkers uniek is voor televisiebegrippen en tot lering en vermaak (en ergernis) dient. In kort (voor tv lang) bestek geven ze delen van hun mens-, wereld- en heelalbeeld prijs: Reader’s Digest voor hoger opgeleiden. Kayzers succes bij moeilijk strikbaren lijkt self fulfilling omdat ze onder de indruk moeten zijn van wie hen voorging of met hen ‘ja’ zei. Het zal verder berusten op gevleidheid door zijn bekendheid met hun werk (al kent die uiteraard, zeker bij natuurwetenschappers, enorme beperkingen) en op andersoortig voorwerk waarvan wij afschaduwingen horen in citaten uit correspondentie. Ten slotte is er de paraplu boven zijn projecten — eenheid suggererend die vaak meer schijn dan werkelijkheid is. (Van de schijn en de werkelijkheid kan een volgende reeks heten.) Ik althans ontdek hooguit een Kleinste Gemene Deler in wat zijn menagerie aan variaties op ‘schoonheid en troost’ biedt. Al hebben ze gemeen dat ze die begrippencombinatie inspirerend genoeg vonden voor een gesprek.


Bezwaarlijk is het niet: de Allesverklarende Formule bestaat niet, hoezeer het ook de menselijke soort eigen is daarnaar te verlangen — rabbi’s, pausen, imams, goeroes, natuurwetenschappers en Kayzer voorop. Wat die met zijn reeks bereikt is dat ik over afzonderlijke afleveringen hoor praten, zoals gepraat is over Karin, Bart en Ruud — een niet geringe prestatie. Op uiteenlopende niveaus: van inhoud (Weinbergs uitsluiting van de mogelijkheid van een zich om de mens bekommerende Schepper; het ontbreken van ‘liefde’ als troost bij onder anderen Soyinka) tot vorm. Die vorm is niet altijd van inhoud te onderscheiden, komt op Kayzers rekening en heeft te vaak aandeel in genoemde factor ergernis. Zelf duidde hij die wrevel ooit als te zeer gebonden aan (voor)oordelen over zijn persoon: ‘Als een ander mijn verbindende tekst zou lezen zou er geen kritiek op zijn.’ Maar ik houd niet van zijn nadrukkelijkheid, veelbetekenendheid, vooraankondiging en herhaling.


De gesprekspartners zijn meestal boeiend en helder genoeg, de toevoegingen vaak overbodig en voortkomend uit onderschatting van de kijker. Daar valt beter mee te leven dan met de richting die Kayzer sommige gesprekken geeft. Maar eerst lof. Sommige gesprekken worden indrukwekkende portretten. Zo was ik verbluft over kritiek op de aflevering met Karel Appel: die zou weinig te vertellen hebben. Inderdaad, hij is schilder en geen prater. Behaagzucht blijkt hem vreemd; ergernis toont hij zonder terughouden; oprechtheid maximaal. Hier was de formule prachtig: elk schilderij met door Appel gekozen muzikaal commentaar. Absolute tegenpool van poseur en ijdeltuit George Steiner, die zijn stokpaarden weer driftig bereed. Maar ook daar luister ik nog met plezier naar.


Pijnlijk werd het bij filosofe Martha Nussbaum die ongehinderd haar tijd nagenoeg volledig besteedde aan de relatie tot papa en mama zonder dat dat het particuliere voldoende oversteeg. Schokkend bij psychologe Elisabeth Loftus, die door Kayzer aan een pijnlijke publieke therapeutische sessie werd onderworpen. Zelfs als zij daarmee gediend was, wij niet.