De oud-minister

Televisie


Tijdens moeizaam gedraaf door het park komt mij soms een oud-burgemeester en -minister tegemoet. Hij biedt een deerniswekkende aanblik: de motoriek hortend en stotend, de ademhaling moeizaam, elke stap schijnbaar de laatste voor hij van uitputting ineen zal zijgen. Had Huub Stapel, die deze politicus in Retour Den Haag subliem vertolkte, hem hierin exact nagebootst, hij zou zijn weggehoond vanwege ‘overacting’.


Uiteraard is dit geen kritiek op Ed van Thijn. De natuur deelt oneerlijk uit en buiten de ‘gymnastiek’ is hij overstroomd met gaven — van hoofd zonder twijfel, van hart waarschijnlijk. Zijn gevecht met het lijf is teken van wilskracht; te bewonderenswaardiger sinds ik dankzij De show van je leven weet dat hij niet alleen het jongetje was dat met trefbal of kastie het laatst werd gekozen (al te bekende vernedering) maar wiens jeugd werd beheerst door astma. Hij roeide die er letterlijk uit — een sport die, in tegenstelling tot lopen, haast per definitie esthetisch is. De knapste van de klas zijn is op die leeftijd schrale compensatie. Dat hij dat werd, bleek mede de verdienste van onderwijzer Koornneef die hem hielp de enorme achterstand door de onderduik in te halen. Deze nazaat van Theo Thijssen bleek nog in leven. ’s Meesters herinneringen aan zijn oud-pupil ontroerden niet alleen de hoofdpersoon.


Koornneef kreeg de eer die hem toekwam doordat Van Thijn zijn liefdevolle bemoediging afzette tegen de recent alom opgehaalde kilte jegens de weinige overlevenden. Het werd sowieso een emotionele aflevering. Die in verwarring bracht. De opzet van de reeks is oud als de televisie en eenvoudig: bekende persoon wordt geïnterviewd, geconfronteerd met uitspraken van bekenden en bovenal gefêteerd. De incidentele kritische noot is liefhebbend en geeft aan verdiensten en succes extra reliëf, zoals de enkele traan aan de lach. In de Vara-context is Van Thijn ideaal als personage: bijna heilig door vele kwaliteiten en martelaar vanwege door het noodlot afgebroken carrière. Ook ik heb de man hoog zonder hem te kennen — gevolg van een publiek imago waarin ik wens te geloven: er zijn al zo weinig ‘helden van deze tijd’. Dat hij ook schaker, want politicus is; dat hij behoorlijk autoritair kan zijn — het verbaasde niet.


De lichtheid, het programma eigen, werd overschaduwd door de gruwel van de twintigste eeuw, belichaamd in de vraag welk recht je hebt er te zijn als de anderen zijn vermoord. Bovendien, de pest met veel ‘goede mannen’ is dat zij het beste voor hebben met wereld en mensheid maar tekortschieten jegens hun allernaasten. Van Thijn kreeg dat, via zijn dochters, verschrikkelijk voor de kiezen. Dat zijn tekort bovenal is veroorzaakt door traumatisering is zonneklaar. Dat gezamenlijk Auschwitz-bezoek een doorbraak betekende in hun relatie, het is indrukwekkend. Maar ik gun het niemand zijn huilend kind op de tribune te zien; en het publiekelijk te horen verklaren dat via e-mail lukt wat à deux niet kan. Amusement met inhoud kan soms niet om aan te zien zijn. Waar heeft hij het aan verdiend? En had ik dit wel op moeten schrijven?