Televisie

Televisie

Theo Reitsma krijgt een Ere-Nipkowschijf. Opvallend, omdat hij bovenal dienstbaar was, zijn visie en persoon niet tussen kijker en wedstrijd wrong en slechts opviel door kennis (waarmee hij niet pronkte) en scherpe blik. Eigenlijk zou niet bekroond moeten worden dat iemand «gewoon» zijn werk goed doet. Anderzijds: juist wat eenvoudig lijkt is vaak hartstikke moeilijk en Reitsma had de mazzel dat veel collegae dat met cliché-collecties en dom chauvinisme decennialang aantoonden. Bij toernooien was Reitsma de man die mijn omgeving bij Nederland 2 hield, waar anderen ons naar de Vlaming joegen. Proficiat dus.

Overigens, het aantal uitgezonden voetbalwedstrijden is geëxplodeerd met als paradoxaal gevolg dat zelfs in mijn wilde zaalvoetbalclubje vol echte liefhebbers er nog maar weinig wordt gekeken. De meeste potjes zijn niet om aan te zien: voor twee mooie minuten moet je er negentig kijken; voor één aardige wedstrijd er acht zien. Maar ter compensatie neemt het aantal leuke sportprogramma’s toe. Wachten op Holland Sport is een aanwinst, al had ik dat niet meteen door omdat ze de allereerste keer al de uitslag van een wedstrijd verrieden waarvan ik de uitslag pas via Studio sport wilde leren kennen. Dus boycotte ik ze een tijdje. Daar heb ik vooral mezelf mee gehad. Wilfred de Jong is sowieso een van de plezierigsten en besten die op de buis verschijnen; en ook Matthijs van Nieuwkerk blijft door goden gekust, al moet hij oppassen voor de linke combinatie van te veel zelfvertrouwen en routine. Bovendien mag hun redactie er wezen. De twee tenoren brengen hun enthousiasme over op de gasten met wie ze in geheim recept een feestelijk soort bijeenkomsten mixen die recht doen aan de vreugde die sport de mensheid biedt. Ze houden iets van het jochie dat alle Tour-uitslagen in een schriftje schreef en voetbalplaatjes spaarde — en dat jochie kent menige kijker heel goed. Mooi bijvoorbeeld een uitzending over 1974 van Auke Kok en Anton Geesink als gast. Inderdaad, die 2-1 had eigenlijk 4-1 voor Duitsland moeten zijn, al verdringen we dat keer op keer. En Anton zou Geesink niet zijn als hij dat niet glashard bleef ontkennen met de bewijzen voor ogen, mythe prefererend boven feiten. Met Geesink is het goed dollen maar slecht waarheid vinden, zeker waar het zijn eigen handel en wandel betreft. Ook Holland Sport lukt dat niet. Tijd dus voor een heuse documentaire in Zembla-stijl. Want ook goede sportdocumentaires komen er langzamerhand meer.