Televisie

Televisie

De rottrap die ik ooit van Jan Nagel ontving toen ik hem bij een vriendschappelijk potje voetbal tussen Groene en Nieuwe Linie dreigde te passeren, lijkt tekenend voor het karakter van veel lui die het ver schoppen. Ze kunnen, als kleine kinderen, nooit tegen hun verlies. Er zit wel eens iemand tussen die verder niet onaardig is, maar meestal kun je ook in de gewone omgang het best zo min mogelijk met ze van doen hebben. Omgekeerd zullen zij zeggen dat mijn houding juist onvolwassen is: de wil om te winnen houdt alles gaande — van voortplanting via GroenLinks tot Unilever.

Typerend voor losers is dat ze tegen hun verlies kunnen: ze hebben geen andere keus (gezien mijn sportkwaliteiten zit daar wat in). Bovendien is het schijnheilig wel te hopen op wereldbekers en gouden medailles voor oranje sporters als die vooral gewonnen worden door monomane, humorloze, over-lijken-gaande types en zelden door vriendelijk relativerende.

Daarin is de sportpers vaak ook dubbelhartig: altijd gecharmeerd van een origineel type zwemmer of volleyballer met een eigen babbel die niet de clichés bevat die de journalistiek nou juist haast dwingend oplegt; maar o wee als die leukerd tweede of derde wordt en daar niet kapot genoeg van is. En altijd minachtend over de wielrenner die niet direct na de finish zijn ziel en zaligheid blootlegt of flauwe grappen debiteert: die mag gewonnen hebben, hij heeft geen uitstraling. Daarom, vrienden, moeten we vooral genieten van snelheid, kracht, souplesse en schaarbeweging van de onsterfelijken maar zo min mogelijk van hun karakter (en doping gebruik) te weten komen — behalve dan wat er door ze heen ging toen het Wilhelmus klonk.

Laten we wel wezen: Fanny Blankers was een kreng, zoals blijkt uit een fraaie documentaire over haar aandeel in de uitsluiting uit de atletiek van Foekje Dillema, verdacht van mannelijkheid. En dat idool Abe Lenstra een eigenheimer was wisten we (sterker, dat was juist zo leuk aan de man) maar dat hij volop nare trekjes had — aan die indruk kon ik me niet onttrekken door de Studio Sport-documentaire over «het Friese wonder». Die bewees dat je een mooi sportprogram ma kunt maken zelfs als er nauwelijks wedstrijdbeelden zijn. Behalve sportgeschiedenis was het bredere sociale geschiedenis waardoor werelden van nette armoe en kuisheid opgeroepen werden. Prachtig de «gereformeerdenbomen» rond het stadion, waarin jongens en mannen klommen die van hun Heer op zondag geen kaartje mochten kopen voor de wedstrijd.